Drie decennia anti-gezinsdenken in Nederland; Het geheime gezin

Het gezin is in Nederland lang geheim gehouden. Nederland zou individualiseren en het beleid paste zich aan. De solidariteit met de kostwinner en zijn kinderen verdween. Intussen bleef de burger in de praktijk onverstoorbaar conservatief. Nu dient de omslag zich aan. Een korte geschiedenis van het (anti-)gezinsdenken. Van incest tot 'quality-time'.

In het Jaar van het Gezin, 1994, besloot de Nederlandse regering ook een jongere af te vaardigen naar de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties in New York. Het werd de 23-jarige Jan Vos, verkozen uit een koepel van vele Nederlandse jongerenorganisaties. Zijn toespraak was geen lofrede op het gezin maar een kritiek op de onverdraagzaamheid voor andere leefvormen. Nederland was niet langer een traditioneel gezinsland, zo hield hij zijn internationale gehoor voor. “Mannen wonen met mannen, vrouwen met vrouwen. Alleenstaande moeders, die bewust ervoor gekozen hebben, paren met een LAT-relatie en éénoudergezinnen behoren alle tot de gewone lifestyles”, somde hij op.

Toch wilde Vos niet zo ver gaan door te stellen dat Nederland eenzaam aan de wereldtop van onconventionele leefvormen staat. “In het Caraïbische gebied staat bij 50 procent van de gezinnen een vrouw aan het hoofd”, erkende Vos ruiterlijk. De vertegenwoordigers van sommige Caraïbische eilanden moeten zich achter de oren hebben gekrabd. Voor het eerst werd de cyclus van vaderloosheid en tienerzwangerschappen met de trendy term lifestyle aangeduid. Het enige probleem was gebrek aan tolerantie. Bestonden deze typische Derde Wereld-gettoproblemen dan ook in Nederland?

De toespraak van Vos reflecteerde de heersende opvattingen in Nederland. Zodra het gezin in Nederland ter sprake kwam, werd er van onderwerp veranderd. LAT-relaties kwamen aan de orde, woongroepen of ongehuwd samenwonen. Het gezin stonk naar spruitjes en zou op zijn retour zijn. De sociologe prof. dr. Iteke Weeda domineerde het debat van de jaren tachtig met pleidooien voor “vriendschapsnetwerken”, androgynie, bisexualiteit en knuffeligheid. Bij de opening van het VN-Jaar voor het Gezin in Nederland was het gezin uitdrukkelijk niet het voornaamste onderwerp. “Alle leefvormen zijn onderwerp van discussie, het comité spreekt geen voorkeur uit”, zei mevrouw mr. C.M.I. Moolhuysen-Fase, voorzitter van het comité voor het internationale gezinsjaar.

Adoptie van kinderen door homoseksuelen wordt in Nederland gezien als een lakmoesproef voor iemands maatschappelijke gezindheid. Maar dr. R.A.C. Hoksbergen, hoogleraar adoptie, schat dat het hooguit om tien gevallen gaat. Door het debat tussen rekkelijken en preciezen over het begrip en status van het “gezin” is Nederland achtergebleven met faciliteiten voor het moderne gezin, ambtelijk gedefinieerd als leefeenheid met kinderen.

Geheel in lijn met de zienswijze dat de samenleving individualiseerde, werd het inkomen herverdeeld ten gunste van alleenstaanden. Kabinetten, ook die met het CDA, presenteerden bezuinigingen op gezinnen als een progressieve daad: op kinderbijslag (ook wel “fokpremie”) en zuigelingenzorg, een Mooz/WTZ-ziektekosten-solidariteitsheffing op kinderen en een verhoging van bijvoorbeeld milieuheffing voor gezinnen. “De eigen verantwoordelijkheid van mensen voor hun kinderen dient te worden gestimuleerd”, zegt het PvdA-programma over het gezin. Dat betekent dat de samenleving zich minder verantwoordelijk hoeft te voelen voor de opvoedingstaak van haar toekomstige burgers. De maatschappelijke solidariteit met kinderen erodeert.

