Ir. J.A. MANUSAMA 1910 - 1995; Kepala negara RMS

Ir. J.A. (Joop) Manusama, die van 1966 tot 1993 president in ballingschap van de Republiek der Zuid-Molukken (RMS) was, heeft zijn politieke denkbeelden nooit in vervulling zien gaan. Bijna de helft van zijn leven woonde hij noodgedwongen in Nederland en nooit heeft hij Ambon, het hoofdeiland van de Zuid-Molukken dat hij in 1950 moest verlaten, teruggezien.

Manusama en de zijnen hebben zich altijd verraden gevoeld. Niet door hun vijand Indonesië, maar door Nederland waarmee zij zich intens verbonden voelden. Niet te ontkennen valt dat het Nederlandse beleid ten aanzien van de Zuid-Molukken in de jaren (1945-1949) van de Indonesische vrijheidsstrijd niet altijd even duidelijk is geweest. Zo was er in 1946 in Nederland nog sprake van de Zuid-Molukken een eigen status, vergelijkbaar met die van Suriname of Curaçao te geven. Ook klonk toen de door vele Nederlandse en Indisch-Nederlandse burgers gesteunde leuze 'Ambon voor de Ambonnezen en Oranje voor allen' waardoor Ambon een soort twaalfde provincie van Nederland zou worden.

Maar toen de Molukken zich afscheidden van Indonesië en in april 1950 de onafhankelijke Republik Maluku Selatan werd gesticht, wist de Nederlandse regering zich geen raad meer. Manusama die naast president Manuhutu en minister Soumokil (buitenlandse zaken), minister van defensie was geworden, heeft in 1951 elf maanden in een Nederlands kamp op Nieuw-Guinea gevangen gezeten totdat hij in 1953 naar Nederland werd overgebracht. Daar gold vier jaar lang een spreekverbod voor hem. Zou hij zich er niet aan houden, dan zou hij naar Texel worden verbannen.

Eenmaal in Nederland aangekomen, kwam Manusama net als op Ambon waar hij van 1947 tot 1950 heeft gewerkt en gewoond, weer in het onderwijs terecht. Tot zijn 65ste jaar was hij verbonden aan een middelbare school in Rotterdam. Tegelijkertijd was hij - vanaf 1966, het jaar waarin door Indonesië tegen de tweede RMS-president C.Soumokil de doodstraf werd uitgesproken en uitgevoerd - kepala negara (staatshoofd) van de door bijna geen enkel land erkende Republiek van de Zuid-Molukken. Vele jaren lang was Manusama de verpersoonlijking van de Molukse strijd en de politieke dromen van zijn volk. In de jaren zeventig kreeg hij tot drie keer toe intensief te maken met gewelddadige acties van Molukse kant in Nederland: de eendaagse bezetting in Wassenaar van de residentie van de Indonesische ambassadeur (augustus 1970), de treinkaping bij Wijster (Drenthe) annex bezetting van het Indonesische consulaat in Amsterdam (december 1975) en de treinkaping bij De Punt/ schoolbezetting in Bovensmilde (mei 1977).

Ondanks alle spanningen waaraan de president-in-ballingschap werd blootgesteld, wist Manusama zijn gezag binnen zijn groep te behouden. Ook in zijn contacten met de Nederlandse overheid en Nederlandse instellingen, wist dit statenloze staatshoofd zijn positie te handhaven. Een bijzonderheid was dat dr. L. de Jong bij diens geschiedschrijving over Nederland en Indonesië in de jaren 1945-1950 ir. Manusama raadpleegde als 'officiële meelezer' voor alle passages over de Ambonnezen.

Manusamas tragiek was en bleef echter dat hij Ambon waar hij slechts drie jaar van zijn leven had doorgebracht, nooit heeft teruggezien. In 1993 op 82-jarige leeftijd hield hij het presidentschap voor gezien en werd zijn plaatsgenoot, de Rotterdamse arts F.L.J. Tutuhatunewa als zijn opvolger geïnstalleerd. Zijn leven karakteriseerde hij negentien jaar geleden in een vraaggesprek met de HP als: “Hier heb ik alles, alleen Ambon niet.”