Aziaten kijken jaloers naar Europa als stabiel werelddeel

Over de economische opkomst van Oost-Azië wordt doorgaans in superlatieven gesproken. Maar achter het succes gaat een potentieel Armageddon aan historische conflicten schuil. Op een conferentie in Zuid-Engeland werd het Verste Oosten onlangs ontleed. Het lijkt de omgekeerde wereld: Aziaten lieten daar blijken Europa, met zijn verdragen en bondgenootschappen, als het grote voorbeeld te zien.

STEYNING, 30 DEC. De 21ste eeuw zóu de eeuw van Oost- en Zuidoost-Azië kunnen worden, een tijdvak waarin de regio zich dankzij haar onstuimige groei zou ontwikkelen tot het leidende handelsblok ter wereld. Maar het grote gebrek aan onderlinge samenwerking en begrip kan Azië opbreken. “Voor hetzelfde geld staat ons oorlog en ellende te wachten”, sombert de Japanner Kazuo Chiba.

Chiba is in alles een atypische Japanner. De voormalige ambassadeur in Londen, thans diplomaat in ruste, komt bij de sessies over de toekomst van Oost-Azië op het Middeleeuwse landgoed Wiston House voortdurend te laat, draagt geen das, laat zijn boosheid zien als hij boos is en, bovenal: Chiba toont zich niet 'Azië-centristisch'.

Japan, Zuid-Korea en Taiwan ontwikkelden zich na de Tweede Wereldoorlog tot rijke industrielanden. De Volksrepubliek China volgt dit spoor in een razendsnel tempo - al is er nog een lange weg te gaan. Het Aziatische Wirtschaftswunder heeft alom geleid tot ontzag en is door menige monetarist geroemd als het toonbeeld van economische bedrijvigheid. De betrokken Aziaten zelf blonken intussen lange tijd niet uit door zelf-reflectie. Groei, groei, en nog eens groei was het adagium.

Dat de groei zijn grenzen kent, wist men niet, of wilde men niet weten. Japan is daar inmiddels wel achter. Sedert enkele jaren wordt de industriële pionier uit de regio geteisterd door een hardnekkige economische en financiële crisis.

Deze diepe inzinking heeft de Japanners, als eersten van de Oostaziaten, aan het denken gezet. Behalve de naakte waarheid van de stagnerende groei realiseerden Japanse denkers zich 'plotseling' hoe labiel de politieke verhoudingen zijn in hun regio. Een uitbarsting van onopgeloste historische geschillen tussen staten ligt voortdurend als een kruitvat te wachten op een lont.

In Oost-Azië bestaan ten minste drie grote conflicthaarden: de vijandschap tussen de Japanners en de 'andere' Aziaten; de tweedeling van China in een communistische Volksrepubliek en een Nationalistische republiek (Taiwan) en de angst elders in Azië voor het 'Chinese gevaar'; de Koreaanse tweedeling tussen een orthodox-communistisch noorden en een kapitalistisch zuiden.

Bij elk van de tegenstellingen laaien de emoties periodiek fel op, terwijl vreedzame oplossingen in de verste verte niet in zicht zijn. Integendeel, naarmate de tijd vordert gaat de loden last van de geschiedenis zwaarder wegen, met als pièce de résistance de animositeit tussen Japan en zijn buren.

Tussen de Japanners en de andere Aziaten lijkt het nooit meer goed te komen.

Satoshi Morimoto van het Nomura Onderzoeksinstituut in Tokio schetste op de conferentie in Engeland een pessimistisch beeld over de relatie tussen Japan en China op middellange termijn: “In feite bevindt Japan zich in een no-win situatie. Door te investeren in en handel te drijven met de Chinezen maken we hen sterk; en op een dag zal een sterk China zich het Japanse oorlogsverleden herinneren en ernaar handelen. Als we China economisch zouden negeren, zou het land niettemin, met behulp van anderen, omhoog komen en zich op een dag ook het verleden herinneren en ernaar handelen.”