Ouders van middelbare schoolkinderen betalen steeds meer schoolgeld. Studerende kinderen zijn duurder geworden, zeker voor de hogere inkomens. Alle meisjes die na 1 januari 1990 zijn geboren, moeten later werken voor hun geld, want er zal bij de uitkeringen van hun partner geen rekening met thuisblijvende partners of ouders worden gehouden. Per 1 januari 1990 is dus feitelijk de huisvrouw of huisman afgeschaft. De Nabestaandenwet verlaagt de uitkeringen aan bepaalde groepen nabestaanden van overleden familieleden.

Een gezin met drie kinderen moet volgens de berekeningen van gezinssocioloog Kees de Hoog netto ongeveer twee keer zoveel verdienen als een paar zonder kinderen om het zelfde welstandspeil te bereiken. Arme gezinnen zijn er slechter aan toe dan arme bejaarden volgens De Hoog. Ouders met een klein inkomen en een eigen huis kunnen de wasmachine niet meer repareren als die kapot gaat. Modale gezinnen zijn er volgens de Nederlandse Gezinsraad afgelopen vijftien jaar in koopkracht niet op vooruitgegaan, minima-gezinnen hebben zelfs 10 procent verloren.

De inkomensverschillen tussen echtparen mét of zonder kinderen zijn vergroot. In Duitsland wordt het paar zonder kinderen dan ook de “Porsche-optie” genoemd. “Het Nederlandse stelsel was ideaal voor het gezin van de jaren vijftig met één kostwinner. Dat stelsel is afgekalfd maar er is weinig voor in de plaats gekomen”, aldus Peter Cuyvers van de Nederlandse Gezinsraad. Hij vindt dat de versplinterde gelegenheidsbezuinigingen plaats moeten maken voor een nieuwe systematiek in sociale wetgeving, die meer is toegesneden op ouders met kinderen.

Pas in september hebben Nederlandse politici zich - internationaal gezien zeer laat - met overgave in een debat gestort over de bakermat van vrijwel alle burgers, hetero, homo, bi, bejaard, jong, alleen of samenwonend. Het gaat om de erkenning dat kinderen geen zelfstandige individuen zijn en speciale zorg en ondersteuning nodig hebben.

De hernieuwde aandacht voor het gezin is geen restauratieverschijnsel maar een ontdekking dat Nederland minder veranderd is dan gedacht. Het is alsof het ministerie van Verkeer en Waterstaat plotseling ontdekt zou hebben dat de auto ondanks de ongelukken toch het vervoermiddel bij uitstek is, terwijl het zich de afgelopen jaren alleen met de trein, de fiets en de driewieler had beziggehouden. De samenstelling van het modale gezin - man, vrouw en kinderen - is ongeveer het zelfde gebleven. Maar door de populariteit van voorbehoedsmiddelen, vrouwenemancipatie en de massale toetreding van vrouwen tot de arbeidsmarkt is het gezin alleen van karakter veranderd.

Er is nog altijd weinig naschoolse opvang voor kinderen van werkende ouders. Veel lagere scholen hebben een lange lunchpauze, waarin de kinderen moeten thuis komen. De publieke ruimte voor kinderen is in beslag genomen door geparkeerde auto's, zodat ouders gedwongen zijn om hun kinderen van sportclub naar speelafspraak te chaufferen.

Het gezin behoefde in Nederland minder aandacht dan in Amerika of in Engeland. Nederland loopt voorop in de wereld maar dan omdat het percentage conventionele twee-oudergezinnen er zo uitzonderlijk hoog is: ruim 85 procent. In Nederland heerst een mij-niet-gezien-tolerantie voor andere levensvormen: alles mag, als wij maar niet hoeven. Van Bewust Ongehuwde Moeders zijn er in Nederland slechts enkele tienduizenden. Volgens een recente vergelijking in het Britse weekblad The Economist vormt Nederland met Duitsland de achterhoede in percentages vaderloze gezinnen. Omdat in Nederland en Duitsland het percentage eenoudergezinnen relatief laag is, worden ze niet als een probleem gezien. Vaders zijn ruim vertegenwoordigd in de opvoeding of in de buurt.

