Hoogmoed komt voor de val

AMSTERDAM, 30 DEC. Pas op 15 april 1972 bezocht ik mijn eerste uitwedstrijd buiten Amsterdam. Thuis eerst een warme hap van mijn moeder naar binnen gepropt, tot verholen ergernis van mijn vader voor wie voetbal na Pietje Punt en Keesje Mijnderts bij DFC niet meer bestond, vervolgens met een gewone trein naar Rotterdam-Stadion.

Ze waren nerveus, het tribunemaatje van vak-P dat bij Het Financieele Dagblad werkte en de vijftienjarige middelbare scholier die ook aan de oostelijk zijde van de Amstel was geboren en getogen. Feyenoord-uit, dat kon niet goed gaan. In vak-X van de Kuip - het vak direct achter het doel dat later uit veiligheidsoverwegingen is afgeschaft - begonnen ze zich voor de wedstrijd al te verontschuldigen voor de komende nederlaag. Het zou liggen aan de stank in de Rijnmond die de Ajacieden op voorhand de adem zou benemen. Het zou te wijten zijn aan Piet Keizer die deze keer wellicht 90 minuten geen zin zou hebben - als Keizer 89 minuten geen trek had, was er, zoals bekend, niets aan de hand, dan was die ene minuut voldoende - en daarmee Ajax ten onder zou laten gaan. Of het zou op het conto zijn te schrijven van al die andere grote wedstrijden die nog in het verschiet lagen, zoals de wedstrijd tegen Benfica vier dagen later in Lissabon of de Europacupfinale tegen Internazionale Milaan in hetzelfde stadion.

Het pakte anders uit. Ajax won met 5-1. De aanvankelijke angst maakte onmiddellijk plaats voor overmoed. Dat nota bene Posthumus de 'eer' voor Feyenoord redde, verhoogde de feestvreugde alleen maar. Dat Nico Scheepmaker korte tijd later een van de vijf Ajax-goals - dat doelpunt waarbij Krol, Keizer én Cruijff waren betrokken - zou analyseren als de geslachtsdaad, complementeerde de roes.

Maar één discussie werd toen niet gevoerd: het gesprek over de vraag of Ajax echt onoverwinnelijk was. Dat gebeurt nu, bijna 25 jaar later, wel. En dat wijst op een nakende crisis.

Waarom was Ajax indertijd niet onoverwinnelijk? Omdat het 'Ajax-gevoel', dat momenteel veel wordt besproken en vooral wordt uitgebaat, traditioneel een emotie is waarin juist de nederlaag een essentiële rol speelt. De Ajax-liefhebbers van weleer gaan altijd uit van het verlies. Ze wentelen zich bij voorkeur in het gelijk van het spel, niet in het gelijk van de uitslag. Als Ajax met prachtig voetbal aan het kortste eind trekt, kunnen zij zich koesteren met de gedachte dat de wereld onrechtvaardig is en wordt er de hele zondagavond gezonnen op maatregelen om waarheid en werkelijkheid weer op één lijn te krijgen. Geen betere manier om de adepten van toen te grieven dan ze, bij een toevallige overwinning, het verwijt 'lucky Ajax' voor de voeten te werpen. Zeker, ze zullen het ontkennen en wijzen op van alles en nog wat dat moet aantonen dat het geluk is 'afgedwongen', maar heimelijk knaagt zo'n aantijging wel degelijk. De waarheid doet immers altijd pijn.

Vandaar dat deze Ajax-fans zich het niet makkelijk willen maken en zich dus niet overgeven aan heldenverering voor de onvermijdelijke leiders, zoals Cruijff en Van Basten. Hun sympathie gaat veeleer uit naar de dissidenten, kortom naar Keizer en Rijkaard. Daarom voelen zij zich ook nu niet aangesproken door het klassieke winnaarstype Kluivert. Finidi, die de nederlaag op voorhand weliswaar niet aanvaardt maar wel begrijpt, is in hun ogen veel wijzer en Davids veel ongeremder. Om die reden willen zij ook niet in de krant lezen dat Dave van den Bergh uit het tweede elftal nu 'helemaal klaar' is om de geblesseerde Marc Overmars te vervangen, en al zeker niet dat deze jeugdspeler op Keizer lijkt. Want zij weten hoe het met Sjoerd Ruiter, die 'opvolger' van Cruijff, begin jaren zeventig is afgelopen: geen één wedstrijd in het eerste! Aldus proberen zij de grens, die welhaast osmotische grens tussen overmoed en hoogmoed, te bewaken.

Het lijkt er op dat deze subtiliteiten anno 1995 parels voor de zwijnen zijn geworden. Het 'Ajax-gevoel' is door nieuwe generaties en nieuwe groepen geannexeerd. Door maatschappelijke strata die denken dat er geen verschil is tussen het het gemoed van 'You never walk alone' en het straffeloze 'We are the champions'. Door supporters die de winst van Ajax-1 op één lijnen wensen te stellen met hun eigen succes in zaken en daarom niet in staat zijn, al zouden ze willen, om in schoonheid te verliezen. Door fans die de werkelijke redenen voor mopperen en kankeren, voor zelfkritiek, niet kennen. Met andere woorden, door passanten die nu al een plaatsje in de Amsterdam Arena hebben gekocht, omdat geluk voor hen een recht is dat, in navolging van de Amerikaanse constitutie, ook hier in de grondwet zou moeten worden verankerd.

Als dit in 1996 zo door blijft gaan, als Ajax blijft winnen, ook als het niet zou mogen, dan gaat het fout, dan wordt Ajax een hele god. Moge de echte God verhoeden dat Ajax steeds maar blijft winnen, dat zelfs de spelers gaan geloven in de onsterfelijkheid. Want als de high times van de coffeeshop zich ook op het veld nestelen, is alles voorbij en moet vak-P naar iets anders gaan omkijken.

Het klassieke Ajax-gevoel was een uiting van een samenleving die nog iets te veroveren had, het moderne Ajax-gevoel is veel te blij en optimistisch om te kunnen beklijven in een maatschappij die kinky is uit verveling.