Ludwig Ferdinand Clauss (1892-1974); Meelevende rassenwaan

PETER WEINGART: Doppel-Leben. Ludwig Ferdinand Clauss. Zwischen Rassenforschung und Widerstand

252 blz., geïll., Campus Verlag 1995, ƒ 45,80

Leerling van filosoof Edmund Husserl, bedoeïenensjeik, islamiet, nationaal-socialist en jodenredder: de levensloop van rassenonderzoeker Ludwig Ferdinand Clauss (1892-1974) kende een nogal grillige route. Peter Weingart werpt met zijn biografie Doppel-Leben niet alleen licht op de merkwaardige rassenkundige, maar hij biedt tevens enig inzicht in de schimmige en complexe wereld van de rassenonderzoekers tijdens het Derde Rijk.

Als student raakte Clauss gefascineerd door Husserls fenomenologie, en vooral het filosofische probleem van de 'reductie', waarbij vooroordelen en voorkeuren zoveel mogelijk moesten worden uitgeschakeld. Hij wilde Husserls ideeën als basis nemen voor een methode die hem in staat stelde vreemde volkeren in hun eigen omgeving te observeren. 'Mitleben' noemde hij dat. Clauss was ervan overtuigd dat de menselijke psyche over eigen wetmatigheden beschikte en daarnaar was hij op zoek. Hij had met die interesse zijn tijd mee. De aandacht voor menselijke rassen stond sinds de negentiende eeuw volop in de belangstelling, zeker in Duitsland. Clauss keerde zich tegen de biologen met hun rastypologieën, maar maakte wel gebruik van hun begrippen. Daarin onderscheidde hij zich onder meer van zijn vriend Hans F.K. Günther ('Rassen-Günther'), die in zijn populaire boek Rassenkunde des deutschen Volkes rassen met elkaar vergeleek en daarbij niet toevallig het Noordse ras als maatstaf nam. Voor Clauss was dat allemaal te dogmatisch.

In 1926 verscheen zijn hoofdwerk Rasse und Seele, waarin hij zijn voornamelijk intuïtieve bevindingen neerlegde. Omdat hij wel de terminologie van de biologische rassenonderzoekers overnam, was zijn werk bijzonder ambivalent en waren interpretaties afhankelijk van degene die het boek onder ogen kreeg. Een succes kan het werk wel genoemd worden. Er zouden achttien drukken verschijnen met een totale oplage die ver over de 100.000 exemplaren liep.

Medio 1927 startte Clauss een expeditie naar het Midden-Oosten om daar zijn methode van 'meeleven' in de praktijk te brengen. Als 'sjeik der Duitsers' introduceerde hij zich bij de machtige bedoeïenenleider Mitgâl Pascha ben Sattâm-el-Fais, van de Beni-Sachr-stam. Gefascineerd volgde hij van binnenuit het leven in een woestijngemeenschap. Om ook de vrouwen van de stam in zijn onderzoek te betrekken, riep Clauss de hulp in van zijn assistente, de joodse Margarethe Landé. Deze deed op dat moment onderzoek in Jeruzalem, maar stelde zich wel beschikbaar om de rol van zijn vrouw Sitt Marjam te spelen. Zo kon zij de vrouwengemeenschap van dichtbij bestuderen. Clauss stelde zijn avonturen te boek in Semiten der Wüste unter sich en bekeerde zich tot het islamitische geloof.

Na Hitlers machtsovername in 1933 kreeg de rassenkunde nog meer de wind mee. Clauss werd lid van de NSDAP. “Als ik vier jaar als bedoeïen tussen de bedoeïenen kon leven, moest het me ook lukken om als nazi onder de nazi's te leven,” verklaarde hij die keus later. Clauss werd een veelgevraagd spreker op bijeenkomsten van de Hitlerjugend, Bund Deutscher Mädel, en de SS, maar een begeerde leerstoel bleef achterwege. Een smeekbrief aan de Führer mocht niet baten. Zijn carrière liep vast, en het werd nog erger.

Margarethe Landé was als zijn assistent voor 'semitische aangelegenheden' blijven werken. Zijn rancuneuze ex-vrouw uit zijn tweede huwelijk tipte de Gestapo dat hij samenwerkte met een joodse. Zowel Clauss als Margarethe Landé werden door de geheime staatspolitie aan de tand gevoeld. Uiteindelijk werd Clauss, omdat hij lid was van de NSDAP, voor het partijgericht gedaagd. Belangrijkste opponent in het juridische steekspel dat volgde, was Walter Gross, hoofd van het Rassenpolitische Amt (RPA) en voorstander van een meer biologisch gerichte rassenkunde.

In antwoord op de aanklacht wierp Clauss tegen dat hij de joodse Landé als onderzoeksinstrument nodig had. Hij kon als Duitser immers wel onder bedoeïenen leven maar niet onder joden. Er waren grenzen, betoogde hij. Zijn pleidooien waren tevergeefs. In 1942 - onduidelijk is waarom dan pas - werd hem het lidmaatschap van de NSDAP ontnomen. Dat betekende voor Landé onmiddellijk levensgevaar en Clauss liet haar op zijn landgoed onderduiken.

Uitgespeeld

Clauss' rol in het Derde Rijk leek uitgespeeld. Zijn boeken en publikaties werden verboden door de partij, hij mocht geen les meer geven en teerde financieel in op zijn eigen vermogen. De SS deed nog een poging om hem aan de slag te helpen. In 1944 mocht hij als oorlogsverslaggever naar het oostfront om daar na te gaan hoe de strijd tegen 'vreemde rassen' op een 'doeltreffender' wijze kon worden gevoerd.

Na de oorlog raakte Clauss wederom verwikkeld in politieke processen. Dit keer wilde hij aantonen dat hij slachtoffer was geweest van het naziregime om in aanmerking te komen voor de Wiedergutmachung. Ondanks de getuigenis van zijn voormalige joodse assistente, die door zijn hulp de oorlog had overleefd, lukte dat niet. Terwijl vele oud-nazi's een comfortabele positie in de Bondsrepubliek bekleedden, bleven de deuren van de Duitse universiteiten voor de rassenkundige Clauss hermetisch gesloten. Verbitterd overleed hij in 1974. Postuum volgde een eerbetoon uit onverwachte hoek. Voor de redding van Margarethe Landé eerde Israël de Berlijnse psycholoog in 1979 met een boom in de 'laan der rechtvaardigen' in Yad Vashem.

    • Gerard Groeneveld