Terwijl Amerikanen of Britten zich braver voordoen dan ze zijn, houden de conventionele Nederlanders zich voor ondeugende radicalen: een vorm van omgekeerde hypocrisie. Nederlanders dragen hun modale regenjassen binnenste buiten en wijzen trots op de voering. Op internationale conferenties stuit de Wageningse gezinssocioloog Kees de Hoog op de wildste ideeën over de situatie in Nederland. Hij kreeg eens een telefoontje van een collega uit Canada die eerbiedig opmerkte dat wel 50 procent van de Nederlandse ouders homoseksueel zou zijn. Die indruk wordt verbreid door Nederlanders zelf, die internationale gezelschappen graag de les lezen. De Hoog herinnert zich een internationale bijeenkomst in Brussel waar een Nederlandse ambtenaar de Haagse bezwaren tegen adoptie door homoseksuelen fel aanviel. Vervolgens spoedde zij zich weg want ze moest op tijd aan haar fornuis in Den Haag staan, zo zei ze. De ambtenaren uit andere landen bleven in verwarring achter. “De huiselijke problemen van de ambtenaren werden recht in de Congreszaal gebracht”, aldus De Hoog.

Tijdens een conferentie aan de Engelse universiteit van Swansea in 1978 over 'Liefde en aantrekkingskracht' kon De Hoog het bordje NL maar beter uit zijn revers houden. Heel Engeland debatteerde over een pleidooi voor kinderliefde aldaar van de pedofiele Nederlandse senator dr. E. Brongersma. Wales overwoog zelfs haar grenzen te sluiten. De Britse Sun beleefde hoogtijdagen aan de controverse. 's Morgens in zijn hotelbed hoorde De Hoog de schoonmakers op de gang tegen elkaar zeggen dat ze niet zouden opruimen bij die “Nederlandse smeerlappen”.

Volgens Cuyvers van de Nederlandse Gezinsraad denken Nederlanders vaak ten onrechte “dat het buitenland nog in berevellen rondloopt”. Maar een door Nederland als aartsconservatief beschouwd land als België verschilt sociaal nauwelijks van Nederland. De discussie en tolerantie zijn er minder luidruchtig maar het gaat er ongeveer hetzelfde toe. België heeft wel betere kinderopvang en meer werkende vrouwen, die na het huwelijk hun eigen naam behouden. In Duitsland, België en Oostenrijk staan machtige gezinsbonden garant voor de belangen van leefeenheden met kinderen. Maar in Nederland werd het gezin sinds de ontzuiling als een onderafdeling van het Vaticaan beschouwd. Toch hebben de interessante debatten over nieuwe leefvormen in vrouwenbladen als Libelle en Opzij de populariteit van het huwelijk en het gezin niet kunnen verdrijven. “Wij calvinisten willen heel diep over de problemen praten, ze van alle kanten bekijken maar de ideeën niet in daden omzetten”, zegt De Hoog.

Het toekomstbeeld van een geatomiseerde samenleving stoelde op stijgende echtscheidingspercentages en een groeiend aantal eenpersoonshuishoudens gedurende de afgelopen jaren. Verwacht werd dat de vergruizing niet tot stilstand zou komen. Door grotere welstand konden mensen het zich sinds de jaren zestig veroorloven om apart te wonen. Het huwelijk was niet meer de enige reden om uit huis te gaan. Zelfontplooiing ging voortaan voor dienstbaarheid.

