Liefdadigheid in eigen land stelt de gevers voor moreel dilemma; Een oefening in verlegenheid

'Eigen buurt eerst' is de trend bij de gevers aan liefdadigheid. De stille armen zelf vinden steeds vaker de weg naar de particuliere fondsen en de vrijgevige pastoors. De gevers zitten intussen met een bezwaard gemoed. Geld of goederen, op huisbezoek of niet? Onverplicht geven en besmuikt ontvangen.

Uit een brief van 10 juli 1995 van pastor Brooymans en pastor Van Geffen aan alle collega's in het dekenaat Breda. 'Betreft: het toenemend aantal zwervers aan de deur van de pastorie. (...) Vanuit pastorale zorg is er op veel pastorieën aandacht voor mensen in problemen, ook voor zwervers. In de praktijk blijken zij nauwelijks behoefte te hebben aan pastorale aandacht en alleen geld te willen zien.' De brief besluit met: 'Mocht er behoefte zijn aan een vervolggesprek, aan een cursus 'zelfverdediging' of 'overtuigend optreden'. laat het ons weten. Sterkte.'

Jel van Geffen, pastor voor diaconie in Breda, werd de afgelopen jaren steeds vaker geconfronteerd met bange of geïrriteerde pastores, die zich geen raad wisten met de steeds grotere aantallen behoeftigen aan de kerkdeur. “Sommigen gaven uit schuldgevoel, anderen om ervan af te zijn,” legt ze uit. Het afgelopen jaar belegden zij een ontmoeting tussen pastores en medewerkers van daklozencentra. De hulpverleners bleken de zielenherders al te kennen uit de verhalen van hun klanten: “Oh, u bent die priester die altijd wel geeft, als je maar lang genoeg aandringt.” Het was echter vooral een opluchting: de pastores weten nu dat ze zich niet schuldig hoeven te voelen als ze niet aan iedereen geven die aan de deur klopt.

Maar aan wie dan wel, is de vraag. Kerken, fondsen en alle andere instellingen die liefdadigheid in hun vaandel voeren staan al jarenlang voor de vraag wat ze aan moeten met de snel groeiende groep hulpzoekers. Gemeentelijke overheden creeëren weliswaar steeds meer vangnetten - onder protest, omdat het Rijk zich aan haar verantwoordelijkheden zou onttreken - maar het aantal mensen dat er doorheen valt groeit. De kerken en particuliere instellingen zitten er vervolgens flink mee in hun maag. Hoe zou moderne liefdadigheid eruit moeten zien? Geven is een kunst en betutteling ligt op de loer. Als je als gever niet meer in de linnenkast mag kijken, hoe weet je dan of je geld goed terecht komt? En moet je wel op de stoel van de overheid gaan zitten?

Het officiële standpunt van de Raad van Kerken luidt: 'Liefdadigheid zou niet mogen bestaan. Gunsten zouden weer rechten moeten worden. Dus als je helpt, help dan onder protest.' Maar wat betekent dat in de praktijk? Jan Zuidgeest van het landelijk diaconaal beraad in Den Bosch: “Wij raden alle kerken af directe financiële of materiële hulp te verlenen. Je kunt mensen beter leren hun weg te vinden in de bureaucratie. Er blijft veel geld liggen bij gemeentes, bijvoorbeeld van de bijzondere bijstand, omdat mensen niet weten hoe ze het moeten aanvragen.”

Schoentjes

Het is echter een publiek geheim dat veel dominees en pastores in voorkomende gevallen wel eens wat uitdelen, al mag dat niet in de krant, 'want dan komen ze hier allemaal hun hand ophouden'. Na lang aandringen komt Zuidgeest toch met een naam van een pastor die wèl openlijk kiest voor directe hulp. “Maar pas op hè, hij gaat daarmee in tegen het standpunt van de katholieke kerk. Bedeling is genant, daar moeten wij niet aan meedoen.” Wie in pastor Franck Ploum echter de ouderwetse armenzalver vermoedde, heeft het mis. Aan zwervers geeft hij sowieso nooit, want mensen die aan de deur komen zijn meestal niet de werkelijke behoeftigen, is zijn ervaring. Hij is een bevlogen jonge pastor in de Bredase nieuwbouwwijk de Haagsche Beemden, afgestudeerd op een scriptie over armoede in Nederland en vol idealen over de rol van de diaconie, “die zich zal moeten solidariseren en de zondige structuren die leiden tot armoede zal moeten aanklagen”. Dat houdt in dat hij zelf op zoek gaat naar de armen.

