Icarus en de vliegende tering; Bij de ode To Autumn van John Keats

Toen Jan Wolkers voor het eerst het gedicht 'To Autumn' van John Keats las, werd hij bekropen door het gevoel of het gedicht uit hemzelf kwam, of het er altijd was geweest. Het maakte een levenslange passie voor Keats, zijn leven en zijn werk bij hem los, en wekt de meest uiteenlopende associaties. “Een hele kronkeltocht naar de figuur van Keats, want hoe ik zijn gedichten heb ontdekt is nog niet ter sprake gekomen. En dan heb ik nog niet eens verteld dat als ik de naam Roland Holst hoor ik aan Andy Warhol moet denken.”

Een gruwelijke hekel heb ik aan mensen die lezen zoals een sneltrein zich door een landschap vreet, aan lieden van wie de blik van links naar rechts over de regels schiet met gulzige vraatzucht op jacht naar de prooi: de intrige, de plot, het verhaaltje. Het dendert maar door. Een toen.... en toen... en toen. Een kwelling des geestes. Het zal wel te maken hebben met mijn christelijke opvoeding, met het voorlezen uit de Bijbel, dat boekwerk dat de hele Westerse literatuur doordesemt en dat mondjesmaat, per hoofdstuk, per maaltijd aan ons werd opgediend, zodat je wat substantieels had om te overdenken. Als de wolken vol geworden zijn, zo storten zij plasregens uit op de aarde; en als de boom valt, daar zal hij wezen. Wie op den wind acht geeft, die zal niet zaaien, en wie op de wolken ziet, die zal niet maaien. Gelijk gij niet weet, welke de weg des winds zij, of hoedanig de beenderen zijn in de buik van een zwangere vrouw, alzo weet gij het werk Gods niet, Die het alles maakt. En als na zo'n schriftlezing mijn zusters weer gewoon doorgingen gejaagd van hun meisjesboeken te smullen, waarbij met het geritsel van de omslaande pagina's hun wangen roder werden van spanning, kon ik het vaak niet laten om ze te sarren door ze het boek uit hun handen te grissen en met luide stem de ontknoping op de laatste bladzijde van de een of andere weeë liefdesgeschiedenis voor te lezen. 'Het is juist, lieveling, alsof wij vandaag pas verloofd zijn, alsof wij elkander eerst nu geheel en voor altijd toebehoren,' zeide zij. 'Voor altijd!', herhaalde zij met nadruk, en keek hem aan met een uitdrukking van innige liefde. Nu was Ilse's droom werkelijkheid geworden; over weinige minuten zou zij den geliefden man bij het altaar des Heeren voor eeuwig trouw en liefde beloven. En dan gaf ik ze het boekwerkje terug met de mededeling dat de bruiloft te Kana wel iets anders was dan de verloving van Stijfkopje. Het heeft me altijd al tegen de borst gestuit om wijn in water te zien veranderen anders dan door urineren.

Dat bedachtzame lezen en herlezen en nog eens genieten heeft tot voordeel dat je geheugen gevoed wordt met zinnen en situaties die, zelfs tot na de crematie ben ik geneigd te geloven, verankerd liggen in je brein als morellen in brandewijn. Zo weet ik nog als de dag van gisteren dat toen ik in 1950 The Lost Weekend van Charles Jackson las, ik meteen zag dat de openingszin, die de aan alcohol verslaafde hoofdpersoon in een niet bij name genoemd boek leest, uit de verhalenbundel Dubliners van James Joyce kwam. The barometer of his emotional nature was set for a spell of riot. Uit het verhaal 'Counterparts', dat gaat over een kantoorklerk die door zijn baas vernederd wordt en dan als hij beschonken thuiskomt, zijn zoontje Tom met de wandelstok gaat aftuigen omdat hij de kachel uit heeft laten gaan. 'O, pa!' he cried. 'Don't beat me, pa! And I'll . . . I'll say a Hail Mary for you . . . I'll say a Hail Mary for you, pa, if you don't beat me . . . I'll say a Hail Mary . . .' Een gruwelijk verhaal over maatschappelijke vernedering en sadisme die tot gezinsontwrichting leiden, waar men niet zo gemakkelijk met de slogan dat drank meer kapot maakt dan je lief is vanaf komt.

