'Ik heb de eer om die ballen er in te slaan'

Een jaar, sterker nog, amper drie maanden geleden had niemand van Elles Leferink gehoord. Dat veranderde toen ze het Nederlandse volleybalteam naar de verrassende Europese titel leidde. “Het was gigantisch”, zegt de nieuwe sportheldin. Rob Grabert, 298-voudig international, lijkt dit jaar daarentegen aan het einde van zijn carrière als international te zijn gekomen.

Het succes heeft haar niet veranderd. Elles Leferink, net 19 jaar, is dezelfde als toen ze nog in het Twentse dorp Rossum woonde en in de gymzaal bij het plaatselijke Rosstars speelde. “Ik ben gewoon Elles”, zegt ze.

“Ik hoop niet dat het ooit zal voorkomen dat mijn schoenen in de keuken staan en ik hier in de kamer zit. Als dat toch gebeurt, dan stop ik meteen met volleyballen, denk ik. Gelukkig zijn er mensen die me meteen zullen waarschuwen wanneer ik naast mijn schoenen ga lopen. Jij snotneus, zou mijn vader zeggen. Machtig mooi, hè.”

Haar onbevangenheid is schitterend. Zo speelde Leferink bij het Europees kampioenschap, zo is ze ook buiten het veld. Voor elke wedstrijd, hoe belangrijk ook, zwaait ze even naar haar moeder op de tribune. “Ik moet kunnen klooien.” Daarom voelde ze zich een beetje opgelaten toen ze deze maand in het deftige stadhuis van Wenen de prijs voor beste speelster van Europa in ontvangst moest nemen en tevens de Europa-Cuploting moest verrichten. “Ik moest nog Duits spreken ook, best wel eng.”

Ze had voor de plechtigheid onder het colbertje van de kledingsponsor gewoon haar spijkerbroek aangetrokken. “Ik ben niet zo'n jurken- en rokkentype. Ik ben ook niet zo'n dame. Ik ben meer een losse flodder.”

Ze meldt trots dat ze in Wenen een hand heeft gekregen van Lorenzo Bernardi, die tot de beste speler was uitgeroepen. Tegen de meegereisde manager van haar club had ze gezegd dat hij “moest schieten” als zij naast de Italiaanse topper stond. Dus staat ze nu met Bernardi op de foto. “Dat vind ik heel stoer.” Nog leuker vond ze het om verleden week samen met de spelers van Ajax de jaarlijkse sportverkiezing bij te wonen. De volleybalploeg was genomineerd, maar natuurlijk werden de Amsterdamse voetballers tot sportploeg van het jaar gekozen. Sommige volleybalsters vroegen de Ajacieden om een handtekening, Leferink niet. “Ik blijf liever een beetje op afstand. Ik vond het al heel wat dat ik bij ze in de buurt heb gestaan.”

De prijs van Europees speelster, een kristallen bol, prijkt op het bureau in haar kamer in een Utrechts huis voor topsporters. Onderin een kastje staan nog meer bekers die ze door individuele prestaties won. Alleen de gouden EK-medaille ligt thuis bij haar ouders in Rossum. Dat is uit voorzorg. “Want die prijs wil ik echt niet kwijt.” Het goud van Arnhem is voor haar belangrijker dan al die andere prijzen. “We zijn met het team Europees kampioen geworden. Ik word er op aangekeken, maar dat is niet terecht. Het kost de anderen bloed, zweet en tranen om de bal bij de spelverdeelster te krijgen en Riëtte (Fledderus, red.) geeft mij weer die mooie set-ups. Ik heb de eer om die ballen er in te slaan. Zo zie ik het.”

Dat Nederland eerst de grote favoriet Rusland en daarna in de finale Kroatië, met een klinkende 3-0 nog wel, versloeg, begreep niemand. “Ik ook niet”, bekent Leferink. Toch reageerde ze vrij nuchter op de gouden plak om haar nek. “Ik vond 'm wel mooi. Het was zeker ook niet gewoon. Maar als anderen iets winnen, reageer ik anders, emotioneler. Dan gun ik ze het echt. Toen bij de Olympische Spelen het volkslied voor Ellen van Langen werd gespeeld, rolden de tranen over mijn wangen. Ik heb op het erepodium in Arnhem niet gehuild. O nee! Het kwam zelfs niet bij me op.”

Met recht kan bij Leferink van een bliksemcarrière worden gesproken. Het ging zo snel dat ze er zelf ook geen rekening mee had gehouden dat ze de top zou bereiken. “Ik gooide voor mijn leeftijd altijd wel hard...” Maar dat was natuurlijk geen enkele garantie voor een fraaie loopbaan. “Ik wist lange tijd niet eens van het bestaan van een Nederlands team af. Dat gold ook voor de Twentse selectie waarvoor ik ineens werd uitgenodigd.” Steeds verhuisde ze naar een club die weer wat hoger speelde. Van Rosstars naar Set Up '65, van Set Up '65 naar Pollux en nu van Pollux naar De Lange Volco. “Zou het nóg beter kunnen, vroeg ik me elke keer af.”