En uiteraard zou Japan een eventuele Chinese militaire aanval moeten beantwoorden, bij voorbeeld met kernwapens. Morimoto vestigde de aandacht op de Aziatische wapenwedloop die sinds het einde van de Koude Oorlog, begin jaren negentig, gaande is. “De militaire kracht van vrijwel elk land in het Aziatische deel van de Stille Oceaan is gestegen. Japan, China en India proberen het groeiende machtsvacuüm op te vullen dat is ontstaan door het gedeeltelijke vertrek van de Amerikanen en de Russen uit de regio. De defensieuitgaven stijgen er per jaar overal met circa tien procent.”

Amerikaanse onderzoekers, onder wie Selig Harrison van de Carnegie Endowment For International Peace, wezen op de gevaarlijke combinatie van het versterken van de strijdkrachten in verscheidene Aziatische landen en de afwezigheid van een onderlinge dialoog. Harrison: “Japan heeft een enorm nucleair potentieel (nu nog vreedzaam in de vorm van kernenergie, red.), waarop onvoldoende controle wordt uitgeoefend en die zou wel moeten plaatshebben.” Morimoto voegde daar aan toe: “Stimuleer nooit onze nucleaire ontwikkeling, want dat is zeer gevaarlijk.”

Jarenlang leek het erop dat het Japanse verleden in het Verre Oosten vergeven en vergeten was. De winstcijfers en de Japanse 'broederhulp' via investeringen ontnamen het zicht op de politieke realiteit. Het was in het belang van China, Taiwan en Zuid-Korea om Japan te paaien; ze deden er hun economische voordelen mee. Maar het nam in de landen zelf de anti-Japanse gevoelens niet weg. Nu blijkt, vijftig jaar na de oorlog, dat niets is vergeten en weinig vergeven. De democratiseringsprocessen in Zuid-Korea en Taiwan van de afgelopen zeven à acht jaar leidden ertoe dat mensen hun mond durven open te doen, ook over toen. Zo hebben de Koreaanse 'troostmeisjes', die 'seksuele diensten' aan Japanse militairen moesten leveren, pas enkele jaren geleden geprotesteerd. Verder heeft de Japanse economische crisis, afgezet tegen de voortgaande groei in de andere landen, daar een gevoel van superioriteit gegeven: we halen de Japanners in.

Ten slotte kampt Japan zelf met een onverwerkt oorlogsverleden. Met enige regelmaat vergalopperen vooraanstaande Japanse politici, tot en met de premier en ministers, zich over de oorlog. De een zegt dat de bezetting van Korea (1905-1945) “op uitnodiging en volgens de wet” gebeurde of “niet zo erg” was; een ander - zoals minister van justitie Shigeto Nagano in mei dit jaar - ontkent dat het bloedbad van Nanking (China, 1937) ooit plaatshad. De frequentie van dergelijke uitlatingen doet vermoeden dat menige Japanse politicus er net zo over denkt, maar het niet zegt.

Het zijn opmerkingen die keer op keer in de Korea's of China tot een golf van woede leiden en de anti-Japanse gevoelens verder aanwakkeren. Het Europese equivalent zou zijn: de Duitse bondskanselier Helmut Kohl die de Duitse bezetting van Nederland of van andere landen tussen 1939 en 1945 'legaal', namelijk wettelijk verordonneerd door Hitler, zou noemen, of dat een Duitse minister de jodenvervolging zou ontkennen.

Terwijl Europa na 1945 via verdragen en bondgenootschappen de lessen van het verleden in praktijk bracht, bleef Oost-Azië op dit punt in gebreke. Het enige forum waarin de Oostaziatische landen - op zeer losse basis - samenwerken is de APEC, de Asian Pacific Economic Cooperation.

