Zo moet het over de gehele wereld; Gebundelde artikelen van Gerard Reve

Gerard Reve: Zondagmorgen zonder zorgen. Uitg. Veen, 104 blz. Prijs ƒ 24,90.

In de jaren zestig was het literaire tijdschrift Tirade voor Gerard Reve een vaste burcht. Hij publiceerde er de brieven in die later gebundeld zouden worden in Op Weg Naar Het Einde en Nader Tot U.

Wie het nu verschenen Zondagmorgen zonder zorgen leest, wenst Reve opnieuw één vast podium toe. En dan niet, in hemelsnaam, de (VARA-) televisie maar een relatief afgezonderd podium zoals Tirade dat was. Zondagmorgen zonder zorgen bevat stukken die eerder werden afgedrukt in Elsevier en het Algemeen Dagblad en één van de vier opgenomen brieven aan Rudy Kousbroek stond in 'Roomse Heisa' (1985), Reves verslag in NRC Handelsblad van het bezoek van Paus Johannes Paulus II aan Nederland.

De bundel is geestig, scherp en meeslepend tragisch, maar hij is dat alleen bij vlagen. Zondagmorgen zonder zorgen is een boek van momenten. De grootse openingszinnen van 'Ik kom je heus halen', bijvoorbeeld: 'Elke dag denk aan mijn moeder, en elke dag denk ik aan haar dood. Daar is niets aan te doen.' Of het slot van 'Het Rampjaar 1967': 'Een groot deel van 's mensen levensweg bestaat uit zijpaden. Waarom, dat weet niemand.' Mooie kale zinnen, waaraan af te lezen is dat er veel dood hout voor is weggehakt.

Dat geldt ook voor de passage in de beschouwing over de lijkwade van Turijn, waarin Reve, met een ironische wijsheid, uitlegt waarom de Roomskatholieke Kerk haar leer wel letterlijk MOET verkondigen. Voor de Kerk gelden de wetten van de wederverkoper. Die kan het beste zeggen: ' “God is mens geworden, heeft geleden, is gestorven en begraven, opgestaan van de Doden, en heeft ons voor eeuwig verlost van Zonde en Dood.' Want alleen dan is er een bescheiden kans dat degene die de deur open doet, zegt: 'Dat mag ik horen', of 'Het werd tijd' of 'Zo moet het over de gehele wereld'. ”

Helaas is de kloof tussen deze momenten en het omringende proza vaak groot. Stoplappen en 'geoudehoer' waar géén zegen op rust: regelmatig is er een auteur aan het woord die om zijn regels te vullen dood hout nodig heeft. Zoals een aantal flauwe en vooral bekende grappen over Harry Mulisch en, door de versleten ironie ervan, krachteloze wendingen in het betoog: 'ons bestaan is toch een groot feest?'

Dan zie je de deadline naderen: even niet kritisch zijn, het stukje 'moet door'. Althans, dat is mijn theorie. Dat Reve uitgeschreven zou zijn, wil er bij mij vooralsnog niet in. Bovenstaande passages bewijzen dat, maar ook de stukken over Roland Holst. Over zijn correspondentie met hem schreef Reve al eens eerder. Hij maakte zich er toen wat makkelijk vanaf door te beweren dat hij zelf met schrijven was gestopt, toen bleek dat de brieven van de 'grote dichtervorst' weinig geld waard waren. Deze keer gaat hij er dieper op in: juist Roland Holst blijkt er een punt achter gezet te hebben. Het is aanleiding voor observaties waarin Reve de poëzie van Roland Holst in de kern raakt.''Een dichter die nooit met mij kennis heeft gemaakt ziet toch kans mij een vriendschap op te zeggen die nooit bestaan heeft. Misschien had het iets te maken met die mooie gedichten van hem waar niets in stond.'

Wie zo dodelijk treft, is als auteur nog heel erg in leven.