Het wantrouwen in de onzichtbare hand

Het communisme was nog niet ingestort of een nieuwe ideologie brak door. De staat was 'uit', de markt was 'in'. Inmiddels begint het onbegrensde vertrouwen in de onzichtbare hand van de markt af te brokkelen. Niet alleen in het Westen, ook daarbuiten.

AMSTERDAM, 30 DEC. En weg was de overtuiging. Het nieuwe mondiale model van nachtwakersstaat en vrije markt, in de jaren tachtig in de grondverf gezet en begin jaren negentig zorgvuldig afgelakt, begon in het afgelopen jaar langzaam af te bladderen. De stakingen in Frankrijk tegen de bezuinigingsplannen van het kabinet-Juppé, de verschuiving naar links van de Duitse sociaal-democraten, de record-aanhang van de Britse labour-leider Tony Blair en de ineens weer groeiende populariteit van president Clinton die zich verzet tegen de Republikeinse afbraak van de Amerikaanse zorgsector: de opkomst der twijfelaars heeft duidelijk gemaakt dat het pure markteconomisch denken als leidraad voor de inrichting van de maatschappij het afgelopen jaar zijn grenzen naderde.

Sinds de omslag naar het marktdenken verdedigen politici en ondernemers in het Westen hun beleid steeds met een verwijzing naar 'de markt'. Zo moest er, zelfs toen de economische groei sterk aantrok, opnieuw worden gesneden in het personeelsbestand van tal van grote ondernemingen, want de 'markt' eiste het. Over overheidsfinanciën is weinig ruimte voor discussie. De financiële markt straft een financieel beleid dat buiten het voorgeschreven keurslijf valt onmiddellijk af, zoals dit jaar bleek uit nieuwe golven van onrust op de valutamarkt. Als het de bedoeling was de man in de straat van de markt te leren houden als een bron van nieuwe mogelijkheden en welvaart, dan maakte 1995 duidelijk dat het publiek de markt juist dreigt te gaan vrezen als symbool voor afbraak en individuele onzekerheid.

In het Westen raakt de discussie over de verhouding tussen staat en markt op stoom. Gooien we met het afslanken van de staat niet het kind met het badwater weg, is de vrije markt wel zo onfeilbaar als ons al die tijd is voorgehouden, moeten nutsfuncties als energievoorziening of openbaar vervoer niet gewoon dichtbij de overheid blijven? De sociale politiek keert langzaam terug in het maatschappelijke debat.

Maar terwijl Europa naar de navel staart, is ook daarbuiten de discussie over het primaat van het neo-liberalisme in volle gang. Die is niet minder urgent. Nog geen twee decennia geleden leefde een derde van de wereldbevolking in een centraal geleide economie; nog eens een derde leefde in landen die min of meer economisch geïsoleerd waren door handels- en kapitaalbarrières van overheidswege. Tegen het jaar 2000 zal nog maar tien procent van de wereldbevolking in dergelijke landen leven. De resterende negentig procent heeft of krijgt hoe dan ook met de markt te maken. Maar welke markt?

De teloorgang van het communisme leidde niet alleen tot het in discrediet raken van staatsbemoeienis met de economie, maar sloeg door naar een vrijwel onbegrensd vertrouwen in de onzichtbare hand. Dat geloof in de vrije markt is door de econoom John Williamson van het gezaghebbende Institute of International Economics wel aangeduid als de Washington consensus. In Washington gevestigde instellingen als het Internationale Monetaire Fonds (IMF), de Wereldbank, de verschillende denktanks, en daarnaast ministers van financiën en bankiers uit de hele wereld die elkaar daar jaarlijks treffen, hebben collectief het marktgeloof tot conventionele wijsheid gemaakt.

Kerngedachte van de 'Washington consensus' is dat de vrije markt en gezond geld de sleutel vormen voor economische ontwikkeling. Kortom: liberaliseer de handel, privatiseer staatsbedrijven, breng de overheidsbegroting in evenwicht, koppel de wisselkoers aan een sterke valuta; en daarmee is dan de basis gelegd voor de economische take-off. De vraag was niet eens meer of de opkomende landen deze verwachtingen zouden vervullen, maar of de rijke industrielanden de nieuwe concurrentie wel aankonden en voordeel konden halen uit de kansen die de nieuwe groeilanden ongetwijfeld zouden bieden.