Ze weet nog dat - toen en nu - haar clubtrainer Pierre Mathieu (“Hij is een vaderfiguur voor me”) een paar jaar geleden voorspelde dat ze tot een topspeelster zou uitgroeien. “Ik lachte hem in zijn gezicht uit. Ik zal dat moment nooit vergeten. Pierre bracht me een keer naar huis. Hij wilde een boterham met kaas zonder boter en een glas melk. Waar mijn ouders bij waren zei hij toen dat ik absolute top zou worden.”

Mathieu kreeg gelijk. Leferink, 'slechts' 1.76 meter, toonde tijdens het EK in Arnhem aan dat ze met haar smashes het blok van de beste teams van Europa kan passeren. Hoe onvervaren ook, ze verzwakte nooit. Leferink kan het best begrijpen dat het de mensen verbaasde. “Heel vaak zie ik het blok niet eens, maar mijn gevoel zegt dan waar ik die bal naartoe moet slaan.” Eén van haar vorige coaches, Toon Gerbrands, noemde dat “het derde oog” van Leferink. “Dat vind ik wel leuk gezegd.”

Ook met haar sprongservice maakte ze grote indruk op het internationale strijdtoneel. Bij het WK voor jeugd in Thailand had Mathieu, tevens bondscoach van Jong Oranje, haar gezegd dat ze goed op de opslag van de speelsters van de topteams moest letten. “Ik ging dus op de tribune zitten en dacht: nu komen er toch knallen. Maar dat viel enorm tegen. En wie werd er de beste serveerster van het toernooi? Ik!”

Ze vertelt het als een grap. “Als Henriëtte Weersing fit was geweest, had nu niemand mij gekend”, relativeert Leferink nog maar eens haar succes. De geroutineerde aanvalster bleek tijdens het EK geen hele wedstrijden aan te kunnen. Dus was Weersing slechts stand-in voor haar opvolgster Leferink. “Ik vond het een gerust idee dat Henriëtte er was als het met mij niet goed zou gaan. Ze heeft me goed geholpen, gaf me tips waar ik veel aan had.” Weersing woont en speelt in Italië en daar kan Leferink ook naartoe. Ze staat na haar goede spel bij het WK jeugd en het EK al volop in de belangstelling van Italiaanse clubs. “Ik kon meteen weg.” Ze twijfelde echter geen moment. Het is haar nog niet om geld te doen. “Dus wat zou ik er dan mee opschieten?”, vraagt ze. “Laat ik eerst maar eens Nederlands leren voordat ik naar het buitenland ga”, zegt ze met de nodige zelfspot.

Ze heeft een Twents accent, slikt vaak de laatste lettergreep in. “Ik vind het wel een leuk taaltje.” Hoewel ze liever niet op de voorgrond treedt, vond ze de huldiging thuis na het EK prachtig. Heel Rossum, 3.000 mensen, liep uit. Ze was niet de eerste inwoner die landelijke faam verkreeg. Het dorp bracht een paar toppers in de paardesport voort, onder wie Jos Lansink. “We hebben wat met paarden. Ik werd ook met een vierspan rondgereden, Sinterklaas later maar met twee. Leuk, hè.”

Tijdens het feest kreeg ze van haar eerste trainer, Jan Stevelink, het shirt, met nummer vijftien, waarin ze met Rosstars als tienjarig meisje haar eerste seizoen speelde. Het hangt aan de muur van haar kamer in Utrecht. Ze moest wel wennen in de Domstad, maar heeft het er nu naar haar zin. Het was logisch dat ze uit Rossum vertrok. Nu is ze sneller bij de trainingen van de nationale ploeg. “Ik denk dat mijn moeder het niet leuk vond dat ik uit huis ging. Maar als ik het vraag, zegt ze: nee, hoor.” Ooit zal ze toch weer voorgoed naar het Tukkerland terugkeren. “Want daar hoor ik thuis.”

Misschien is ze sneller terug dan iedereen verwacht, stelt ze. “Het kan toch ineens weer voorbij zijn?” Het ligt meer voor de hand dat Leferink straks bij de Olympische Spelen te bewonderen valt. De eerste poging van Nederland om zich daarvoor te plaatsen mislukte verleden maand in Japan. In Bremen ligt volgend weekeinde de volgende kans. Gezien de prestaties van het afgelopen jaar hoort het team in Atlanta thuis. “Maar ik wil eerst zien en dan geloven.”