De Koreanen en de Chinezen mogen de Japanners niet vertrouwen, op hun beurt boezemen de Chinezen grote angst in bij hun buurvolkeren. Verscheidene landen in de Oostaziatische regio zijn er bepaald niet van overtuigd dat de Chinezen de verleiding - of misschien wel de economische noodzaak door overbevolking - van expansie kunnen weerstaan. In Indonesië is deze vrees het grootst, vandaar dat Jakarta deze maand een uniek defensieverdrag sloot met Australië.

Wang Xiliang, zaakgelastigde van de Chinese ambassade in Londen, reageerde tijdens de conferentie verontwaardigd op wat hij zag als “verdachtmakingen“ aan het adres van China. Wang zei uitdrukkelijk dat “geen enkel land iets heeft te vrezen van China”.

Maar Wang en de andere Chinese deelnemers konden de schijn dat ze door Peking waren gestuurd om de officiële standpunten te verkondigen nauwelijks verhullen. Wang wilde de “binnenlandse kwestie Taiwan” zelfs in het geheel niet bespreken. Tom Hart, directeur van het Centrum voor Azië-studies aan de universiteit van Stockholm, reageerde: “De Chinese benadering van het 'hebben van historische rechten' is in het moderne verkeer tussen staten niet langer acceptabel. Vele landen hebben historische aanspraken op bepaalde gebieden. Dat moet een keer ophouden (...) China heeft het vrije-marktsysteem overgenomen omdat men inzag dat een planeconomie niet werkte en desastreus was voor het land. De Chinese leiders moeten leren inzien dat ook een ondemocratische manier van politiek bedrijven zeer schadelijk is. Democratie is geen ideologische, maar een praktische aangelegenheid.”

De Taiwanees Tien Hung-mao, directeur van het Nationale Instituut voor Politiek Onderzoek in Taipei, ging een stap verder. Volgens Tien is er als gevolg van 'mismanagement' een regelrechte crisissfeer ontstaan en is er een strijd om de macht aan de gang in de communistische partij. “Wij wachten de afloop daarvan rustig af. Vaststaat dat de Taiwanese regering nooit een dialoog met de Volksrepubliek zal aangaan als wij zouden moeten buigen voor de eisen van Peking.”

De derde van de grote regionale tegenstellingen: die op het Koreaanse schiereiland, is evenmin dichtbij een oplossing. De toch al zeer moeizame verlopende dialoog tussen de twee Korea's ligt sinds de dood van de 'Grote Leider' Kim Il Sung, op 8 juli 1994, stil. Alleen de huidige economische ontreddering in Noord-Korea - een combinatie van een vastgelopen economisch systeem en grote overstromingen, afgelopen zomer - kunnen mogelijk voor nieuwe vaart zorgen. Choi Seung Hoh van de Zuidkoreaanse ambassade in Londen was zeer onzeker over de toekomst. “Het Noordkoreaanse regime is voor geen enkele rede vatbaar. Ik geloof voorlopig niet in een doorbraak op het gebied van hereniging. Het Koreaanse scenario is volstrekt onzeker.”

Afgezet tegen zoveel Aziatische onzekerheid spraken met name de Japanse conferentiegangers op onverbloemde wijze hun bewondering uit over West-Europa. Kazuo Chiba: “In Europa bestaat nu een gemeenschap van beschaving. Daar is Azië nog lang niet aan toe.” Een 'Aziatische Unie', naar analogie van de Europese, is een ver, bijna onbereikbaar ideaal, aldus Kazuo Chiba. En Sadaaki Numata, gevolmachtigd Japans minister in Londen, zei: “Ik weet wel dat het in Europa ook niet altijd van een leien dakje gaat, maar er is een dialoog, er zijn verdragen, bondgenootschappen. Stel je voor dat Japan, de Korea's en China om de tafel zouden gaan zitten om te praten over samenwerking zoals in de Europese Unie. Dat zou tot een onvoorstelbaar debat leiden, waar we, vrees ik nooit uit zouden komen.”