Ik geef toe, dit is een nogal marathonesk ommetje om uiteindelijk bij de Icarus van de dichtkunst aan te komen, waarover dit stuk zal gaan. Maar het is de bedoeling om de sluipwegen van het geheugen te traceren waarlangs men bij het onderwerp terechtkomt. Zo weet ik dat ik de naam John Keats voor het eerst tegen ben gekomen in het laatste oorlogsjaar toen ik De Groote Dichters van Herman Gorter las. Hij richt daarin zijn aandacht uitsluitend op Shelley, waarschijnlijk omdat hij die geëngageerder vond, maar hijzelf vertoont toch meer verwantschap met John Keats, vooral in zijn beginperiode toen hij rijkelijk zijn invloed heeft ondergaan. Een aardige bijkomstigheid is dat zowel Keats als Gorter met de openingsregel van een episch gedicht, van Endymion en Mei, tot op de dag van vandaag in de maatschappij, in het straatbeeld zelfs, zijn doorgedrongen met hun poëzie. Hoe vaak ziet men niet in het voorjaar bij de uitstalling van een groenteman, als de nieuwe raapsteeltjes of de eerste radijs van de koude grond zijn aangevoerd, een bord staan met in krijtwitte letters EEN NIEUWE LENTE EN EEN NIEUW GELUID en in de etalage van menige winkel in wat duurzamer goederen en dan meestal in vergulde kapitalen A THING OF BEAUTY IS A JOY FOR EVER.

In zijn inleiding tot De Groote Dichters kapittelt Gorter Marx en Engels: Het onderzoek naar de kunst, de poëzie, kan nooit gevoerd worden door alleen de materiële productieverhoudingen na te speuren. Het onderzoek moet ook van de andere kant, naar de ziel van de klasse en van de kunstenaar worden gevoerd. Het onderzoek van Marx en Engels is een-zijdig. Door die uitspraak, ik geef toe dat men even de moeite moet nemen wat struikgewas opzij te duwen langs het kronkelpad der herinnering, moest ik denken aan de essaybundel van A. Roland Holst Uit Zelfbehoud waarin ik ongeveer dezelfde mening verwoord vond, zij het wel iets bloemrijker. Iedere boer weet, dat een boom niet alleen uit de grond komt maar ook uit het licht en uit de wolken, en hij zou naar iemand, die hem met ingewikkelde betogen uit wilde leggen dat een boom wel alleen uit de grond komt, niet eens blijven luisteren. Maar een historisch materialist heeft wel net zo lang naar Marx en Dietzgen willen luisteren tot hij er voorgoed zeker van was, dat de Sfinx, de Sapfische ode, de friezen van het Parthenon, de kathedraal van Chartres, de Midzomernachtsdroom, de Negende Symfonie, en een gedicht van Verlaine het alleen aan verhoudingen van in- en uitvoer of manufactuur of grootindustrie te danken hebben, dat zij zo en niet anders werden.

Maar hoe komen we nu bij John Keats? In dezelfde essaybundel van Roland Holst staat ook een stuk over sirenische kunst, over kunstenaars die niet uit angst voor het verlies van maatschappelijk aanzien hun oren met was hebben dichtgestopt voor het verleidelijk zingen van de sirenen. Soms geeft die kunst wat wel een echo schijnt van dat Sirenische zingen, als in 'La belle Dame sans merci' van dien jonge dichter die, kort voor hij van hier verdween, zei dat hij het gras al kon horen groeien en dat zijn naam in water geschreven was. En dat was de onsterfelijke John Keats die, uitgehold door de vliegende tering, op zijn sterfbed fluisterde, toen zijn vriend die hem verzorgde zich over hem heen boog, Don't breathe on me - it comes like Ice.