In assertiviteitstrainingen leerden mensen het hunne op te eisen. Het 'Ik-tijdperk' brak aan. Bij uitgeverij Kluwer werd overwogen om een blad 'Ik' op te richten. Op lagere scholen geldt nog een leesmethode, waarbij kinderen in de eerste klas “ik” als eerste schrijfwoord leren in plaats van 'Aap', 'Noot' of 'Mies'. De jaren zeventig draaiden om persoonlijke groei van het 'Ik' door therapie, sexueel genot en experimenten met drugs. In de jaren tachtig lag de nadruk op materiële groei, gesymboliseerd in de opvallende consumptie van de 'yuppie' zonder kinderen. Kinderen stonden in de weg van restaurantmaaltijden, wereldreizen, kroegtochten en het ultieme Ik-document, de grote roman.

Kinderen waren ook een dreiging voor het milieu. Het geboortecijfer moest in de hand worden houden wegens dreigende overbevolking. Sommige paren zagen indachtig het refrein van de popgroep Doe Maar 'Totdat de Bom Valt' af van voortplanting. Omdat ouders kinderen 'bewust' hadden gekozen, door een tijdje de pil niet te gebruiken, moesten ze ook maar voor de gevolgen dokken. Geen kinderbijslag dus. “Het is wat vreemd dat nu al jarenlang op uitkeringen bij pech (ziekte en werkloosheid) wordt gekort, terwijl de bijslag op geluk (kinderen red.) in stand blijft”, schreef Jolande Withuis vorig jaar nog in Opzij.

In de jaren tachtig werd ook het vergrootglas gericht op gezinsexcessen zoals mishandeling en incest. De media extrapoleerden de groei van eenpersoonshuishoudens en verwachtten een geïndividualiseerde samenleving in de 21e eeuw. Het Sociaal en Cultureel Planbureau deed enthousiast mee aan deze voorspellingen. Tot 1994 besteedde het tweejaarlijkse rapport veel aandacht aan jongeren, sociaal welbevinden en inkomensdistributie, maar nauwelijks aan het gezin.

De sociologe Weeda verhaalde in de pers over haar persoonlijke ervaringen met haar echtscheiding; zij voorzag een nieuwe wereld, waarin het huwelijk niet meer zo'n exclusieve relatie zou zijn. Kinderen moeten volgens haar losgeweekt worden van de ouders en door een grotere gemeenschap worden opgevoed. De term 'netwerk' paste goed in het aanbrekende computertijdperk. “Het ideaal is niet meer om één levenspartner te vinden met wie alles wordt gedeeld maar een levenssfeer waarin verschillende relaties met verschillende personen mogelijk zijn”, aldus Weeda.

Haar standpunten oogstten veel succes. Een column in Libelle en veel interviews. Bij een televisie-optreden werd ze zelfs op een troon geplaatst om commentaar te geven. In het boek 'Scenario 2000' (Sijthoff, 1987), een bundel opstellen over het jaar 2000, beschreef ze een fictieve woongroep die discussieert over een ouderschapsexamen voor de geboorte en over een basisinkomen voor kinderen. De “machtsexcessen” door de financiële afhankelijkheid van ouders zijn “desastreus”. “Kinderverkrachting, kindermishandeling, emotionele verwaarlozing van kinderen zijn ernstige vormen ervan”, aldus Weeda.

Eind jaren tachtig stabiliseerde de huishoudelijke vergruizing zich. Nieuwe verschijnselen als seriële monogamie en de LAT-relaties bleken vaak een voorgeborchte tot het gezin. Het aantal kinderen dat in woongroepen woont, blijft beperkt tot enkele duizenden. De groei van het aantal echtscheidingen hield op. Er kwam begin jaren negentig zelfs een tweede geboortegolfje op gang van pas getrouwde laat-twintigers met nu-of-nooit-ouders. Geboorten bij vrouwen tussen de 30 en 44 jaar stegen van 44,3 per 1000 in 1989 tot 58,4 in 1993.

Mensen die vroeger over vakantiereizen in Latijns-Amerika praatten, hadden het plotseling over kinderen. De Amerikaanse poppsycholoog Faith Popcorn voorspelde een tijdperk van thuis cocoonen. Het feministische maandblad Opzij werd een meer traditioneel vrouwen- en moederblad. Het journalistieke zwaartepunt heeft zich verplaatst van de nare gevolgen van incest tot quality time met de kinderen. Het modetijdschrift Elle portretteerde nu nieuwe vaders, zoals de acteur Huub Stapel. Het kind, dat eerst ontplooiing in de weg stond, werd juist een middel tot persoonlijke groei. En je werd er niets slechter van. “Mama houdt van sex”, zong Leoni Jansen over het herstel van het gewone leven na het baren.

