Levensschetsen van de normale mens

In het genre van de biografie werd er in 1995 in Nederland druk geoogst.

In de etalage van de boekhandel valt de verschijning op van twee levensverhalen van schrijvers. Reinold Vugs schreef over F. Bordewijk, Wim Hazeu publiceerde zijn bekroonde studie over Slauerhoff. En wanneer men J.A. Alberdingk Thijm een literator wil noemen, behoort het boek van Michel van der Plas ook tot deze categorie. Er is een biografie verschenen van de na-oorlogse katholieke politicus Louis Beel, van de hand van Lambert Giebels. Willem Otterspeer schreef over de Leidse filosoof rond de eeuwwisseling, de flamboyante Bolland. Willem Frijhoff publiceerde zijn exemplarische studie over het 17de-eeuwse weeskind Evert Willemsz. De opsomming is niet volledig.

De biografie is als specialiteit geformaliseerd; er is een Biografie-Bulletin, waarin het genre van alle denkbare vakmatige kanten wordt belicht, en er bestaat een Dordtse biografie-prijs voor het beste voorbeeld in een bepaald tijdvak. Dit jaar viel de keuze na enig wikken en wegen op Hazeus Slauerhoff-studie. Naast de volumineuze boekwerken bloeit ook het miniatuur in de galerij van portretten, die als lexicon van levensverhalen wordt gepresenteerd. En naast het Biografisch Woordenboek van Nederland, dat inmiddels tot het vierde deel is gevorderd en dat de ambitie heeft van een standaardwerk, verscheen er eind dit jaar het zesde deel van het Biografisch Woordenboek van het Socialisme en de Arbeidersbeweging in Nederland. Bovendien kwamen er van deze soort provinciale (bij voorbeeld Drentse) of lokale (bij voorbeeld Utrechtse) versies uit.

In het genre van de biografie wordt er ook doelbewust gezaaid. Het Prins Bernhard Fonds heeft geld gereserveerd voor de aanmaak van tien biografieën van Nederlanders uit de 19de en 20ste eeuw, die volgens de criteria van evenredigheid ten aanzien van sekse, beroepsgroep en herkomst zijn gekozen en waarvan de schrijfopdrachten al evenzeer volgens de normen van redelijkheid en proportie zijn toegewezen. De eerste uitgaven moeten in 1996 verschijnen. De Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderoek (NWO) heeft op haar beurt gelden vrijgemaakt voor een aantal studies van leven en werken van vooraanstaande Nederlandse geleerden uit diezelfde periode.

Uniek tenslotte was het feit, dat de bezige biograaf in 1995 de moeite waard bevonden wordt om aan den volke te worden getoond. Dat overkwam de Leidse historicus C. Fasseur, die zich voorbereidt op een studie over koningin Wilhelmina en als eerste toegang heeft tot de collecties van het Koninklijk Huisarchief. De televisie was erbij om hem al schrijvende te betrappen.

Binnenhuis-beschaving

Ooit was er in Nederland in dit genre een tekort; althans, dat werd een halve eeuw geleden zonder tegenspraak beweerd. Maar het was ook “gemakkelijker vastgesteld dan de oorzaken ervan blootgelegd,” stelde de historicus Jan Romein vast in zijn in 1946 verschenen studie over De Biografie. Hij kon het weten want hij schreef samen met zijn vrouw de befaamd geworden portrettengalerij van De Erflaters en daarvoor zocht hij dikwijls tevergeefs naar bestaande biografieën. Romein deed toch een poging tot verklaring en verzamelde enkele argumenten. Een ervan luidde: de Noord-Nederlandse beschaving is een binnenhuis-beschaving.