Een hele kronkeltocht naar de figuur van Keats, want hoe ik zijn gedichten heb ontdekt is nog niet ter sprake gekomen. En dan heb ik nog niet eens verteld dat als ik de naam Roland Holst hoor ik aan Andy Warhol moet denken, terwijl men zich gerust mag afvragen hoe ik de euvele moed heb om deze aristocratische dichter, die zich dikwijls gewapend met wandelstok en slobkousen onledig hield met langs de ruisende branding verheven achter een wezen aan te lopen dat schreef alsof zij nooit zou sterven, durf te associëren met volkse pop-art. Maar een poëzieminnende vriend van mij, die een paar jaar na de oorlog in Bergen aan Zee een bezoek bracht aan Roland Holst, vertelde mij dat hij toen een keukenkast opendeed die volgestouwd was met ordelijk op elkaar gestapelde blikjes Campbell's condensed Tomato Soup. Toen ik een vijftiental jaren later de creaties van Warhol zag met de Campbell's blikjes soep dacht ik, die heeft de keukenkast van Roland Holst opengetrokken. (In 1948, toen ikzelf in die contreien logeerde bij Chris van Geel die met een medeleerlinge van mij aan de Haagse Akademie van Beeldende Kunsten getrouwd was en die mij vergastte op een foto van zijn lid in erectie met een brandende lucifer uit de pisbuis, wat me een vrij gecompliceerde manier lijkt om iemand een vuurtje te geven, was ook Karel Appel daar aan het schilderen, vooralsnog zonder Cobra in de penseelvoering. Een giechel van een donkerharig vrouwspersoon hing lustig het model uit, languissant leunend over een onderdeur van een schilderachtig daglonershuisje. Ik heb me wel eens afgevraagd hoe het met de ontwikkeling van de Nederlandse schilderkunst zou zijn gegaan als hij bij Roland Holst die kast met blikjes tomatensoep had ontdekt en in de keuken zijn ezel had uitgezet. Een absurde vraag misschien, maar toch jammer dat ook in de kunstgeschiedenis de soep nooit zo heet gegeten wordt als hij later wordt opgediend.)

Maar nu dan eindelijk over de gedichten van Keats. (Om kort te gaan wis ik even uit mijn geheugen dat Chris van Geel toen over Roland Holst tegen mij zei, 'Ach, hij verzoent je met de haute bourgeoisie' en dat vele jaren later, toen ik Roland Holst ontmoette hij tegen mij zei, sprekend over Van Geel, 'Die man doet zich voor of hij een landhuis met renstal tot zijn beschikking heeft.')

Toen ik in het begin van 1947 voor het eerst de zolderkamer op de Leidse Rijnsburgerweg betrad van de jonge Zeeuwse die later mijn eerste vrouw zou worden, lag daar op de tafel Golden Hours with English Poets. Het was de beknopte geschiedenis van de Engelse dichtkunst voor de middelbare school, samengesteld door ene W. van Doorn, Litt. Doc., English Master in the Zaandam Lyceum, die in het woorwoord schreef dat hij hoopte dat hij met deze anthologie de jeugd zou leren to go for other, and better, joys than those afforded by football, motoring, or radio. (De arme man kon ook niet vermoeden dat bij de dichters van amper een generatie later de radio uit menig kwatrijn op zou blèren Dit wordt niet meer door u gehoord: /de Parelvissers en Zarah Leander, / de Serenade van Toscelli enzovoort / als het begon, dan riepen wij elkander en dat een orgastische strafschop of een geraffineerd en broederlijk uitgevoerd één-tweetje een leidmotief zou worden in nogal wat sonnetten.)

Ik ging meteen bladeren op zoek naar de dichter wiens naam in water geschreven stond. Via sonnetten van Shakespeare, Not marble, not the gilded monuments / Of princess, shall outlive this powerful rhyme, Milton, On his blindness. When I consider how my light is spent / Ere half my days, Coleridge, die over Engeland dichtte Farmhouses that at anchor seemed, kwam ik bij John Keats. The opening lines of 'Endymion'. A thing of beauty is a joy for ever: / Its loveliness increases; it will never / Pass into nothingness. En toen ik een blad omsloeg lag daar de ode 'To Autumn' voor me. Season of mists and mellow fruitfulness, / Close bosom-friend of the maturing sun. Ze moest er als scholiere ook veel van gehouden hebben, want ze had indertijd vooral bij dat gedicht nogal wat woordjes opgezocht en de betekenis ervan in haar meisjeshandschrift in de kantlijn erbij geschreven.

