Arthur Conan Doyle (1859-1930); In de schaduw van een speurneus

MICHAEL COREN: Conan Doyle

213 blz., geïll., Bloomsbury 1995, ƒ 59,85

MATTHEW E. BUNSON: The Sherlock Holmes Encyclopedia. A Complete Guide To The World Of The Great Detective

326 blz., geïll., Pavillion Books 1995, ƒ 56,65

Arme Arthur Conan Doyle. Hij werd het meest bewonderd om wat hij zelf de minste achtte van zijn talloze geschriften. Al tijdens zijn leven was duidelijk dat hij eeuwig in de schaduw zou staan van zijn geesteskind, de onsterfelijke Sherlock Holmes. Alleen die stapels brieven met dringende hulpkreten bestemd voor “the great detective”, geadresseerd 'per adres' Conan Doyle waren genoeg voor somberheid. In plaats van als een compliment beschouwde hij Holmes' succes als miskenning van zijn literaire kwaliteiten.

Het mocht zelfs niet baten dat hij uiteindelijk zijn eigen voortbrengsel liet vermoorden omdat hij schoon genoeg van hem had en over Oliver Cromwell wilde schrijven. Tien jaar nadat hij Holmes tezamen met zijn grootste tegenstander, professor Moriarty, in een Zwitsers ravijn had laten storten, capituleerde Conan Doyle voor de aanzienlijke sommen die uitgevers hem boden en voor de verontwaardiging van zijn publiek, dat na verschijning van The Final Problem in 1893 massaal een zwarte rouwband had omgedaan. De heilige Holmes herrees.

Thans staat de zaak er vanuit Sir Arthur bezien nog slechter voor: wij kennen zijn 'serieuze' werk zelfs niet meer, hoewel dat indertijd wel degelijk werd gewaardeerd. Vergeten zijn de historische romans, de militaire studiën en de ontelbare boeken en brochures over het spiritisme waaraan hij de laatste vijftien jaar van zijn leven wijdde.

De rivaliteit tussen de schrijver en zijn produkt, dat was een mooie invalshoek geweest voor de nieuwste biografie van Sir Conan Doyle. Temeer omdat de auteur, de Brits-Canadese journalist Michael Coren, al in zijn openingshoofdstuk memoreert hoe de schrijver, toen hij in 1924 terugblikte op al het goeds dat zijn leven hem bracht en op al het belangwekkends dat hij verrichtte, zijn Holmes-verhalen niet eens noemde.

De bittere concurrentie tussen Conan Doyle en Holmes zou ook weer eens een andere kwestie zijn dan die welke de fans al een eeuw lang kwelt, namelijk of Conan Doyle nu de brave chroniqueur Watson was, of dat hij zich in het diepst van zijn ziel toch eigenlijk de geniale speurder waande. “You see Watson, but you do not observe”, zoiets kun je maar beter zeggen dan gezegd krijgen, zelfs al is het de 'best and wisest man' die je dit toevoegt. Voor de Watson-identificatie pleiten Conan Doyles snor, corpulentie, medische opleiding, schrijverschap en zelfgenoegzaamheid, maar aan de hand van een aantal echte, door de auteur opgeloste cases is door Peter Costello in zijn The Real World of Sherlock Holmes (1991) ook het andere standpunt verdedigd.

Walvisvaart

Helaas mist Corens boek zo'n visie. Het door hem gecomponeerde levensverhaal kabbelt keurig voort vanaf de geboorte, in 1859, van een na twee dochtertjes zeer gewenst jongetje in een onbemiddeld Schots gezin, tot de dood van de wereldberoemde, schatrijke Sir Arthur Conan Doyle, eenenzeventig jaar later. Daartussenin lagen een harteloze jezuïetenschool; een medische opleiding met de leermeester die model stond voor de deducties van Holmes; korte tijd een praktijk als huisarts; reizen als arts op de walvisvaart naar de noordpool en tijdens de Boerenoorlog naar Afrika; mislukte pogingen om een conservatieve zetel te bemachtigen in het Lagerhuis; dikke boekwerken; en alle overige bezigheden van een Engels heer van stand, zoals huwelijken, kinderen, avonturen, en reeksen ingezonden brieven aangaande alle mogelijke zaken.

Conan Doyle was een imperialist pur sang. Een wereldrijk waar de zon niet zou onder gaan, actieve sportbeoefening, oorlogsvoering en vaderlandse geschiedenis - dat waren zijn waarden. En dan was er de vrouwenkwestie. Zoals bekend is Sherlock Holmes ook in zijn misogynie ongeëvenaard (“Women are never to be entirely trusted; not the best of them”). Terwijl dokter Watson smelt bij de aanblik van de lieftallige Mary Morstan (in The Sign of Four), ziet Holmes alleen hoe interessant het geval is en hoe gevaarlijk de opponent.

