Joris Ivens (1898-1989); Cineast met oogkleppen

HANS SCHOOTS: Gevaarlijk leven. Een biografie van Joris Ivens

560 blz., geïll., Jan Mets 1995, ƒ 65,50

Joris Ivens (1898-1989), pionier van de documentaire filmkunst, was in de twintigste eeuw mogelijk de meest bereisde, maar zonder twijfel internationaal een van de bekendste landgenoten. De biografie die Hans Schoots onder de titel Gevaarlijk leven aan hem wijdde, berust op zeer degelijke research, die jammer genoeg niet kon worden uitgebreid tot dossiers van de KGB in Moskou en van de Stasi in Berlijn. Het onderzoek heeft in ieder geval onomstotelijk aan het licht gebracht dat de mythe als zou Ivens een integer idealist en een in ons land gedwarsboomd en miskend communistisch kunstenaar zou zijn, niet strookt met de feiten.

Schoots is zijn studie begonnen vanuit een zekere bewondering en sympathie voor de filmer; het heeft er allerminst toe geleid dat hij iets verbloemt, al schrijft hij Ivens in een vriendelijk vocabulaire steevast wel 'vergeten' en 'verdringen' toe, waar ook van leugen en bedrog zou kunnen worden gesproken. De cineast krijgt daardoor alle voordeel van de twijfel. Het maakt Schoots' beeld des te overtuigender. Ivens groeide op in de beschutting van een gezien en maatschappelijk actief, katholiek gezin in Nijmegen en bleef tot ver in zijn pubertijd een trouw kerkganger. Zijn wereldbeeld begon te kantelen nadat hij als student kennis had gemaakt met het roerige Berlijn van kort na de Eerste Wereldoorlog. In 1924 werd hij, de richtlijnen van thuis volgend, hoofd van de technische afdeling van het familiebedrijf, een fotohandel, in Nijmegen en filiaalchef van Capi-Lux in de Kalverstraat in Amsterdam (vernoemd naar Joris' vader C.A.P. Ivens). Daar raakte hij verzeild in het kunstenaarsmilieu rond het Leidseplein, een kring die gegrepen was door de mogelijkheden van het nieuwe medium film en vol bewondering keek naar de avant-garde van cineasten die zich toen in de jonge Sovjet-Unie nog vrijelijk kon manifesteren.

Met zijn technische kennis behoorde Ivens weldra tot de vaste kern van de groep, en gaandeweg nam zijn afkeer van het werk in het familiebedrijf toe. Bovendien raakte hij eind jaren twintig bevriend met kunstenaars die tot de CPN behoorden. Schoots toont aan dat Ivens van 1931 tot 1936 partijlid was en zich steeds meer verbonden ging voelen met de Communistische Internationale. De biograaf vat de keuze die Ivens maakte scherp samen: “een toekomst van verveling lag in het verschiet ... een leven aan de zijde van het proletariaat beloofde naast offers veel opwinding en avontuur.”

Ivens liet Nederland achter zich, vertrok naar Moskou en werd propagandist van de wereldrevolutie. Lang verbleef hij niet in de Sovjet-Unie. Hij werkte in de jaren dertig en veertig de langste tijd in en vanuit de Verenigde Staten, waar hij in Hollywood als 'glamour-boy van de revolutie' werd gezien. Bijna al zijn filmplannen kwamen tot stand in overleg met functionarissen van de Comintern, ook nadat de Internationale in 1943 officieel ontbonden was. In feite bleef ze min of meer voortbestaan in een aantal old-boys-netwerken, onder andere in Oost-Berlijn, waar Ivens in de jaren vijftig documentaires voor het DDR-bewind maakte. De Poolse dichteres met wie Ivens tien jaar getrouwd was, bleef hem overigens beschouwen als een 'free lance communist'. Ivens zelf zei: “Sommige communisten zeggen altruïstisch: 'Ik werk opdat mijn kinderen gelukkig zullen zijn, voor een mooie toekomst.' Maar ik heb gewerkt om zelf gelukkig te zijn, voor onmiddellijke resultaten.”

Noodzakelijk kwaad

In de Sovjet-Unie was hij midden jaren dertig geconfronteerd met Stalins aanpak van de klassenstrijd: de liquidatie van miljoenen zelfstandige boeren. Ivens verdedigde de massale deportaties naar Siberië en de gedwongen industrialisatie van die weinig opbeurende regio als een 'noodzakelijk kwaad' met het oog op 'de generale lijn'. Voor zijn film over de opbouw van dit 'socialisme' maakte hij zelfs opnamen in een project waar tienduizenden van deze ongelukkige gevangenen werden ingezet. Ivens spendeerde weinig tranen aan hen. “Ik vervloekte ze ook wel eens, zoals je onkruid in een tuin vervloekt,” erkende hij. Over de rampgebieden die als gevolg van Stalins politiek werden geteisterd door hongersnood, monteerde hij onbekommerd 'documentaires' waarin mensen zich baadden in een overdaad aan voedsel.