Op een druilerige morgen vlak voor Kerst loopt hij door het verwilderde voortuintje van Maurice en José. De lamellen worden vaneen geschoven en de zevenjarige dochter Claudia zwaait opgewekt dat het bezoek vooral moet binnenkomen. Ze draagt de schoentjes die de pastor enkele maanden geleden voor haar kocht, want dat was de aanleiding voor het eerste contact. Toen de eerste herfstbuien losbraken had ze alleen sandalen en kwam ze elke dag met natte voeten thuis. Maurice had nog werk als chauffeur, maar opeens werden alle toeslagen afgeschaft en geld voor nieuwe schoenen was er niet. De situatie is alleen maar verslechterd. Maurice verloor zijn baan. Nu moet het gezin met twee kinderen rondkomen van 1700 gulden, terwijl hun huis 800 gulden kost en huursubsidie nog wel een half jaar op zich laat wachten. De rekeningen stapelen zich op, de deurwaarder is al langs geweest en ze dreigen uit het ziekenfonds te worden gegooid.

De kinderen tonen trots hun Sinterklaascadeautjes: allemaal van familie gekregen, haast José zich te zeggen. De kerstboomlampjes branden genoeglijk. De ballen en lichtjes hadden ze al en de boom was een koopje, vertelt ze erbij. José maakt de indruk dat ze elk moment in huilen kan uitbarsten. Maurice doet wat onverschilliger, maar allebei schamen ze zich rot. “We kopen bijna niets meer, alleen eten en soms ondergoed, want dat vind ik vies van een ander,” zegt zij.

Toen het probleem van de schoentjes zich voordeed, raadde José's moeder hen aan om hulp te vragen bij hun eigen parochie. Eerst wilden ze niet. “We dachten: we komen nooit in de kerk, waarom zouden zullie mij dan helpen? Maar ons moeder vertelde dat bij haar parochie zelfs alcoholisten aanklopten en die kregen ook wat, dus toen hebben we het toch gedaan.” Maurice kijkt naar pastor Ploum: “Het geloof heb ik wel, maar meer thuis dan dat ik me in de kerk kan uiten.” Ploum lijkt wat in verlegenheid gebracht en wordt opeens zakelijk: “Als jullie nu vanmiddag die ziekenfondspapieren voor de dag halen, dan kom ik nog even langs en zullen we zien wat we kunnen doen.” Een zucht van verlichting gaat door het vertrek.

Eigen buurt

Veel instellingen waren hun rol als directe hulpverleners al bijna ontgroeid. Na de aanvaarding van de Algemene Bijstandswet in 1965, en zeker in de jaren zeventig toen de overheid praktisch alle sociale opvang naar zich toetrok, dachten velen dat liefdadigheid tot het verleden behoorde. De charitatieve wereld verlegde haar werkterrein naar het buitenland. De kindertjes in Afrika waren tenslotte werkelijk in nood. Schoorvoetend gaan veel instellingen nu weer terug naar hun wortels: directe hulp aan landgenoten. Deels omdat Afrika toch niet zo snel beter wordt als de goede gevers hadden gedacht, deels omdat de Nederlandse armen steeds meer een beroep op hen doen.

Bovendien geeft de gemiddelde Nederlander tegenwoordig liever aan binnenlandse doelen dan aan buitenlandse, bleek uit het jaarlijkse onderzoek van marktonderzoekbureau Mediad van Jan Lasker. Begin deze maand presenteerde hij de nieuwste trend: 'eigen buurt eerst'. Aangezien 94,5 procent van alle Nederlanders geeft aan goede doelen, en wel zo'n twee miljard per jaar, staat de eigen buurt dus goede tijden te wachten. Al geven de meesten wel liever aan het plaatselijke ziekenhuis, waaarvan ze zich kunnen voorstellen het zelf nog eens nodig te hebben. Goed doen in eigen land plaatst veel weldoeners echter voor een probleem. Hulp aan je buren mondt - gewild of ongewild - uit in een ontmoeting. Daar moet je maar net zin in hebben, op je vrije zondag.

