Wie kwaad doet, goed ontmoet?

De mens is zwak en feilbaar, en maar al te vaak tot het kwade geneigd. Daarom zijn er wetten - om ons in te prenten wat goed is, en vooral wat kwaad is. Heel veel wetten, want het kwaad neemt de meest uiteenlopende vormen aan. Daarom kan de wet zich niet beperken tot de hoofdlijnen. Hij moet ook aan alle varianten en subvarianten denken. En dus stelt de wet doodslag en diefstal strafbaar, maar ook: het opzettelijk nadelig laten verlopen van onderhandelingen die men van de regering opgedragen heeft gekregen, en het wederrechtelijk oplaten van een ballon waaraan brandende stoffen zijn gehecht, en het als verhuurder opzettelijk onthouden van inlichtingen aan de voorzitter van de Huurcommissie.

Trouwens, er is nog veel meer strafbaar: bijvoorbeeld het als hotelhouder nalaten zijn gasten om een paspoort of identiteitsbewijs te vragen; of het maken van 'candid camera'-opnames (maar alleen als dat in winkels of horecabedrijven gebeurt); of - hoe kan het ook anders - het veranderen van de koers van een schip, als men daar onrechtmatig voordeel mee wil behalen. De regering heeft ook zichzelf niet ontzien: de minister die opzettelijk (of grof nalatig) een onder zijn verantwoordelijkheid vallende wet niet uitvoert, moet met gevangenisstraf rekening houden. Dat u strafbaar bent als u zich bevindt op grond waar 'verboden toegang' staat, mag bekend verondersteld worden. Maar wie even doordenkt begrijpt, dat dat bij bewerkt of bezaaid bouwland, en bij weide of hooiland tussen april en oktober, ook moet gelden als er géén 'verboden toegang' stond.

Als je de wet zo doorbladert, stijgt je bewondering wel. Ze hebben werkelijk aan alles gedacht - ook het plaatsen van een valse naam op een kunstwerk, of het in het publiek bespotten van iemand die een duel niet aandurft (beide zijn natuurlijk strafbaar). Tegelijk ga je je erover verbazen dat er toch af en toe zaken aan de Hoge Raad worden voorgelegd, waarin het lijkt of de wetgever even iets over het hoofd heeft gezien - of althans, waarin advocaten dat zomaar beweren.

De afgelopen zomer speelde er zo'n geval. Het ging om het begrip 'goed', een begrip dat in de strafwet tientallen keren voorkomt. Andermans goed mag je niet wegnemen om het je toe te eigenen (diefstal). Je mag het niet vernielen of beschadigen. Je mag geen goed aan een failliete boedel onttrekken. Je mag er geen gewoonte van maken, goederen te kopen met de bedoeling ze niet te betalen. Je mag geen goederen verwerven als je weet, of donders goed zou moeten weten, dat ze door misdrijf verkregen zijn - en nog veel meer.

Bij al die bepalingen is er meningsverschil over de vraag, wat nu precies als 'goed' mag gelden. Illegaal aftappen van elektriciteit is wèl diefstal van een 'goed' - dat is allang uitgemaakt. Zomaar beschikken over geld dat per vergissing op je girorekening is overgemaakt, is wèl verduistering van 'enig goed'. Maar in het geval dat afgelopen zomer speelde, ging het niet om diefstal of verduistering, maar om afpersing. Dat is, zo ongeveer, het iemand met geweld of bedreiging dwingen om iets af te geven of op te geven. Het lijkt sterk op beroving (diefstal, waarbij geweld wordt gebruikt of met geweld wordt gedreigd). Maar het is toch net iets anders.

Wat was er nu gebeurd? De verdachte had het slachtoffer met een mes bedreigd, en hem zo gedwongen, de pincode bij een betaalpas 'af te geven'. Dat 'afgeven' had er gewoon in bestaan, dat het slachtoffer had gezegd wat het nummer van de pincode was. En de vraag was natuurlijk, of een pincode een 'goed' is, en of dat op deze manier kan worden 'afgegeven'.

Voor degenen die zich ongeduldig afvragen wat dat er in vredesnaam toe doet, even een zijsprong. De wet verbiedt natuurlijk niet alleen afpersing, maar bijvoorbeeld ook 'dwang'. 'Dwang' is het door geweld of bedreiging iemand dwingen om iets wel of niet te doen. Maar op 'dwang' staat een betrekkelijk lichte maximum straf. De maximum straf voor afpersing is twaalf maal zo hoog. Allicht, dat de officier van justitie het gebeurde in deze zaak dus aangemerkt wilde zien als afpersing - in de beleving van het slachtoffer was hij gewoon beroofd. En allicht dat de raadsman er géén afpersing in zag, maar 'dwang' - omdat een pincode nu eenmaal geen 'goed' is, en het zeggen van een pincode geen 'afgeven'.

Het Hof, dat de zaak in hoger beroep te behandelen kreeg, vond dat de verdachte voor afpersing moest worden veroordeeld; maar bij de Hoge Raad liep het beter voor hem af. Hoe ruim je het ook wilt bekijken, een pincode valt niet onder het begrip 'goed' te wringen; en ook 'afgifte' zag de Hoge Raad er niet in. Om iets af te geven moet je zelf de beschikking over het afgegevene kwijtraken. Zoiets was hier natuurlijk niet gebeurd. Dus kon de verdachte - we blijven verdenken, zolang de veroordeling niet onherroepelijk is - hoogstens voor 'dwang' worden veroordeeld, en niet voor afpersing.

Zijn u en ik, in onze gezamenlijke rol van 'de samenleving', nu gediend met dit soort terminologische haarkloverij? Toch wel. De spitsvondige en buitengewoon leuke Engelse schrijver A.P. Herbert laat in een van zijn verhalen de Lord Chief Justice zeggen:

'It is a principle of English law that a person who appears in a police court has done something undesirable, and citizens who take it upon themselves to do unusual actions which attract the attention of the police should be careful to bring those actions into one of the recognized categories of crimes or offences, for it is intolerable that the police should be put to the pains of inventing reasons for finding them undesirable ... It is not for me to say what offence the appellant has committed, but I am satisfied that he has committed some offence, for which he has been most properly punished.'

Dat is natuurlijk onzin, in Engeland net zo goed als in Nederland. Maar met dit fraaie stukje fictie maakt Herbert in een klap duidelijk, waarom er in het strafrecht duidelijk vastgelegde regels moeten zijn; en dat wij er dus niet omheen zullen kunnen, om over de grenzen van die regels met elkaar te blijven debatteren. Dat is in elk geval een groot goed.