In dezelfde tijd dat Freud zijn hersens pijnigde met de vraag Was will das Weib, verzuchtte Holmes: “a woman's heart and mind are insoluble puzzles to the male.” Conan Doyle was een exponent van het hevige masculinisme dat in reactie op de vrouwenemancipatiebeweging overal in Europa hoogtij vierde tijdens het fin de siècle. Hij was een fervent tegenstander van het vrouwenkiesrecht, en dat zo openlijk dat suffragettes hem tot doelwit maakten. Anders dan zijn hoofdpersoon trouwde hij evenwel twee maal en hij legde, zo lang zij leefde, elke belangrijke beslissing voor aan zijn kleinzielige roomse moeder. Maar misschien is daarmee de vrouwenhaat juist verklaard.

Obsessies

Ook de wetenschap speelt in het leven van Conan Doyle een raadselachtige rol. Want hoe verhoudt het monument van positivisme en empirisme dat hij in Holmes oprichtte, zich tot zijn eigen spiritistische bevlogenheid? Conan Doyle kreeg zijn eerste occulte ervaringen rond 1888. Een echte missionaris van het paranormale werd hij vanaf ongeveer 1920. Hij trok de wereld rond om beroemde mediums te bezoeken, deed mee aan de openbare séances en debatten zoals die toen rond de spiritistische beweging werden georganiseerd, en sprak maar liefst 300.000 mensen toe om hen te overtuigen van het waarheidsgehalte van bewegende tafels en van 'gene zijde' ingegeven teksten.

Hadden die overtuigingen te maken met de dood van zijn moeder? Of met het feit dat hij in de Eerste Wereldoorlog aan het door hem zo verheerlijkte militaire bedrijf een zoon en een jongere broer verloor? Ook hier laat Coren in zijn biografie de spanningen en obsessies van dit laat-victoriaanse mannenleven nagenoeg ongeëxploreerd.

Arthur Conan Doyle schreef zijn eerste Holmes, A Study in Scarlet (1887) als bijverdienste bij zijn magere dokterspraktijk. Het grote succes kwam toen zijn korte verhalen vanaf 1891 werden gepubliceerd in Strand Magazine. In 1901 verscheen 'postuum' (na de 'dood' van Holmes) The Hound of the Baskervilles. Na de serie The Return of Sherlock Holmes (1905) volgden nog de bundels His Last Bow (1917) en The Casebook of Sherlock Holmes (1927).

In totaal schreef hij vier romans en 56 korte verhalen, die keer op keer zijn herdrukt. Sherlock Holmes, hoe onaangenaam hij soms ook lijkt, blijft onweerstaanbaar. En helaas voor Conan Doyle wint zijn geesteskind ook de laatste slag, want van de twee nu ter tafel liggende uitgaven is The Sherlock Holmes Encyclopedia zonder twijfel aantrekkelijker dan de biografie over de schrijver.

In Encyclopedia wordt serieuze wetenschap bedreven, sherlockologie voor beginners zowel als gevorderden. Alles staat er in. De namen, de plaatsen, de parafernalia, de roemruchte en de nog niet opgetekende gevallen, de chronologie der gebeurtenissen, de onvergetelijke uitspraken, de - nog altijd onvoorstelbaar vele - Holmesgenootschappen en zelfs de niet-canonieke teksten. De parodie bijvoorbeeld waarin Holmes' vrouwenhaat en cocaïneverslaving op de divan van Watsons beroemde Weense collega aan een analyse worden onderworpen, en die waarin Friedrich Engels “the last and highest court of appeal in detection” te hulp roept in verband met een huiselijk probleem bij het echtpaar Marx. Ook de film-, toneel- en televisiebewerkingen zijn uitputtend geïnventariseerd, inclusief natuurlijk de vermaarde duo's. Tot voor kort was de combinatie Basil Rathbone/Nigel Bruce volgens mij de beste. Zij begonnen in 1939 en tijdens de oorlogsjaren maakten ze een curieuze serie antinazi-afleveringen, met titels zoals Sherlock Holmes and the Voice of Terror (1942), waarin Holmes Londen redt. Inmiddels vind ik de superneurotische interpretatie van de dit jaar jong overleden Jeremy Brett de mooiste (van wie de NCRV onlangs een paar afleveringen herhaalde).

Nooit was Holmes getourmenteerder. En zo hoort hij. Zo heeft zijn geestelijke vader hem bedoeld. Want het is natuurlijk toch Arthur Conan Doyle, dank zij wiens verbeeldingskracht wij ook deze winter wel weer doorkomen.

    • Jolande Withuis
    • Jolande Withuis is sociologe