Woestijnstadje in opstand tegen armoede in rijk Israel

OFAKIEM, 29 DEC. “We moeten op straat vechten om de aandacht van de politici in Jeruzalem voor onze ellende te vragen”, zegt de 26-jarige Dvora Davidjan hijgend. Vorige week werd deze ongehuwde moeder met één kind met 300 andere arbeiders op straat gezet. Zonder enige waarschuwing ging de Oman-textielfabriek in Ofakiem, een triest ontwikkelingsstadje in de Negev-woestijn dicht.

Tegen goedkope textiel uit Azië kunnen de Israelische textielfabrieken, jaren lang de economische ruggegraat van tal van ontwikkelingssteden, niet op. Na zes jaar werk tegen een minimum loon van 800 gulden per maand voelt Dvora Davidjan zich in het gat van de armoede vallen.

Ze hijgt omdat ze met honderden werklozen zojuist met de sterke politiemacht heeft gevochten tijdens een poging om de hoofdweg van Ashkelon naar Beersheba te blokkeren. Tijdens de schermutselingen tussen de grote politiemacht en de demonstranten ging het er zo nu en dan hard toe. Twintig werklozen die geen andere uitweg meer zagen dan tot deze wanhoopsdemonstratie over te gaan werden gearresteerd.

Ofakiem - 22.000 inwoners van wie 6.000 immigranten uit de vroegere Sovjet-Unie en Ethiopië - kwam gisteren in opstand tegen de chronische werkloosheid die dit stadje al jaren lang teistert. Na de sluiting van de textielfabriek is de werkloosheid er tot 22 procent opgelopen, in schrille tegenstelling tot het landelijke percentage dat tot 6,5 procent is gedaald.

Uitzicht op verbetering is er niet en Hinun Halfun (53) is er zeker van dat hij nog heel lang wekelijks armen in Ofakiem, die op de grens van de honger leven, een sabbat-pakket zal moeten brengen. Met een kip, olijfolie, meel, suiker, thee en koffie moeten ze het doen. Een joodse weldoener in Parijs laat deze voedselpakketten via de Al-Agriba-synagoge, waarvan Hinun Halfun de oprichter is, aan maximaal veertien armen verspreiden. “Maar er zijn veel meer armen hier die hulp nodig hebben”, zegt hij.

Dvora Davidjan is er zeker van dat toen ze in de nu gesloten textiel-fabriek nog 800 gulden per maand verdiende onder de armoede grens zat. “Ik moest me wel drie maal bedenken of ik voor mijn dochtertje een paar schoentjes of jurkje kon kopen. Alles wat ik verdiende ging naar eerste levensbehoeften, electriciteit, water en huur”, zegt ze.

Het is deze armoede, dit schommelen op de bestaansgrens, dat in snel groeiende Israelische economie, nauwelijks aandacht krijgt. Met een inkomen per hoofd van de bevolking van 16.000 dollar per jaar staat Israel er op papier goed voor. Niet alleen op papier want wie Israel voor de eerste maal bezoekt wordt verblind door de rijkdom, de luxe woningen, de luxe artikelen in luchtgekoelde koopcentra en de overvolle wegen waarover opvallend veel nieuwe luxe auto's snellen. De minister van financiën Shohat klopt zich voortdurend op de borst dat het zo goed gaat.

Het gaat echter veel beter met de rijken dan met de armen. De sociale kloof in Israel wordt steeds breder, hetgeen blijkt uit rapporten van het bureau van de statistiek en andere instanties over de armoede in het beloofde land. Onlangs kwam het ministerie van sociale zaken met een rapport uit, waaruit bleek dat 700.000 Israeliers, ruim elf procent van de bevolking onder de armoedegrens leeft. Deze “armoedegrens” ligt op een inkomensniveau tussen 500 en 600 gulden per maand.

Slechts een paar dagen werd aan dit schokkende nieuws in de media aandacht besteed waarna ander dramatisch nieuws, waaraan Israel zo rijk is, dit thema weer naar de achtergrond drukte. Gisteren publiceerde de raad voor het kind cijfers waaruit blijkt dat 438.000 van Israels 1.920.418 kinderen ofwel 22,8 procent onder de armoedegrens leven. In Ofakiem valt 16 procent van de kinderen in deze categorie.

Ook al twisten Israelische sociologen over de juiste definitie van de armoedegrens, geven deze steeds weer in andere vorm terugkerende gegevens aan dat de Israelische welvaart een schrijnend sociaal probleem verduistert, een sociale tijdbom die reeds nu tot uitdrukking komt in snel stijgende jeugdcriminaliteit. In Ofakiem hingen gistermiddag tientallen jongeren doelloos in cafe's in het centrum van dit stadje. “Ik ben na mijn dienst al drie jaar werkloos”, zegt een jongen. “Ik zes maanden”, valt een ander bij. “Er is hier geen werk, geen toekomst”.

Dat is ook de klacht van Chava Sultana, een vrouwelijk lid van de gemeenteraad, die gisteren ook bij de demonstratie was. “Wie werk heeft schaamt zich voor de anderen”, zegt ze. “Zo verschrikkelijk is de situatie”. Ze vertelt dat haar twee zonen Ofakiem hebben verlaten en werk in Tel-Aviv hebben gevonden. “Als er geen werkgelegenheid wordt geschapen in Ofakiem droogt deze stad volledig op. Het is de hoogste tijd dat de regering in Jeruzalem aandacht gaat schenken aan de industriële ontwikkeling van de ontwikkelingssteden in de Negev-woestijn”, zegt ze.

“Textiel en voedselindustrieën willen we niet meer. De eigenaren krijgen overheidssteun om zo'n fabriek te openen en als dat geld op is sluiten ze weer. Van dat spelletje hebben we genoeg. We willen high-tech in Ofakiem. Dat is de toekomst en de enige manier om onze kinderen hier te houden”. Minister Shohat van financiën heeft vannacht in de knesseth de hoop uit gesproken dat Telecom op korte termijn de eerste high-tech fabriek in Ofakiem zal neerzetten die 450 werklozen werk zou kunnen verschaffen.

Vlak bij het café in het centrum houdt een op sloffen sjokkende vrouw, in een versleten jas een rabbijn aan. “Ik weet het niet meer”, zegt ze. “Ik heb geen geld meer om de kruidenier te betalen. Ik sta er al lang rood. Wat moet ik doen?” De rabbijn plukt aan zijn baard. Hij staat aan een oplossing te denken maar kan hem niet vinden. Honderden werklozen in Ofakiem verkeren in dezelfde situatie. Bijstand is er, maar die financiële hulp uit de staatskas drukt velen in Ofakiem toch onder de armoedegrens.