Ik had het gevoel alsof dat gedicht uit mijzelf kwam, alsof het er altijd al geweest was. Ik las het zo vaak dat ik het binnen een week uit mijn hoofd kende. En dat is mijn hele leven, tot op de dag van vandaag, zo gebleven. Kan het zijn omdat Keats en ook ikzelf tegen het eind van oktober geboren zijn? Niet dat ik in een lots- of karakterbepalende invloed van die wemelende vuurbrij hoog boven ons geloof, maar het moet toch wel verschil uitmaken of je in de klamme warmte van augustus of bij de koele zondoornevelde temperatuur van oktober voor het eerst van je leven, uit die lauwe zak met vruchtwater, aan de buitenlucht wordt blootgesteld. Of de zure lucht van het smetten der borsten en de zweetdoortrokken atmosfeer van de hondsdagen je prille universumpje van genadeloos zomerlicht was of dat je in de mistgedempte gouden schittering van de herfst aan koele tieten als pasgeplukte Williamsperen hebt vertoefd. And fill all fruit with ripeness to the core. Er nog van afgezien dat een vuile luier, die in de zomerhitte stinkt als een open riool in Azië, in de herfst samen schijnt te vallen met de gefermenteerde geur van sporen opwolkende aardappelbovisten en neerdalend vergeeld blad. Nu rieken eerst de dingen scherp en stekend.

Later, toen we lazen dat 'To Autumn' op 19 september 1819 geschreven was, herdachten we op die datum altijd die sublieme gebeurtenis. Melancholiek en feestelijk, een goddelijke combinatie. Hoe arm we ook waren, altijd met champagne. Soms met vrienden en dan lazen we om de beurt het gedicht voor, zonder declamatorische foefjes, in simpele eenvoud. Vaak in de buitenlucht, als het weer een blauwdruk was van het gedicht. While barrèd clouds bloom the soft-dying day,/ And touch the stubble-plains with rosy hue.

Op een keer, aan het eind van de jaren vijftig, lagen we op die rinse septemberdag met z'n vieren (mijn vriend en ik waren zo stom geweest om twee ongeletterde mokkeltjes mee te nemen, waarbij de lust tot de buitenkant beperkt bleef) in een roeiboot in de dekking van een gelende rietkraag tussen de wegrottende waterleliebladeren die vlokkig naar de bodem dwarrelden. Omdat we de glazen vergeten waren dronken we de champagne uit de koeler en dat drinkt nogal schielijk zodat we na verloop van tijd vrij laveloos en bijna spottend aan het declameren sloegen, hierin nog verstout door de aanwezigheid van de beide rietsirenes die ons natuurlijk straalgek vonden. Maar ineens zeilde er geruisloos een visarend vlak over ons heen. Hij keek ons aan alsof hij ons daar verwachtte. Omdat het een jonge vogel was in jeugdkleed dat een beetje slordig om hem heen zat zag hij er niet schrikwekkend roofvogelachtig uit maar als een gevleugelde schim van de dichter die ons meewarig en verwijtend opnam, ook al had hij in 'Sonnet Written on Seeing the Elgin Marbles' geschreven, Forgive me that I have not Eagle's wings. We zwegen een hele poos, de meisjes voelden zich zichtbaar onbehaaglijk. We stopten toen de gedichtenbundels maar in onze tassen want we waren te ver heen en bepaalden ons tot drinken. En mijn vriend ging zelfs staande op de achterplecht van het wankele bootje met een sprankelende boog in het water staan urineren terwijl hij, met als achtergrondmuziek het gekletter, vrolijk probeerde te zingen, Ik zie de zon, al schijnt ze niet. Ik jubel het uit, ik zing en ik fluit, Het hoogste lied. Maar toen we in de wolkenomslierte avondzon terugvoeren over het oranjerode water vol duistere rimpelingen, waren we zwijgzaam en weemoedig, alsof we een zuivere liefde door potsierlijke uitgelatenheid te schande hadden gemaakt.

