Edward Hopper (1882-1967); Schilderen, bijten, slaan en krabben

GAIL LEVIN: Edward Hopper. An Intimate Biography

678 blz., geïll., Alfred A. Knopf 1995, ƒ 65,80

Het werk van de Amerikaanse schilder Edward Hopper (1882-1967) heeft bij zijn beschouwers tot toenemende diepzinnigheid geleid. Verlangen, vervreemding en desillusie waren zijn motieven, maar deze meester van het harde licht zou tegelijk de troost bieden dat wij niet alleen zijn in ons alleen-zijn. Als geen ander verbeeldde hij de verheven bekrompenheid van het alledaags Amerika, waar het altijd early sunday morning is.

Volgens Gail Levin, een vooraanstaand kenner van Hoppers oeuvre - waarvan zij onlangs een uitvoerige beredeneerde catalogus samenstelde - stoffeerde hij zijn Amerikaanse decor voornamelijk met scènes uit zijn veelbewogen huwelijk met de schilderes Josephine Nivison (Jo Hopper, 1883-1968). Levin noemt haar recent verschenen levensschets van de schiler een 'intieme biografie', en dat intiem heeft dan betrekking op de relatie tussen Jo en Edward. Hoppers wederhelft de erkenning te gunnen die haar tot heden door mannelijke historici is onthouden, lijkt Levins doel te zijn geweest. Ze schrijft tenminste dat het tijd wordt te beseffen dat Jo Hopper niet slechts een rol speelde als vrouw en model van haar echtgenoot, maar dat zij hem “als zijn intellectuele evenknie en als collega-schilder ook uitdaagde en stimuleerde”. Zonder Jo zou Hopper geen Hopper zijn geworden, althans niet de Hopper die wij menen te kennen.

In deze als biografie gepresenteerde huwelijkskroniek zijn we ongewild getuige van de vele twisten tussen beide echtelieden, waarbij onophoudelijk werd geschopt en geslagen, gebeten en gekrabd - van beide kanten. Een recensent van de New York Times kreeg het bij lezing zo te kwaad dat hij beweerde dat we voortaan niet meer naar Hoppers doeken kunnen kijken zonder te denken aan het leed dat hij Jo berokkende. Levin kiest in haar boek inderdaad onvoorwaardelijk partij voor Josephine Nivison, wat te begrijpen is omdat zij mevrouw Hoppers onuitgegeven, in het Whitney Museum berustende dagboeken als voornaamste bron gebruikt. Of het verstandig is deze therapeutische schrijfsels helemaal letterlijk te nemen, is een tweede.

Mevrouw Hoppers dagboeken vangen in juni 1933 aan - ze was toen bijna een decennium met Edward getrouwd. Waarom ze begon te schrijven is niet helemaal duidelijk, zegt Levin, maar waarschijnlijk had het te maken met een groeiend besef dat de eeuwigheid wenkte: in de herfst van dat jaar zou Hopper zijn eerste grote overzichtstentoonstelling krijgen in het Museum of Modern Art in New York. We zijn dan aanbeland op bladzijde 248 van de biografie, tot dan toe een tamelijk nuchtere levensbeschrijving. Maar bij nader inzien blijkt het eerste deel toch ook al in het teken van de latere oorlog tussen de Hoppers te staan. Levin noemt haar behandeling van Edwards jeugd niet zonder determinisme 'De wortels van het conflict'.

Montaigne

Hopper werd in de zomer van 1882 geboren in Nyack, een plaatsje aan de Hudson, zo'n zestig kilometer verwijderd van New York. Edwards vader, een winkelier in stoffen, las liever de essays van Montaigne dan zijn kasboek. Tegen zijn vrouw, haar morele stelligheden, en het sociaal prestige dat zij aan haar achtergrond ontleende, was hij niet opgewassen. Hoewel Edward strikte gedragsregels werden bijgebracht en hij de baptistische zondagsschool moest bezoeken, bleek religie niet aan hem besteed. Liever zeilde hij met vrienden op de Hudson. Hij was zwijgzaam en kon net als zijn vader gevoelens moeilijk uiten. Wel werd hij door papa vertrouwd gemaakt met de wereldliteratuur. Samen lazen ze Victor Hugo, Toergenjev en Ralph Waldo Emerson.

