Milan Kundera en Dean

Op pagina 207 van Milan Kundera's Verraden testamenten lezen we (in de vertaling van Piet Meeuse): 'De muziek die (doorgaans nogal vaag) rock wordt genoemd, overspoelt sinds twintig jaar de klanksfeer van het dagelijks leven; ze heeft zich meester gemaakt van de wereld precies op het moment waarop de twintigste eeuw vol weerzin haar Geschiedenis uitbraakt; een vraag die me niet loslaat: is dit een toevallige coïncidentie? Of zit er een verborgen betekenis in dit samentreffen van de laatste processen van de eeuw en de extase van de rock? Wil de eeuw zich vergeten in extatisch gebrul? Haar utopieën vergeten die ten onder gegaan zijn in de verschrikking? Haar kunst vergeten? Een kunst die door haar subtiliteit, haar vergeefse complexiteit de massa irriteert en de Democratie beledigt?'

Kop op, flitst het door je heen; maar de Tsjechische denker heeft gelijk. Aan het einde van de eeuw is het extatisch gebrul aan de orde van de dag. Na een Kerstmis van non stop housen is het opvallend stil op straat en in de ziekenhuizen drukker dan gewoonlijk. Hoe sterk het vroeger anders was wordt in deze dagen nog eens duidelijk door de dood van Dean Martin, die geen zanger was maar een crooner. Zo dient zich vanzelf de vraag aan naar het verband tussen populaire muziek en de geest van de tijd.

Croonen: in de grote Van Dale Engels-Nederlands staat: half neuriënd zingen, zacht zingen, en bij crooner: sentimenteel zanger (v. smartlappen). In de twaalfde druk van de gewone Grote Van Dale: enigszins overdreven romantisch, half neuriënd zingen en dan volgt er een citaat van Arthur van Schendel: het croonen, dat naar vergetelheid lokkend neuriën. De crooner is in dit lemma een liedjeszanger die niet luidop maar half neuriënd of declamerend zingt, met de mond vlak voor de microfoon. Het minste wat we ervan kunnen zeggen is dat over het croonen onzekerheid bestaat.

De eerste crooner die ik bewust heb meegemaakt is Jan de Vries, zanger bij het orkest van Ernst van 't Hoff. Dat was in de oorlog. De volken van de westerse beschaving veranderden elkaars steden in puinhopen, dat kon weleens tot een extatische blijdschap leiden. Een door de Duitsers gedoogd nummer van Jan de Vries was toen: Als sterren flonk'rend aan de hemel staan. Dat was een duidelijk voorbeeld van escapisme, zou je nu zeggen.

Ik heb deze voorloper der crooners nooit aan het werk gezien, maar te oordelen naar mijn herinnering van het geluid is het goed mogelijk dat hij de microfoon heel dicht bij zijn mond hield. Zo zing je geen smartlappen. Dat is een ander genre, een kruising tussen het Italiaanse belcanto en de Jordaan in draaiorgeltempo. Neuriën zou ik het ook niet noemen maar daarover kan men van mening verschillen, en 'naar vergetelheid lokkend' was het zeker. Is Arthur van Schendel door Jan de Vries tot zijn definitie gebracht?

De grote tijd van de crooners begint in 1945. Er ontstaan twee partijen: die van Bing Crosby en de Frank Sinatra-partij; de burgerlijk-braven en de anderen die zich dat niet vinden. In de subtop zitten Perry Como en Dean Martin. Is Mel Tormé een crooner in de eigenlijke betekenis? Daarvoor is hij misschien niet glad genoeg.

Hier komen we aan een wezenlijk kenmerk: het croonen op zijn best is een ongelofelijk gesmeerd zingen. Zonder enig obstakel te ontmoeten vloeit de stroom van melodieuze klanken uit de croonerskeel naar de oren van het publiek. De begeleiding heeft zich daarbij aangepast. Het publiek kan tot tranen toe ontroerd worden, zijn crooners adoreren, en tegelijkertijd weet het: er is niets aan de hand behalve alles wat aangenaam is. Het croonen is de tiramisu met bailey's van het zingen.

Omstreeks het midden van de jaren zestig verandert ook hier de geschiedenis. De crooners worden geleidelijk aangetast door het lot van de oude soldaten: they never die; they just fade away. Het is al jaren geleden dat Dean Martin voor het laatst is opgetreden. Toch is zijn dood wereldnieuws op de voorpagina van alle kwaliteitskranten. Een internationale vertedering begeleidt de begaafde schuinsmarcheerder.

Dat is een feit, en zo is het croonen een fenomeen waaraan we filosofie kunnen ophangen zoals Kundera het met de rock heeft gedaan. Maar wat zullen we eens filosoferen? Heeft de eeuw zich eens beseft in de gevoileerde smeerzang van Dean Martin; wil de eeuw zich misschien daarom vergeten in extatisch gebrul? Kundera en Martin: verbaasd zouden ze zijn, zich in dit stukje samen te hebben aangetroffen. Op de klanken van het croonen danste je cheek to cheek; ook zo'n teken van de tijd dat ik nog weleens verklaard zou willen zien.