Toen de welvaart toenam en we de beschikking kregen over grammofoonplaten van 'English Poets' luisterden we vaak als die septemberdag in regen en mist versmoorde en verwaterde zodat we niet naar buiten konden de maturing sun tegemoet, naar 'To Autumn' voorgedragen door Derek Godfrey. Maar dat was toch niet het ware. Het was net of De val van Icarus geschilderd was door de Fluwelen Brueghel in plaats van door zijn vader. Of de schapen daarop van het geiteweitje kwamen. And full-grown lambs loud bleat from hilly bourn. Het staat daar zo stoer en simpel. Menig voordrachtskunstenaar haalt een gedicht te rijkelijk door de stroop der declaratie. En dat mag je John Keats niet aandoen. Je moet hem voorlezen zoals hij geschreven heeft. In alle eenvoud.

Het is nu, in 1995, tweehonderd jaar geleden dat John Keats geboren werd. Het korte leven van de met zijn gezondheid worstelende dichter hing tussen 1795, het jaar dat hij geboren is, en 1821, zijn sterfjaar, aan de zijden draad die hij met zijn gedichten gesponnen had. Dat snoer parels, waarvan 'To Autumn' beslist de allergaafste is, is in een paar jaar ontstaan, inderdaad zoals hij schreef, as naturally as the leaves to a tree. Of zoals parels in een oester ontstaan. Want zingen is slechts hartstocht van een zweer. En wie moet niet denken aan het schilderij van Johannes Vermeer, De Parelweegster. Alsof een liefderijke muze met mild ontzag die parels van zijn poëzie, niet op een goudschaaltje, maar op een parelschaaltje weegt.

In de herfstvakantie gingen we met het hele gezin naar Londen om in de British Library een kleine tentoonstelling die daar ter ere van de tweehonderdste geboortedag van John Keats was ingericht te gaan bekijken en een bezoek te brengen aan het Keats House in Hampstead. Het was een herfst zoals er waarschijnlijk geen tweede geweest was in tweehonderd jaar. De bomen in de parken in Londen waren behangen met doorwrocht geel en puur goudoker. Luisterrijk! Het leek wel of de goden die hem zo lief hadden gehad dat ze hem vroeg tot zich hadden genomen, hem ook herdachten en van de hele wereld één groot feestelijk 'To Autumn' maakten.

The British Library is gevestigd in een zijvleugel van het British Museum, dus voor je de bibliotheek ingaat, loop je even de Griekse afdeling in om te kijken naar de zogenaamde Elgin Marbles, de door de zevende Earl of Elgin, Thomas Bruce, die tegen het einde van de achttiende eeuw Engels ambassadeur was aan het Ottomaanse hof, verzamelde brokken beeldhouwwerk van het Parthenon. In 1817 kwamen ze in het British Museum te staan, waar Keats ze als jongeman even in de twintig met verrukking en ontzag aanschouwde. Hij schreef erover in een sonnet, Forgive me that I cannot speak / Definitively on these mighty things. Je probeert even door zijn ogen te kijken naar die machtige gestalten van het oostelijk timpaan van het Parthenon, toen de mens zo in evenwicht leek met de schepping dat hij de goden naar zijn beeltenis gestalte gaf.

In de bibliotheek loop je eerst door vitrines met incunabelen. Eerste drukken van de Canterbury Tales van Chaucer, een notenschrift van Händel uit de Messiah 'Behold the Lamb' met een kaartje erbij, Autograph composition draft of Messiah, 1741., handschriften van Swift en Dryden en terwijl je in ademloze bewondering over de Carrara Herbal uit het veertiende-eeuwse Italië gebogen staat en ziet hoe schitterend een komkommer en een meloen in waterverf zijn weergegeven, met ranken en blaadjes en al, zodat er weer een dichtregel uit 'To Autumn' in je opkomt, To swell the gourd, and plump the hazel shells / With a sweet kernel, ontstaat er achter je een kermisachtige luidruchtigheid in deze bijna gewijde omgeving, een gedrang van jewelste. Men heeft ontdekt dat er Beatles-documenten in een vitrine liggen. De teksten van 'Yesterday', 'A ticket to ride', 'There are places I remember'. Slordig neergekalkt in viltstift doorsmeerd met melige poppetjes en hanepoterige muzieknoten. Jeugdfoto's van Paul McCartney en John Lennon. Het publiek eromheen is net een leger mieren dat een kadavertje van een rups gevonden heeft en dat gezamenlijk gaat wegslepen. Eindelijk iets echt van hun gading.