Nu slaat de twijfel toe, en niet alleen in het Westen. De verkiezingsoverwinning van de Russische neo-communisten deze maand kan misschien nog worden afgedaan als de uiting van een collectief heimwee naar de Staat van voorheen. Maar het door de 'Washington consensus' gedreven streven naar een volledige aansluiting bij de vrije wereldmarkt kreeg begin dit jaar een gevoelige klap, toen Mexico na een voorbeeldig proces van deregulering en liberalisering van handels- en kapitaalverkeer prompt het slachtoffer werd van een vertrouwenscrisis van het internationale kapitaal. Banken en beleggers, ironisch genoeg de kampioenen van de vrije markt, moesten van overheidswege (de Verenigde Staten, het Internationale Monetaire Fonds en de verzamelde centrale banken) ijlings worden gered met een hulppakket van niet minder dan 50 miljard dollar om Mexico aan zijn verplichtingen te kunnen laten voldoen. De meeste landen in Zuidoost Azië gaven geen krimp, maar vrijwel geheel Zuid-Amerika wankelde door de Mexicaanse crisis.

Dat gaf stof tot nadenken. Past de neo-liberale mal wel op de Derde Wereld en de opkomende industrielanden? Het afgelopen jaar bracht een aantal economen en instellingen nuances aan op het Washington-model. Een van de belangrijkste onder hen is de Amerikaanse econoom Paul Krugman. Hij stelde onlangs in het blad Foreign Affairs het onbegrensde vertrouwen in de vrije markt aan de kaak met de Mexicaanse peso-crisis als directe aanleiding. Krugman vergeleek de euforie over de markteconomie aan het begin van de jaren negentig met de speculatieve golven die door de eeuwen heen overal in de wereld tot 'luchtbel-economieën' hebben geleid. Van Amsterdamse tulpenspeculatie in de zeventiende eeuw tot het Mexico van 1995: er komt altijd een moment waarop de luchtbel knapt.

De vraag is of de 'Mexico-crisis' op zichzelf stond of representatief is voor andere opkomende landen. In alle euforie over de Mexicaanse emerging market was iedereen volgens Krugman vergeten dat de economische successen in Zuidoost Azië niet alleen zijn gebaseerd op meer markt, maar ook op goed overheidsbestuur, hoge spaarquoten en massale investeringen in infrastructuur, onderwijs en gezondheidszorg. Krugman heeft enig recht van spreken: hij waarschuwde al in 1993 tijdens een lezing in Mexico-stad voor het gevaar van een peso-crisis.

Krugman meent niet alleen dat de verwachtingen voor landen als Mexico veel te hoog waren opgeschroefd, hij sleutelt ook aan een ander deel van de neo-liberale receptuur. In zijn studie stelt hij dat de maatschappelijke kosten van handelsprotectie, voortvloeiend uit een niet optimaal gebruik van produktiemiddelen, in de praktijk kleiner blijken dan vaak wordt voorgegeven.

Pag.16: Inkomensverschillen zijn niet bevorderlijk voor de groei

Zo zijn de kosten van de matige Amerikaanse handelsprotectie minder dan een procent van het bruto binnenlands produkt (bbp). In zeer beschermde economieën, zoals veel ontwikkelingslanden, liggen de kosten hoger, maar komen ze toch zelden boven de 5 procent van het bruto binnenlands produkt uit. De voordelen van handelsliberalisering worden door Krugman niet bestreden. Maar de kampioenen van de vrijhandel hebben zich volgens hem overschreeuwd.

Deregulering, privatisering en vrijhandel blijven de noodzakelijke voorwaarden voor economisch succes. Maar niet de enige, zo meldde de Wereldbank dit najaar. Of landen van de mondiale, grenzeloze economie profiteren, blijkt in belangrijke mate af te hangen van hun eigen inspanningen.