Op school deed Edward het behoorlijk, zonder echt uit te blinken. Tekenen ging hem beter af. Aangemoedigd door zijn moeder, die trots was op het artistieke talent van haar deels Franse voorzaten (van vaderskant stamde Edward van Hollandse kolonisten in New York af), nam Hopper potlood en penseel al vroeg ter hand. Hij kreeg een verfdoos, waar hij 'WOULD-BE ARTIST' op schreef; zijn artistieke produktie werd door zijn moeder zorgvuldig bewaard.

Vrouwen bepaalden Edwards leven: behalve zijn moeder had hij nog een twee jaar oudere zus en bovendien woonde bij de Hoppers een dominante oma van moederskant in. Hij schijnt het niet gemakkelijk gehad te hebben met deze situatie. Als de vrouwelijke bemoeizucht hem te veel werd, trok hij zich terug, of hij reageerde zich af door kleine pesterijen, terwijl zijn tekeningen, dikwijls karikaturaal van aard, de andere sekse op de hak namen. Stond hij voor de spiegel, dan zag hij een spichtige klungel, door zijn vrienden 'Grasshopper' (Sprinkhaan) genoemd, met grote oren en dikke lippen. Natuurlijk hoopte hij artiest te worden, maar op aandringen van zijn ouders ging hij (in 1899) eerst naar de New York School for Illustrating. Als illustrator zou hij in elk geval de kost kunnen verdienen, was de gedachte. Omtrent de eeuwwisseling werd in deze sector goed verdiend, met de geliefde Charles Dana Gibson als uitschieter.

Een tweede Gibson zou Hopper niet worden, en hoewel hij enige jaren later uit geldgebrek voor tijdschriften en advertentiebureaus prenten ging maken, verfoeide hij het vak. Het dwarsboomde zijn ware roeping, die hem in 1901 had doen besluiten student te worden aan de Newyorkse kunstacademie. Hopper voelde zich er zo in zijn element dat hij er zes jaar zou blijven.

In het najaar van 1906 begaf Hopper zich naar het mekka van alle toenmalige artiesten: Parijs. De innocent abroad vond onderdak in een zendingshuis van baptisten, wat het thuisfront geruststelde. Edward werd gefascineerd door de stad, hij bezocht exposities van de modernen - Cézanne wist hem slechts matig te bekoren - en tekende of schilderde kaden, kerken en lichtekooien. Volgens zijn biografe was het in Parijs dat de 26-jarige Hopper seksueel ontwaakte, hetgeen laat lijkt maar het misschien niet is voor een puriteinse Yankee van die dagen. Tot de bohème voelde Hopper zich evenwel in het geheel niet aangetrokken, in Parijs niet en later evenmin in de Verenigde Staten. Joie de vivre ontbrak hem ten enenmale. Hij hield alles en iedereen op afstand.

Leiband

Aan zijn overzeese verblijf (ook Nederland deed hij aan) zou hij gemengde herinneringen bewaren. De confrontatie met Europa had hem slechts zijdelings beïnvloed, zo oordeelde hij later, al gaf hij toe dat zijn palet door de kennismaking met het impressionisme aanzienlijk lichter van toon was geworden. Hopper distantieerde zich ook van Europa omdat in de Verenigde Staten de roep om 'echt Amerikaanse' kunst steeds luider werd. Men zou al te lang aan de artistieke leiband van de Oude Wereld en vooral van Frankrijk hebben gelopen, en nu Amerika een wereldmacht werd, moest het tevens zijn kunstzinnige zelfstandigheid bevestigen. Hopper was gevoelig voor dit argument en zou in het vervolg van zijn loopbaan dikwijls het accent op het Amerikaanse van zijn kunst leggen.

