Waarom zou de rechtspraak zijn gang mogen gaan?

Daar stond mijn auto met een deuk en de dader was weggereden. Met behulp van een getuige werd hij gevonden en zo kon ik mijn schade van 5.000 gulden op hem verhalen. De rechter vond eigenlijk dat mijn schade hoger was geweest, maar ik had nu eenmaal niet meer geëist, en zo bleef het 5.000 gulden, want een rechter kan niet meer toewijzen dan de eis. De dader moest ook voor de politierechter verschijnen. De officier van justitie eiste een geldboete van 5.000 gulden, maar de rechter vond de eis te laag en maakte er 10.000 gulden van.

Daar is toch iets vreemds aan de hand. Bij de deuk in mijn auto was mijn eis de bovengrens, maar bij de 'deuk' in de rechtsorde hoefde de rechter zich niets aan te trekken van de eis van de officier. Professor Ch. J. Enschede, oud-hoogleraar strafrecht en oud-lid van de Hoge Raad is van oordeel dat de strafrechter niet boven de eis van het openbaar ministerie mag uitgaan. Dat lijkt ook logisch. Het OM komt met uitsluiting van ieder ander op voor de belangen van de gemeenschap (waaronder dat van het slachtoffer). Als het OM, hoeder van onze rechtsorde, meent dat de deuk met 5.000 gulden is hersteld, waarom moet de rechter het dan beter willen weten. Het antwoord is heel simpel. Het OM is weliswaar bedoeld als één en ondeelbaar, maar de werkelijkheid is bedroevend anders. Het OM is in de praktijk veelal niet meer dan een hoeveelheid vakbekwame, maar op zichzelf werkende individualisten. Terwijl toch de bedoeling is dat de rechter uit de mond van de officier een stukje overheidsbeleid verneemt, hoort hij veelal niet meer dan de min of meer interessante opvatting van de toevallig ter zitting optredende officier. Het gevolg is onvermijdelijk een grote ongelijkheid in straftoemeting. Het is volstrekt begrijpelijk dat strafrechters al sinds een jaar of 25 in allerlei verbanden en op diverse manieren proberen tot onderlinge afstemming te komen. Dat is nooit gelukt, en het zal ook nooit lukken. De zittende magistratuur is niet toegerust om een landelijk beleid te ontwikkelen en toe te passen. Dat beseft de minister van justitie heel goed, en haar wens om te komen tot een strakkere aansturing van het OM is uit dit besel te verklaren. Een hoge ambtenaar ten departemente sprak eens de gedenkwaardige woorden: “De hond moet aan de lijn”. In deze weinig vleiende doch uit het hart gegrepen metafoor is de hond de rechter, de lijn het OM en het baasje... zetelt in Den Haag op het ministerie van justitie. De vraag is of de hond nu werkelijk aan de lijn moet. De onafzienbare rij fouten en blunders - ik noem ze niet - die politie en justitie maken lijken de minister even zovele wapenen in handen te spelen om van het OM een strak geleid, voor overheidsbeleid gevoelig apparaat te maken, een apparaat dat zij kan aansturen en met behulp van haar super-PG kan besturen. En wat wil de minister dan met dit OM. Antwoord: zij wil via haar strak geleide OM invloed uitoefenen op de rechter. Zij wil van haar OM een orgaan maken, dat overheidsbeleid bij de rechter op tafel legt. Een beleid waar de rechter, behoudens marginale toetsing en toetsing aan verdragen niet omheen kan zonder zich buiten de democratische orde te plaatsen. En dan krijgt professor Enschede toch nog gelijk. De rechter zal niet zoveel behoefte meer voelen om de eis van de officier te overbieden. De minister wil de rechter dwingen in de rol van marginale toetser van overheidsbeleid.

Nog op een andere manier wil de minister invloed uitoefenen op de zittende magistratuur. Politiek is de kunst van het verdelen van schaarse middelen. Dus ook voor de rechtspraak zijn - helaas - geen onbeperkte financiële middelen voorhanden. Op aanbeveling van het rapport 'Beheersstructuur van de Rechterlijke Organisatie', het rapport van de commissie-Hoekstra, wil de minister de presidenten van de rechterlijke colleges beheersverantwoordelijkheid laten dragen voor de aan de colleges ter beschikking gestelde budgetten. Die gedachte is op zich gezond. Geen bevoegdheid zonder verantwoording. De rechter heeft de taak en de bevoegdheid om in onafhankelijkheid recht te spreken. Hij krijgt daartoe overheidsgelden beschikbaar. De minister wil hem vragen aan te geven welke produktie hij met behulp daarvan denkt te kunnen realiseren. De minister verlangt aan het eind van de budget-periode rekening en verantwoording over de bestedingen. Dit lijkt volstrekt normaal. Echter - ook de commissie-Hoekstra signaleerde dat reeds - er zit een adder onder het gras. De invloed die de minister op deze manier verwerft op het werk van de rechter zou een bedreiging van diens onafhankelijkheid kunnen meebrengen. De noodzaak om aan de produktie-eis te voldoen zou immers een negatieve invloed kunnen hebben op de kwaliteit van het rechterlijke werk. Het is daarom terecht dat de president van en de procureur-generaal bij de Hoge Raad in een brief aan de minister aandacht voor dit probleem hebben gevraagd. Hoe de oplossing eruit zal zien valt nog moeilijk te zeggen, maar dat de presidenten als integrale managers niet slechts beleid voeren, maar in de toekomst ook beheersverantwoordelijkheid zullen gaan dragen, daaraan valt dunkt mij niet te ontkomen.

Professor H.R. Wulf, gastro-enteroloog en filosoof, hoogleraar aan de Universiteit van Kopenhagen, gaf op 2 november j.l. 'De Anatomische Les' in het Concertgebouw te Amsterdam. Zijn onderwerp was: 'Medische Ethiek en Klinische Praktijk'. Zijn door vele van zijn vakgenoten gedeelde opvatting luidt, dat de medische ethiek wordt bepaald door het antwoord op drie vragen, te weten: 1. welke handeling zal voor mijn patiënt de beste gevolgen hebben; 2. respecteer ik met die handeling de rechten van mijn patiënt; 3. welke handeling zou de beste algemene gevolgen hebben als alle artsen onder vergelijkbare omstandigheden op die manier zouden handelen.

Speciaal de laatste vraag plaatst de medische ethiek midden in de economische en politieke realiteit van alledag. Met die vraag erkennen de geneeskunde en de geneeskunst dat de gezondheidszorg een aandachtsveld van overheidszorg is dat zijn plaats behoort te vinden temidden van andere prioriteiten. Ik kan niet inzien waarom de rechtspraak een meer bevoorrechte positie voor zichzelf zou mogen opeisen. De rechtspraak is een prioriteit, zoals er vele andere bestaan. Dat betekent dat de overheid, met respect voor de rechterlijke onafhankelijkheid, een vorm van controle op kwaliteit en op kwantiteit van de rechtspleging moet kunnen uitoefenen. De hond moet niet aan de lijn, maar er mag best een hek om het erf.