De biografie als handleiding

Natuurlijk, biografieën worden gelezen ter bevrediging van allerlei hooggestemde belangstelling: uit sympathie, bewondering voor de beschrevene, ter verdieping van het historisch inzicht, verrijking van de mensenkennis, uit pure nieuwsgierigheid zoals je een uurwerk uitelkaar haalt om te zien waardoor het getikt heeft en misschien zelfs uit laaggestemde belangstelling, om beter te kunnen verachten. In die zin horen biografieën tot de geschiedenis, de psychologie en de literatuur.

Maar de biografie kan ook praktischer worden opgevat en dan hoort hij tot het genre van de handleidingen: hoe zal ik het aanpakken, wat moet ik laten opdat ik zoveel mogelijk datgene van mijn leven maak wat ik me ervan heb voorgesteld. En als het einde van de expansieve loopbaan nadert wordt de biografie een handleiding in retrospectief: hoe komt het dat ik zo groot ben geworden, hoewel toch nog kleiner gebleven dan de beroemde X; of waar is het misgelopen en hoe is dat gekomen? Als handleiding heeft de biografie dus twee functies: gids en maatstaf. Bij het klimmen der jaren van de lezer gaat de eerste in de tweede over. Dat is een geleidelijk verlopend proces.

Bewonderde

Wie jong is begint met het lezen van de biografieën der bewonderde voorgangers in zijn vak. Eerst doet hij dat dus met de bedoeling, te leren op welke manier ze het zover hebben geschopt, om het liefst nog verder te schoppen. Dan, als hij verder op de weg van zijn voornemens is gevorderd - hij is bijvoorbeeld een jaar of 35 - gaat hij vergelijken: ligt hij vóór, gaat hij nek aan nek, of blijft hij achter? Op die leeftijd had Stalin een jaar verbanning in Siberië achter de rug, reisde Lenin van Londen naar Moskou om de Doema buiten gevecht te stellen, hielp Hendrik Colijn bij het neersabelen van de opstand in Atjeh, waren Ruud Lubbers en Elco Brinkman minister, was Gerard Cornelis van het Reve al tien jaar in het genot van zijn letterkundige onsterfelijkheid en was Mozart ook onsterfelijk en dood.

Grof gezegd zijn er drie mogelijkheden. Als, ten eerste, het onderzoek de biografielezer leert dat hij vóór ligt, kan dat wel voldoening geven maar het is geen geruststelling want in dat geval gaat het erom voor te blijven. Wie al vroeg meer succes heeft dan de voorganger van zijn bewondering, kunnen weer drie dingen overkomen: 1. Hij kan zich gerechtigd voelen een poosje op zijn lauweren te rusten, 2. De angst kan hem om het hart slaan, omdat hij in de neiging tot rusten al een teken van nog sluimerende, gevaarlijke achteloosheid vermoedt, en 3. Hij kan gaan denken dat hij een verkeerde voorganger heeft gekozen, waardoor hij aan zichzelf gaat twijfelen en sowieso begint te geloven dat hij op zijn hielen wordt gezeten.

Vergelijkingsmens

Stelt hij vast dat hij met zijn vergelijkingsmens nek-aan-nek gaat, dan is het betrekkelijk eenvoudig. Hij is er tevreden mee als het zo doorgaat, of hij doet nog meer zijn best om de bewonderde te overtreffen.

Ligt hij achter dan zijn er twee mogelijkheden. Hij geeft het op, en dan zal hij geen biografie meer inkijken. Dan gaat het als met zijn schoolboeken: ze worden verkocht. Of hij leest er nog meer, mobiliseert zich en komt dan terecht in een van de eerstgenoemde situaties.

Voor degenen die biografieën als handleidingen gebruiken verandert er tussen hun 35ste en 55ste niet veel. Wel lezen en herlezen ze langzamerhand het verhaal van de levens hunner helden met andere ogen. Wat eens hun bewondering wekte vinden ze nu vanzelfsprekend, ze beginnen te begrijpen dat het hier en daar beter had gekund, ze nemen zoals het heet: afstand. Als ze de daden hebben nagelaten waaraan de held zijn roem of macht te danken heeft, leren ze nauwkeurig te becijferen welke boze deus ex machina in hun eigen loopbaan op het beslissende ogenblik een spaak in het wiel heeft gestoken. In de biografie zowel als in hun eigen leven hebben ze altijd twee partijen onderscheiden: de held en de omstandigheden. Dikwijls moest de held de omstandigheden bevechten, en hij won. Ook zij hebben de omstandigheden niet altijd mee gehad, maar nu, goed beschouwd, waren het àndere omstandigheden, machtiger en op het verkeerde moment in de verkeerde combinatie tot onoverwinbaar obstakel geworden.

Verontschuldiging

Zo krijgt de biografie als handleiding langzamerhand een andere functie: wordt van leidraad voor de eigen opkomst tot verontschuldiging voor het eigen achterblijven. In de gemeenschap der biografieënlezers scheiden zich de wegen. De mislukten (die objectief niet perse mislukt hoeven te zijn, maar wel onherstelbaar naar hun eigen maatstaven) gaan verlangen naar hun 'vut' of pensioen en hun hobby. Dat is dan een teken dat ze zich van het begin af niet met de groten hadden moeten meten want die hebben geen hobby. Handleidingen voor hun leven hebben ze niet meer nodig.

Dan zijn er die, alweer naar hun strikt eigen maatstaven, nog niet mislukt zijn. Van hen maakt zich het Torschlussgefühl meester: de deur naar de ware grootheid staat nog op een kier en nu is het tijd voor de laatste totale mobilisatie. Hoe oud was Goya toen hij na zijn barre tocht over de Pyreneeën in Bordaux het zelfportret schilderde waarop hij eruit ziet als een bonvivant van 50? Bijna 77! Hoe oud Picasso, Churchill, Adenauer, al die titanen? De 55-jarige put nieuwe hoop. Hun biografieën zijn geen handleidingen meer maar uitdaging en inspiratie.

Hoogste toppen

De werkelijk groten, dat wil zeggen degenen die zich dat intussen zijn gaan vinden, hebben de biografie als handleiding afgedankt. Ze zijn tot de conclusie gekomen dat ze geen voorbeeld meer nodig hebben maar dit zelf zijn. Ze zoeken naar hun eigen biograaf. Zo ken ik er een paar en ik heb er nog twee gekend. Hoger dan ze gestegen waren konden ze niet. Ze waren gestolde erupties van talent, energie en eerzucht, hoorden tot de hoogste toppen in de Alpen van hun tijd. Misschien kijken de Eiger, de Jungfrau, de Matterhorn en de Mont Blanc elkaar ook weleens aan. Deze heren ontdekten in hun tot graniet geworden grootheid alle vier een nieuw raadsel: wat is eigenlijk groot? En nu ik niet groter kan worden begin ik me af te vragen, uit welke geheime sappen en alchemie mijn grootheid bestaat, en of de grondstoffen en de formule achteraf bezien wel de beste waren. Hoe groot ben ik, op welke manier, en hoe bepaal ik dat? Ben ik werkelijk de staatsman, de tycoon, de tovenaar die ik veertig, vijftig jaar in me heb voelen groeien? Hoe bepaal ik dat? Twee van de heren die intussen zijn gestorven zijn biografieën blijven lezen tot hun laatste snik. Ze bleven twijfelen, zichzelf herzien. Ze hebben hun raadsel niet opgelost.

    • H.J.A. Hofland