Met die loopbaan ging het overigens aanvankelijk moeizaam. In 1913 verkocht hij zijn eerste schilderij - pas tien jaar later een tweede werk. Meer succes had hij met zijn etsen. Van al wat hij maakte en soms verkocht hield Hopper een uit de winkel van zijn vader overgehouden kasboek bij, dat bewaard is gebleven en voor Levin en andere biografen een uiterst welkom chronologisch hulpmiddel is. Nu en dan zette Hopper zijn gedachten op papier, maar behalve aan een painter's bleek hij ook aan een writers' block te lijden.

Zo gesloten als Hopper was, zo uitbundig ging de vrijgevochten petite Josephine door het leven. Ze had les gegeven aan kinderen van immigranten, acteerde en probeerde van het schilderen haar beroep te maken. Jo had aanzienlijk minder talent dan Edward, maar het kostte moeite dat toe te geven. Levin wil ons doen geloven dat mevrouw Hopper - toen ze trouwde was ze 39 jaar, Edward 41 - zo volkomen door haar echtgenoot werd gedomineerd dat haar talenten nooit tot volledige ontplooiing kwamen. Van Jo werd niet alleen verwacht dat zij kookte (een bezigheid die ze haatte), maar ook dat ze de was deed voor haar man, inclusief zijn onderbroeken. En dat, terwijl er volgens Levin geen bewijs is “that he ever washed out her underwear”.

De biografe gaat al even omstandig in op het voortdurend geruzie over de vraag of mevrouw Hopper al dan niet de auto mocht besturen waarmee het echtpaar op zoek ging naar nieuwe onderwerpen en nieuwe inspiratie. Kleine ongelukjes liepen uit op grote twisten, die eveneens tot uitbarsting kwamen als Hopper weken achtereen machteloos op z'n stoel zat. Anderzijds was er wel degelijk veel dat ze gemeenschappelijk hadden: een gedeelde liefde voor Verlaine, een diepe haat tegen de in hetzelfde jaar als Edward geboren president Franklin D. Roosevelt en diens New Deal, en later, na de Tweede Wereldoorlog, een niet minder grote afkeer van de abstract-expressionisten, wier werk door critici juichend werd begroet als Amerika's unieke bijdrage aan de moderne kunst. En natuurlijk poseerde Jo, gekleed en ongekleed, voor bijna elk doek van haar man waar een vrouw op voorkwam.

Bewonderaars

De Hoppers bleven figuratieve conservatieven, maar hadden ten slotte bepaald niet te klagen over gebrek aan aandacht en erkenning, althans Edward niet. Sinds het midden van de jaren dertig kon hij rekenen op een vaste kring bewonderaars, hij werd herhaaldelijk onderscheiden, zat in tal van jury's, praktisch alle belangrijke musea organiseerden overzichtstentoonstellingen en in december 1956 kreeg Hopper de Amerikaanse ridderslag: zijn portret verscheen op het omslag van Time. Jackson Pollock en Willem de Kooning mochten dan triomfen vieren, die van Hopper waren er niet minder om - al vond hijzelf van wel. Ooit had zijn vrouw hem een boek over Degas ten geschenke gegeven waarin werd uitgelegd dat die zijn eigen mythe had geschapen door zich van de buitenwereld af te zonderen. Iets dergelijke probeerden de Hoppers, en Jo werd de trouwe bewaakster die haar meester afschermde van al te nieuwsgierige blikken. Intussen vergat ze niet in haar dagboek te noteren dat Edward eigenlijk een bastard was.

Hopper beweerde eens dat negen-en-negentig procent van alle schilders wordt vergeten zodra ze de laatste adem uitblazen. Dat lot zou ook Nivison beschoren zijn, als zij niet het schrijvende alter ego van haar wederhelft was geweest. Zelfs Levin zal dat beamen. Haar boek is in feite een dubbelportret, en al lijken mevrouw Hoppers kleuren te fel aangezet, het bepleit toch ook wel terecht dat biografen de partner(s) van hun hoofdpersoon het volle pond moeten geven. Dus ook die van Edward Hopper, de Amerikaanse schilder van de universele eenzaamheid.