Het CBS presenteerde herhaalde malen cijfers over de gezinsoriëntatie van Nederland. “Gezin en overheid: mythe van de individualisering”, schreven P. van den Akker, P. Cuyvers en C. de Hoog in 1992 in Tijdschrift voor Primaire Leefvormen. Politici verwerkten de resultaten in hun toespraken maar het sloeg niet aan. “Het was niet politiek correct”, zegt Cuyvers. Toch ging het Sociaal en Cultureel Planbureau pas om naar aanleiding van een nieuwe presentatie van CBS-cijfers waaruit duidelijk bleek hoezeer Nederland vasthoudt aan het gezin. “De bevolking is nog steeds in hoge mate gericht op gezinsvorming”, constateerde het onderzoeksbureau in haar rapport van 1994, dat verderop de individualiseringslijnen van 1992 door trekt. Er is volgens het SCP sprake van zogenoemde 'frictie-alleenstaanden', mensen onderweg van hun eigen gezin naar een nieuw gezin een tijd alleen zijn. Er bestaat een kans dat het SCP met een tweejaarlijkse rapportage, speciaal over gezinnen gaat beginnen.

Afgelopen zomer organiseerde het CBS een congres over het gezin, waar veel politici kwamen. Toen was de stemming rijp. In september opende CDA-fractievoorzitter Enneüs Heerma het debat met een voorstel tot een ministerie voor gezinszaken. Tegelijkertijd bepleitte mede-voogdij door homoseksuelen. Calvinistische discussies over de juiste gezindheid zijn dus afgelopen. Die aandacht strookt met de communitaristische golf die over de wereld spoelt als reactie op het zuivere marktdenken. Toch gaat de individualiseringswetgeving gewoon door. Omdat pas latere generaties de dupe zijn en op bestaande rechten geen inbreuk maken, gaat niemand de straat op. Het paarse kabinet voelt niets voor een herverdeling ten gunste van het gezin. Alleen in programma's voor jongerenbeleid en kansarmen zal kwistiger worden gestrooid met het woord “gezin”. De echte confrontatie zal pas komen als de bezuinigingen op afhankelijken hun beslag krijgen op latere generaties, volgens Cuyvers.

Nederland heeft slechts korte tijd in haar geschiedenis expliciet gezinsbeleid gekend. Het gezin was zo vanzelfsprekend dat het sociale zekerheidsstelsel stoelde op het beginsel van één kostwinner. Kinderbijslag kwam in Nederland pas na de oorlog. In 1967 richtte de voortvarende minister van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk, Marga Klompé, een stafafdeling Algemeen Gezinsbeleid. Jos Peters, een voormalig priester, was de eerste die de afdeling ging leiden. Het buitenland had ook dergelijke ambtelijke afdelingen en er waren zelfs internationale conferenties over het gezin. Nederland zou daar ook aan moeten meedoen, vond Klompé. Sommige Kamerleden vreesden een “Familienpolitik à la Hitler”.

Onder leiding van Peters trok Gezinsbeleid allerhande zaken naar zich toe, Voorlichting (Nationaal Instituut voor Budgetvoorlichting), beleidsadviezen en hulpverlening waarbij het woord gezin niet te strikt werd genomen. Gezinsverzorging en bejaardenhulp werd uitgebreid. Het budget groeide van 200 miljoen gulden in 1967 tot boven het miljard in de jaren zeventig. Jongerenadviescentra (JAC's) en Blijf Van M'n Lijfhuizen kwamen tot stand. Peuterspeelzalen ontstonden. Vrouw-Maatschappij kreeg subsidie mits het woordje “Man” eraan werd toegevoegd. In Margriet kwam een voorlichtingskatern over huwelijk en samenwonen. Daar kwam ook het woordje “neuken” in voor, sindsdien vaker gebruikt in overheidsvoorlichting. Burgemeesters lieten het katern bij de Burgelijke Stand voor trouwlustigen klaarleggen.