De dames van de Sociale Commissie van The Ancient Order of Foresters doen het graag. “Je leert een hoop hoor, als je zo langs de weg zit,” zegt mevrouw Wertheimer. “Je gaat waarderen wat je hebt.” De Foresters is een fonds dat aan het eind van de vorige eeuw uit Engeland kwam overwaaien. Het was een onderlinge levensverzekering voor leden, dat ook steun aan minder draagkrachtigen verleende. De laatste jaren leeft de vraag op. Het is alleen jammer dat het fonds zo vergrijst: zeventig procent van de ongeveer vierhonderd leden is boven de 65. De jaarlijkse vrolijke avond heeft dan ook het karakter van een bejaardensoos, met bingo, zoutarme zalmslaatjes en een quiz.

Tussen de bedrijven door vertellen de dames van de Sociale Commissie over hun werk. Via het maatschappelijk werk of andere hulpinstellingen krijgen zij adressen van mensen die krap zitten. Sommigen zijn al jarenlang niet op vakantie geweest en krijgen een verblijf in een Nederlands hotel of bungalowpark aangeboden. Anderen krijgen een Sinterklaaspakket of geld om hun wasmachine te laten repareren. “We hebben ook wel eens televisies gegeven, aan mensen die moeilijk ter been zijn. Maar die blijven wel ons eigendom, want anders verkopen ze die misschien weer door,” zegt mevrouw Plotske.

Stelregel is dat de dames van de Sociale Commissie bij de hulpvragers gaan kijken, voor er tot uitkering wordt overgegaan. “Het maatschappelijk werk doet daar soms moeilijk over, maar als je geeft heb je toch het recht om te kijken aan wie? En als ze niet met ons willen praten, zijn ze waarschijnlijk toch wat a-sociaal en kun je ze bijvoorbeeld niet op vakantie sturen in een normaal hotel.” Soms trekken hulpvragers zelfs hun hulpvraag in, uit angst voor het bezoek, maar vaker nog komt het tot 'hartverwarmende ontmoetingen,' vertelt mevrouw Wertheimer. “Weet je nog, Klaar, dat gezinnetje uit Noord, hoe dankbaar die waren? Ze waren eigenlijk gescheiden, maar wilden toch graag met de kinderen op vakantie. Eerst hadden we geen grote bungalow en die man bood al aan dat hij dan wel op de kamer van zijn dochtertje kon slapen, maar dat deden we natuurlijk niet, want straks gebeurt er nog wat geks tusssen die twee. Ja, je moet overal aan denken! Tenslotte vonden we toch een geschikte bungalow en na de vakantie is vader weer bij zijn vrouw en kinderen gaan wonen. Is dat niet prachtig?”

Ze willen echter niet verhelen dat ze het ook wel eens moeilijk hebben. “Sommige mensen nemen het Sinterklaaspakket aan op de trap en je voelt dat ze hopen dat je zo snel mogelijk weer opdondert,” zegt mevrouw Hartog. “Dat respecteren we dan ook.” Bovendien dringt zich wel eens het beeld op van de bodemloze put. “Soms kom je in een huis waar een blind paard nog geen schade zou aanrichten, maar dan staan daar wel rijen CD's en video's,” zegt mevrouw Vaal. “Zolang die mensen niet beter met hun geld omgaan, zullen ze altijd in de ellende blijven. Of die hele dikke vrouw - daar hebben we allebei nachtmerries van gehad, herinner je je nog? Nog maar twee tanden in haar mond, in een rolstoel, en dan wel twee debiele kinderen, want dat fokt maar door. Als je dat allemaal ziet, dat is wel eens zwaar hoor.”

Smalende reacties

Het particulier initiatief op de stoel van de overheid - de gedachte wordt hoe langer hoe minder vreemd. Tot voor kort waren het vooral conservatieve politici die openlijk durfden te praten over 'de zorgzame samenleving'. Toen CDA-Kamerlid G. Terpstra in 1989 pleitte voor een armoedepotje, waarin kerken en bedrijven geld zouden storten, kreeg hij smalende reacties. Intussen beschikken de meeste grotere gemeentes al over dergelijke potjes, beheerd door de gemeente maar gevoed door kerken en particuliere fondsen. De meeste van die fondsen zijn of net opgericht, of na een lange rustperiode weer tot leven gewekt. Zo dateert de Stichting Samenwerking voor Bijzondere Noden Amsterdam uit 1936, maar was ze eind jaren zeventig bijna opgedoekt. Toen trokken de aanvragen opeens weer aan: de afgelopen tien jaar was er sprake van een verviervoudiging. De stichting krijgt de benodigde gelden, bijna een miljoen per jaar, van kerken en fondsen, zoals de Foresters of het Kerstfonds van lezers van NRC Handelsblad.