Uit een Human Development Report, een Wereldbank-onderzoek naar 126 landen bleek niet de beschikbaarheid van natuurlijke hulpbronnen doorslaggevend voor de mate waarin industriële goederen worden geëxporteerd. De beschikbaarheid van geschoolde arbeid blijkt veel belangrijker te zijn. Een land kan dus zijn eigen comparatief voordeel creëren door verbetering van het onderwijs, en daar heeft de staat een sleutelfunctie.

Een studie begin dit jaar van de Britse Joseph Rowntree Foundation maakte intussen korte metten met het neo-liberale adagium dat grotere inkomensverschillen in volwassen industrielanden een hogere economische groei opleveren. De inkomensverschillen zijn bijvoorbeeld volgens het onderzoek in Groot-Brittannië dermate groot geworden dat ze de maatschappelijke samenhang bedreigen zonder dat ze nog enig economisch voordeel opleveren. In de nieuwe industrielanden is het juist de opkomst van de middenklasse, en zo het teruglopen van de verschillen tussen arm en rijk, die de economie van een krachtige basis voorziet voor zowel bestedingen als besparingen.

En dan zijn er de steeds populairder denkbeelden van de Amerikaanse econoom en Nobelprijswinnaar Douglass North, een vooral in Oost-Europa veel gevraagd adviseur van de Wereldbank. Om markten werkelijk efficiënt te maken is meer nodig dan het afbreken van barrières. Dat 'meer' duidt North aan als maatschappelijke 'transactiekosten', de kosten die moeten worden gemaakt om de markteconomie überhaupt te laten functioneren.

Er moeten materiële voorwaarden zijn vervuld zoals vanzelfsprekend de aanwezigheid van wegens en havens, maar ook ook immateriële als onderwijs, veiligheid en rechtszekerheid. North heeft de afgelopen jaren school gemaakt met de stelling dat het institutionele raamwerk - alle formele bepalingen (bv. eigendomsrechten) en informele beperkingen (gedragsnormen, gewoonten) die de randvoorwaarden voor het menselijk handelen vormen - doorslaggevend is voor een succesvolle economische ontwikkeling.

Dat institutionele raamwerk wordt voor een deel voorzien en onderhouden door de staat. Maar North raakt hiermee ook aan het concept van de civil society, zoals het inmiddels in het nieuwe, genuanceerder Wereldbank-denken is gaan heten: het spectrum aan maatschappelijke organisaties, van vakbond tot boerenorganisaties, heeft volgens de Wereldbank wel degelijk een rol te vervullen in een moderne markteconomie.

In 1970 maakten grensoverschrijdende transacties in goederen en diensten nog 25 procent van de wereldproduktie uit, in 1990 was dat al 45 procent. In dezelfde periode nam het aandeel van industriegoederen in de totale export van ontwikkelingslanden toe van 20 tot 60 procent. Ook de omvang van buitenlandse directe investeringen illustreert de toenemende vervlechting van nationale economieën. Volgens een recent VN-rapport zal het totaal aan dergelijke investeringen dit jaar uitkomen op 230 miljard dollar. Ter vergelijking: tien jaar geleden beliepen de directe buitenlandse investeringen nog geen 50 miljard dollar en twee jaar geleden ging het nog om 186 miljard dollar. Van deze laatste 186 miljard dollar ging 73 miljard naar ontwikkelingslanden. Opmerkelijk is verder dat tegenwoordig 15 procent van de directe buitenlandse investeringen uit ontwikkelingslanden komt.

Pas nu heeft het internationale handels- en kapitaalverkeer zich de vrijheid verworven die het na de Eerste Wereldoorlog verloor. Destijds speelden onder meer de verwaarlozing van de sociale factor en de harde consequenties van het heilige geloof in laissez-faire een belangrijke bijrol bij de ineenstorting van dat systeem. De huidige nuancering van de Washington-consensus, waarover dit jaar de discussie losbrak, kan zo'n terugslag voorkomen. Van de markt houden, in plaats van haar te vrezen, is ook buiten het Westen een voorwaarde voor een grotere welvaart.