Een wetenschappelijk medewerker moest in die tijd voor een subsidie-aanvraag zijn onderzoek “problematiseren”: het moest om echte probleemgevallen gaan. De Hoog is nog gepromoveerd op een onderzoek hoe mensen hun partner vinden. Later kon dat niet meer, want dat was te gewoon. Samenwonen, woongroepen, machtsstrijd binnen gezinnen en seksuele intimidatie waren de thema's voor de jaren tachtig. “Alles was mogelijk, behalve het gemiddelde gezin”, zegt De Hoog.

Vrouwenemancipatie verdween onder druk van vrouwenorganisaties uit het gezinsbeleid naar Sociale Zaken. Daarmee kwam het accent te liggen op de positie van de vrouw in de arbeidsmarkt in het algemeen. Aan de combinatie van werk en zorgtaken werd nauwelijks nog aandacht besteed. Veel vrouwen konden dus dat mooie baantje niet krijgen, omdat ze om half drie de kinderen uit school moesten halen. Algemeenheden dat “beide partners evenveel verantwoordelijkheid dragen” boden geen oplossing, zwart werkende kinderoppassen en het uitstellen van kinderen krijgen wel.

Peters brandde zijn vingers niet aan de definiëring van het gezin. In de beginjaren had een verzameling hooggeleerde heren in opdracht van Cultuur Recreatie en Maatschappelijk Werk proberen te bepalen wat gezinsbeleid moest inhouden en was er niet uitgekomen. Sindsdien vermeed hij de uitgestoken tenen en stelde hij dat “gezinsbeleid is wat gezinsbeleid doet”. De uitdrukking “hoeksteen” meed hij, want dat klonk te bijbels. Het gezin was in de ogen van Peters niet dé basis maar “'n basiseenheid”. Dat sloot niet uit dat alle andere vormen van samen en alleen wonen ook basiseenheden waren.

Toch wilde hij het woord gezin handhaven voor zijn beleidsafdeling. Tijdens zijn opleiding tot Haags ambtenaar had hij geleerd dat beleid een wervende term moest hebben. “Niemand is tegen een gezin. Iedereen zegt 'natuurlijk, dat is belangrijk. Het woord gezin heeft iets',” aldus Peters. Homozaken vallen er volgens hem ook onder, “want”, rekent hij voor, “Als vier procent van de Nederlanders homo is, dan is vier procent van de kinderen homo. Die moet je met vier vermenigvuldigen want hun ouders en broers of zussen hebben er ook mee te maken.”

In 1982 had het gezin alle exclusiviteit verloren. Onder de wacht van CDA-minister Elco Brinkman werd de afdeling gezinszaken opgeheven. Daarmee werd de gedachte verlaten dat leefeenheden met kinderen speciale aandacht nodig hebben. Ambtenaren van andere departementen en afdelingen verdeelden onderling de buit. Er bleef nog anderhalve stafmedewerker bij het departement Welzijn voor de taakgroep “homo, emancipatie- en gezinsbeleid”.

De Nederlandse Gezinsraad gaat nu een onderzoek starten naar de effecten van bezuinigingen en nieuwe sociale wetgeving op het modale gezin. Door de concentratie op probleemgevallen is dergelijk onderzoek weinig gedaan.

Peters, die na een promotie tot adjunct-directeur Jeugdbeleid is gepensioneerd, is blij met de herintroductie van gezinsbeleid. Volgens hem moeten ambtenaren wel voorzichtig beginnen. Dat er van alles onder valt, kan volgens hem geen kwaad. In de meeste departementen voor gezinszaken in het buitenland gaat het net zo.