Dit is misschien nog het opvallendste verschil tussen de armenzorg van vroeger en de moderne charitas: de vervlechting van particuliere en overheidsbemoeienis. Sociale diensten sturen hun cliënten door naar particuliere fondsen. Maatschappelijk werkers vragen fondsen regelmatig om uitkeringen voor hun klanten. Particuliere fondsen eisen meestal dat aanvragen worden ingediend via een overheidsinstantie.

Maar hebben kerken en fondsen wel genoeg geld om alle noden te ledigen? Geen mens die het weet. Neem de katholieke charitas. Er zijn Vincentiusverenigingen, parochiale potjes en allerhande particuliere fondsen. Bij Vincentius kan men met moeite uitrekenen dat de honderdvijftig afdelingen samen zo'n twee miljoen gulden aan Nederlandse doelen schenken. Daarnaast hebben ze nog een klein potje voor hulp aan de Derde Wereld of Oost-Europa. Vijftien jaar geleden was dat omgekeerd: toen ging bijna al het geld naar het buitenland. Bij de afzonderlijke parochies hangt het budget af van collectes, het bedelen bij andere clubs en vooral de leeftijd van de parochie; hoe nieuwer hoe armer. Pastor Franck Ploum in zijn Bredase nieuwbouwwijk beschikt over slechts enkele duizenden guldens per jaar, terwijl sommige oudere kerken het tien- of twintigvoudige kunnen uitgeven.

Over de geldkluizen van de particuliere fondsen doen de wildste verhalen de ronde. Dat komt vooral omdat niemand weet hoeveel fondsen er zijn, zelfs niet dhr. B. van Marken, vice-voorzitter van de Vereniging van Fondsen in Nederland (FIN) en tevens directeur van Mees Pierson in Den Haag. In de statige ontvangstzaal van die bank heft hij zijn handen ten hemel: “Geen idee. Onze vereniging heeft honderdtwintig leden, dat is alles wat ik weet.”

De aangesloten fondsen staan voor het grootste deel in het Fondsenboek; nu in zijn vijfde jaargang en onverkort populair bij armlastige personen en instellingen. Een gemiddeld subsidie-budget is niet te geven. Lang niet alle fondsen maken hun rijkdom openbaar en voor zover ze dat wel doen loopt het uiteen van duizenden tot miljoenen guldens.

Bovendien zijn er veel meer fondsen dan leden van de FIN, weet Van Marken; alleen al in Gelderland zijn er zevenhonderdvijfentachtig. Dat weet hij zo nauwkeurig, omdat de vereniging díe provincie enkele jaren geleden had uitgezocht voor een onderzoek naar slapende fondsen. Dat zijn fondsen die niet of nauwelijks nog geld uitkeren, bijvoorbeeld omdat het bestuur is overleden of de doelstelling is verouderd. Een hardnekkige fabel wil dat in Rotterdam nog ergens een vereniging bestaat voor het Vrijkopen van Christenslaven. Miljarden zouden aldus liggen te beschimmelen in de fondskassen. Van Marken denkt dat het wel meevalt: “In Gelderland hebben we in ieder geval geen slapende fondsen kunnen vinden. Maar ik geef toe, in de Randstad is het leven een stuk anoniemer en zou het wel eens anders kunnen zijn.”