In de Verenigde Staten kreeg Ivens waardering van velen toen hij de Republikeinse zaak in de Spaanse burgeroorlog steunde met zijn film The Spanish Earth. Hij kreeg het er moeilijk in de periode 1939-1941, maar niet vanwege zijn communistische sympathieën. In kringen van politiek actieve kunstenaars en intellectuelen begon men hem vanwege zijn steun aan het Stalin-Hitler-pact te zien als een verrader van de antifascistische zaak. Dat gold zeker toen hij zelfs in mei 1940, nadat Duitse troepen Nederland hadden bezet, geen vinger uitstak. Pas toen de Wehrmacht de Sovjet-Unie binnenviel en hem gevraagd werd in de VS een propagandafilm te maken voor Amerikaanse hulp aan de Russen, kwam Ivens weer in beweging.

In Gevaarlijk leven is te lezen hoe de filmer in deze tijd overwoog Amerikaan te worden, en een brief aan de FBI stuurde waarin hij steun bood “wanneer er maar behoefte aan is”. Uiteindelijk besloot Ivens zijn flirt met Amerika niet door te zetten toen het Nederlands-Indisch gouvernement hem in 1944 een baan als Film Commissioner aanbood. Omdat hij najaar 1945 de zijde van de opstandige Republiek koos, zich niet aan de Indonesië-politiek van de regering hield en een propagandafilm maakte voor solidariteit met de Indonesische nationalisten, kwam het tot een conflict met Den Haag.

Grote denker

In 1952 maakte hij Freundschaft siegt met beelden van West-Berlijn vol obscene teksten, beursklanten met speknekken en bordelen voor Amerikanen, gemonteerd in scherp contrast met de “oneindige rijen van de gelukkige, vastberaden jeugd” van de DDR en “dertigduizend jongeren die eensgezind hun leider aanriepen 'Stalin-Stalin!”' Toen een jaar later Oostberlijnse arbeiders in opstand kwamen, noteerde Ivens, die bioscoopjournaals voor de DDR maakte: “Publiek is minder politiek ontwikkeld dan wij hadden gedacht. (...) Helaas hebben ook veel arbeiders het vereiste hoge bewustzijn niet opgebracht.”

Een paar jaar later keerde Ivens zich tegen 'de verslapping' van het ideaal van 'de nieuwe mens' door 'de revisionisten' die het in Moskou na de dood van Stalin voor het zeggen kregen. De ontmaskering van de dictator door de nieuwe Sovjet-leider Chroesjtsjov in 1956 verwierp Ivens als “conciërgekritiek ... absoluut belachelijk”. Hij sloot zich aan bij de culturele revolutie van 'de grote denker' Mao en diens 'Grote Sprongen Voorwaarts' die China in de jaren zestig en zeventig massale terreur, ontberingen en onvoorstelbare hongersnoden brachten. Ivens was getuige van dit drama, maar in de lange films die hij in deze tijd maakte, boog hij zonder morren voor de wensen van de Chinese leiders. Zijn documentaire Le peuple et ses fusils (1970), “een sterke, didactische politieke film” volgens Ivens, was doortrokken met citaten uit het Rode Boekje en stond geheel in het teken van Mao's adagium “De haat aanwakkeren om hem om te vormen tot een ontembare kracht”.

Na een ontmoeting met Ho Tsji Minh maakte Ivens ook een film in Vietnam, maar hij bleef bovenal aanhanger van de Chinese visie op de wereldrevolutie. Toen het Vietnamese leger na de beëindiging van de oorlog met de Amerikanen de grens met Cambodja overtrok om er een einde te maken aan de massamoord onder Pol Pot, en vervolgens Chinese troepen de noordgrens van Vietnam schonden, veroordeelde hij de stap van Hanoi en juichte het optreden van China toe.

Schoots laat zien dat Ivens sinds zijn vertrek uit Nederland leugenachtige verhalen verbreidde over de tegenwerking en de miskenning die hij in zijn vaderland ondervond vanwege zijn politieke keuzes. Veelal blijkt het tegendeel waar. Meer dan wat gedoe over de verlenging van zijn paspoort valt niet te melden: hij kreeg die verlengingen gedurende een kleine tien jaar niet met de gebruikelijke termijn maar moest zich daarvoor elke drie maanden weer op een of andere ambassade melden. Er zijn communisten die heel wat meer reishinder van de Nederlandse overheid ondervonden.

Ivens had pas weer een goed woord voor Nederland over, nadat zijn ijdelheid met uitzonderlijke eerbewijzen was gestreeld. Het toppunt was een besluit van het kabinet-Lubbers om minister Brinkman van WVC te machtigen zich op de blote knieën naar Parijs te begeven en de filmer met een vooraf aan Ivens zelf ter goedkeuring voorgelegde rede om een verzoenende handdruk te smeken.

Afgezien van de zwakheden in zijn persoonlijkheid blijft de vraag natuurlijk of zijn bewonderaars in Ivens met reden een groot filmkunstenaar zien. Bij de beantwoording van die vraag dient verdisconteerd dat Ivens zelf de films waarmee hij als onafhankelijk cineast in ons land naam had gemaakt later afwees vanwege “een sentimentele, burgerlijk humanistische inslag”.

Schoots komt uiteindelijk tot de conclusie dat de filmer weinig met zijn talent kon beginnen als het niet in dienst stond van “een opdracht, een omschreven doelstelling, politiek of anderszins”.