Er zijn grote verschillen in gezinsbeleid in het buitenland. In het Skandinavische model neemt de staat de kinderverzorging uit handen van de ouders. De Duitse overheid versterkt het gezin. Zweden is geheel geïndividualiseerd. In Zweden of Finland werken vrouwen en mannen evenveel buitenshuis. Er is geen kinderbijslag maar ook geen tweeverdienerstoeslag. De overheid dwingt de alimentatieregelingen af. Ouders zijn nauwelijks nog onderling afhankelijk; er gaan er veel uit elkaar. In Duitsland wordt het huwelijk beloond met belastingvoordelen. Moeders die verlof vragen om voor kinderen te zorgen hebben nog drie jaar recht om hun oude plaats op het werk weer in te nemen. De geruisloze individualiseringswetgeving in Nederland neigt naar het Zweedse model, terwijl Zweden daar alweer van terug komt.

De nood van gezinnen is in Amerika aanzienlijk hoger dan in Europa. Politici die spreken van het “typische Amerikaanse gezin” bedrijven ongewild ironie. Drie van de tien kinderen slaapt niet in hetzelfde huis als hun vader. In gettowijken is vaderloosheid de norm. Door de overvloed aan werk staat het Amerikaanse gezin aan veel meer spanningen bloot dan het Nederlandse. Kinderen moeten in Amerika snel volwassen worden, zodat de ouders zich aan hun baan kunnen wijden. Een half uurtje “quality-time” per dag, “sleutelkinderen”, “tv-dinners” op schoot in plaats van gekookte, gezamenlijke maaltijden, zijn typisch Amerikaanse verschijnselen. Vandaar dat family values sinds een door de Democratische president Carter in 1980 georganiseerde conferentie een belangrijk Amerikaans politiek thema is, als reactie op de ontwrichting.

De yuppie, die kinderen krijgen uitstelde en een mooie sportwagen kocht, begon zijn loopbaan in Amerika. Ook traden in Amerika vrouwen eerder dan in Nederland massaal toe tot de arbeidsmarkt. Toen de yuppies hun BMW's voor kinderwagens verruilden, ontstond het probleem van having it all: hoe een twee of soms zelfs drie banen met een gezin te verenigen. Kinderen bleken niet in het schema van de liberalisering en flexibilisering van de economie te passen. De Amerikaanse media reflecteren een grote bezorgdheid over kinderen. Opvoeding, ontsporing en misdaad van kinderen komen vaak op de Amerikaanse voorpagina's.

Er is nu een vergelijkbar tijdperk van bezorgdheid over en opvoeding van kinderen in Nederland aangebroken. Het volgt op massale toetreding van vrouwen op de arbeidsmarkt. Ook is de culturele tegenwind toegenomen. Toen gemeenten gokken met fruitautomaten vrijgaven, hielden ze geen rekening met misbruik door tieners. Pas nu begint het besef door te breken dat het gevaarlijk is en worden er maatregelen genomen om tieners van de eenarmige bandieten af te houden.

Er heersen in Nederland geen Amerikaanse toestanden. Nederlanders maken minder lange werkuren en hebben meer tijd voor hun gezin. Echtgenoten zijn bereid tot compromissen in hun carriere of inkomen om aan de kinderen toe te komen. Bovendien verschaft de Nederlandse kleinschaligheid van steden en wijken voordelen die Amerika niet kent. Er is meer honkvastheid, grotere sociale controle.

Nederlandse ouders lijken zekerder van zichzelf dan Amerikaanse. Volgens een dit voorjaar uitgekomen vergelijkend onderzoek van Pennsylvania State University slapen Nederlandse zuigelingen al gauw de hele nacht door, terwijl Amerikaanse voortdurend wakker worden. In het Nederlandse huishouden zou een ijzeren regelmaat heersen, terwijl het onrustige gedrag van de Amerikaanse zuigeling past bij het rennen, hollen en vliegen van haar ouders. Nederlandse ouders bedrijven een praktisch conservatisme. En dat is in strijd met het Nederlandse zelfbeeld, want het laatste dat de burger van Groot-Zoetermeer wil, is saai zijn.