Het Nederlandse volk “kent noch het openbaar festijn noch het openbaar hulde-betoon noch de plechtige begrafenis van zijn helden, waar tienduizenden zich verdringen om getuige te zijn; bijgevolg kent het zijn helden niet en heeft dus ook geen behoefte er steeds weer en steeds meer van te horen.” Dit argument vindt zijn parallel in een andere constatering, dat namelijk in de Nederlandse cultuur puriteinse soberheid betracht werd ten aanzien van de standbeelden. Ze zijn er wel, maar de overheersende trek van al deze gebeeldhouwde helden is bedachtzaamheid in plaats van heroïek. Een ander argument was, dat de Nederlandse cultuur in haar oorsprong en nabloei een 'regentencultuur' was, een tot stijl versoberde en beheerste burgerlijkheid, die behoefte schiep aan een kunstmatige distantie tot het gewone volk, omdat de werkelijke zo klein was. Het primaat van de doelbewuste deftigheid moest de ware passies en gebreken verhullen, de persoonlijkheid verbergen. Werden de Nederlandse regenten door deftigheid weerhouden hun ware gevoelens ten toon te spreiden, de 'normale Nederlandse mens' werd getekend door een behoefte aan gewoondoen. Hij was “zo in zijn bodem geworteld en met zijn water verbonden, dat hij instinctief alles schijnt af te weren, dat zich ver boven die bodem, dat water verheft”. Deze argumentatie lijkt evident, indien men aanneemt, dat een puriteinse cultuur een hindernis is voor heiligverklaring of heroïsering en deze de exclusieve drijfveren zijn tot een biografische onderneming. Die behoefte is evenwel niet enkel cultureel bepaald, maar kan haar oorsprong ook vinden in sociale sturing. Er zijn - bij wijze van voorbeeld - twee andere ontwikkelingen aan te wijzen, waarin het levensverhaal als genre een typerende uiting is geworden: de bloei van een vaderlandse geschiedenis in de tweede helft van de negentiende eeuw en de historische literatuur, die is voortgekomen uit de culturele en sociale emancipatie van bepaalde volksgroepen.

Vaderlands besef

Het proces van natievorming, zo typerend voor de decennia rond de eeuwisseling, bracht niet alleen standbeelden voort van voorbeeldige Oranjes, kunstenaars en zeehelden maar ook hun levensverhalen. Leidse hoogleraren in de vaderlandse geschiedenis zoals P.J. Blok en H.T. Colenbrander beoefenden dat genre in de overtuiging van een noodzaak aan verbreiding van vaderlands besef in een historische bibliotheek. De politieke mobilisering van de confessionele volksgroepen en van de moderne arbeidersbeweging schiep een behoefte aan levensberichten over de respectieve voormannen (zelden voorvrouwen). Van Kuyper, Colijn, Schaepman en de vroege socialisten zijn deze al snel beschikbaar.

Zulke biografieën zijn dikwijls vol respect en uit methodisch oogpunt onbeholpen geschreven. Maar zo uitgestorven is die behoefte niet. De redactie van het Jaarboek voor het Democratisch Socialisme vierde haar 15-jarig bestaan met een galerij van portretten van socialistische voormannen. En Michel van der Plas is bezig de 'helden' van zijn roomse jeugd te portretteren; de dichter-priester Guido Gezelle, J.A. Alberdingk Thijm en in de toekomst de letterkundige Antoon van Duinkerken.

De huidige bloei van levensverhalen vertoont over het algemeen niet de sporen van een maatschappelijke voorbeeldigheid. De natuurlijke vereenzelviging van de biograaf met zijn of haar hoofdpersoon blijft bovendien binnen de grenzen van wat noodzakelijk is om het onderzoek op gang te houden. De moderne biografie, waarvan Romein het begin dateert in de generatie die de Eerste Wereldoorlog als jongeren beleefde, kent een psychologische verklaringswijze; heroïsering heeft er plaats gemaakt voor introspectie. Haar methodische eisen zijn hoger gesteld, ook ten opzichte van het bronnenmateriaal. Daarom betreedt de moderne biograaf de archieven om er vervolgens in te verdrinken ofwel eruit terug te keren met volumineuze resultaten. Bovendien zijn de grenzen tussen literaire voorstelling en wetenschap, die Romein al te denken gaven, doorwaadbaar geworden. Daarom kan ook een organisatie als NWO haar bloei bevorderen.

Vaste puriteinse tradities zijn klaarblijkelijk niet meer een belemmering voor het genre van de biografie. Integendeel, ze zijn de professionele norm van de moderne biograaf: een van voorbeeldigheid gezuiverde ontleedkunde.