Tim Joosse, directeur van het Amsterdamse Maatschappelijk Werk, en zijn collega Johan van Donk van Stichting Samenwerking Bijzondere Noden in Amsterdam hadden tien jaar geleden in ieder geval de nodige slapende fondsen opgespoord. “We hoopten dat ze genegen zouden zijn enkele van onze cliënten te helpen. Maar jammer genoeg stuitten we op echte regenten, die liever op hun geld blijven zitten dan het uit te geven aan iets, waarvan zij zich in hun wereldvreemdheid niet kunnen voorstellen dat het bestaat. En daarbij is het niet eens hun geld, ze beheren het alleen,” vertelt Joosse. Van Marken relativeert: “Zolang er nog aanvragen binnenkomen die voldoen aan de oorspronkelijke doelstellingen, is een fondsbestuur niet gerechtigd om daarvan af te wijken. Het vermogen van fondsen komt vaak uit legaten, en de laatste wil van de gestorvene moet uiteraard worden gerespecteerd. Daarin zijn de meeste besturen echter redelijk liberaal, voor zover ik weet. Een fonds voor TBC-patiënten keert tegenwoordig echt wel uit aan lijders aan andere ziektes.”

De Vereniging van Fondsen in Nederland werd in 1988 opgericht, omdat ook de fondsen niet meer wisten wat ze aanmoesten met de snelle stijging van hulpvragen. Van Marken: “Het particulier initiatief moet een heleboel opvangen en dat is geen eenvoudige taak. Zo worden bijvoorbeeld de particuliere studiefondsen sinds een jaar of vijf overstroomd met aanvragen, omdat de overheid veel minder studiebeurzen verstrekt. Via onze vereniging komen de fondsen met elkaar in contact en kunnen zij bijvoorbeeld besluiten om er bij de ontvangers op aan te dringen een deel van het geld na hun afstuderen terug te betalen. Nee, afdwingen kunnen ze natuurlijk niets; onverplicht geven is juist het kenmerk van particuliere fondsen.”

Vernederend

“Wij hadden op een gegeven moment de Pius Almanak op de kop getikt. Daar hebben we mee gelachen hoor. We waren met een stuk of twintig vriendinnen, allemaal bijstandsmoeders, en we verdeelden al die ordes onder elkaar. Bij de nonnetjes kon je best wat loskrijgen.” Een stille arme is Jeanne van den Heuvel nooit geweest. Ze vond dat ze zich niet hoefde te schamen dat ze niet rond kon komen van haar bijstandsuitkering en zocht andere vrouwen op die in dezelfde situatie zaten. Ze stimuleerden elkaar liefdadige instellingen te benaderen en hadden lol als het lukte - of ze troostten elkaar als het weer eens heel erg was geweest. Want al waren ze fiere bijstandsmoeders, vernederend was het wel. “Vooral als iemand per se op huisbezoek wilde komen. Meestal waren het vrouwen, en hoe aardig ze ook waren, ik voelde me er vreselijk onder. Ik was altijd bang dat ik iets verkeerds zou zeggen, of zelfs de verkeerde jurk had aangetrokken. Dan gaat zo iemand weg en moet je maar afwachten - terwijl de rekeningen blijven binnenkomen en je echt niet weet of de deurwaarder misschien al in aantocht is. Eén keer duurde het heel lang en heb ik al mijn moed bij elkaar geraapt en zelf gebeld. Ik kreeg de mevrouw aan de lijn die bij me op bezoek was geweest. Opgewekt zei ze dat het in orde was: ik zou wat krijgen. Verder niets, dus toen moest ik mezelf nog eens oppeppen om te durven vragen hoeveel het was. Met een stralende stem zei ze dat dat nog even een verrassing moest blijven. Ik kon wel door de grond gaan. Ik wilde helemaal geen verrassing, ik wilde weten of ik mijn huur zou kunnen betalen.”

Ondertussen is Jeanne van den Heuvel er bovenop: ze heeft een betaalde baan als coördinator van EVA, een organisatie van vrouwen met een minimum uitkering. Nu vraagt ze nog wel eens charitatieve gelden aan, maar dan voor andere vrouwen. “Je kunt wel zeggen dat liefdadigheid politiek gezien onjuist is, en dat zeggen wij ook, maar voor veel mensen is het de laatste strohalm.” Zij is voor de vrouwen die ze nu helpt dus de liefdadige mevrouw geworden? Haar afkeer is bijna tastbaar: “God, dat hoop ik niet zeg. Gelukkig heb ik dat nooit gemerkt, terwijl ik daar toch een antenne voor moet hebben. Alles wat maar zweemt naar onderdanigheid herken ik onmiddellijk, omdat ik die rol zelf zo lang heb moeten spelen.”