Het bescheiden zaaltje dat aan John Keats gewijd is, is op een paar Bloomsburygroep-achtige dames na verlaten. Je loopt zo tegen een liggende vitrine aan waarvan het glas afgedekt is met een paar theekleurige gordijntjes. Als ik die opzijschuif ligt daar het handschrift van 'Ode to a Nightingale'. Het enige dat duidelijk leesbaar is is tender is the night. Ik schuif de gordijntjes weer zo snel mogelijk dicht want je hebt het gevoel dat het vage schrift zienderogen kan vervluchtigen. Even verderop liggen een paar maskers in gips. Het ene is in 1816 gemaakt, toen hij 21 jaar was. Het andere is een dodenmasker dat een dag nadat hij gestorven was gemaakt is. Bij een dodenmasker kijk je toch altijd of er niet een stukje huid aan het gietsel is blijven kleven. Can death be sleep, when life is but a dream. Als ik dieper over de maskers heenbuig, zodat ik de profielen kan vergelijken, zie ik dat het dodenmasker een veel te grote neus heeft. Daar moet nog aan geknoeid zijn. Misschien is het gips niet gaaf uit de vorm gekomen en heeft men het bijgewerkt. Dan lees ik dat het masker gemaakt is door ene Gherari. Laat nooit je dodenmasker door een Italiaan vervaardigen! Voor je het weet lijk je op een clown van Fellini.

Er is een vitrine met sonnetten van Keats die gepubliceerd zijn in het radicale weekblad The Examiner in 1816 en 1817. 'On First Looking into Chapman's Homer' en 'To Solitude', onder andere. Ik ben altijd erg benieuwd geweest naar de uiterlijke vorm en de typografie van dat blad, maar dat is een teleurstelling. De lay-out is zo benauwd en knullig dat het de indruk wekt of het Wierings Weekblad de buurtdichter aan het werk heeft gezet.

Als ik een gravure bestudeer die naar een schilderij van Claude Lorrain Landscape with Psyche outside the Palace of Cupid, The Enchanted Castle gemaakt is, kom ik in gesprek met een vrouw die haar neus bijna door het glas voor de afbeelding prikt en het zou me niets verwonderd hebben als ze gevraagd had of ik ook weet of op het originele schilderij niet minder herten om de rustende Psyche verwijlen. Maar ze vraagt me of Keats ook mijn lievelingsdichter is. Dan vertelt ze dat ze uit Finland komt en speciaal voor deze tentoonstelling hierheen is gevlogen. Als ik haar zeg dat we een schitterende voetballer in Nederland hebben die uit Finland komt, zegt ze met stralende ogen, 'Oh yes, Litmanen.' Dat ze hem zo op Keats vindt lijken dat hij wel zijn tweelingbroer zou kunnen zijn. 'Dat zou een evenement zijn, Keats en Litmanen met een één-tweetje door de verdediging,' zeg ik. Maar ze vindt voetbal een te ruwe sport voor een dichter. Maar ik zeg dat Keats heus geen, wat ze tegenwoordig 'een watje' noemen was, a piece of cotton-wool. Dat hij in zijn jeugd zelfs een vechtersbaas genoemd werd en dat hij een keer een slager in elkaar heeft geslagen die een kat kwelde. En dat Byron, die opgeblazen namaak-Griek met de helm van Mambrino op zijn blaaskaak die van schrik de heldendood stierf bij de slag bij Missolonghi, hem zelfs 'that little dirty blackguard' noemde. Ach, het is wel aardig, zo'n chique zaaltje met getaande bibelots en vergeelde en verrimpelde documenten, maar in wezen blijft het een krakkemikkige leidraad voor stofsnuffelende speurneuzen. Bezinksel, dat bij uitzondering een vleug van de geur heeft bewaard van het bruisende leven van deze bezeten dichter. Droog voer voor lieden die de vlinder pas gaan bestuderen als hij opgeprikt is. Als je de dichter wilt beleven moet je de ether laten staan. Als je de bloem wilt bewonderen kan je het herbarium beter gesloten houden.

In de taxi, op weg naar Keats House in Hampstead, lees ik in de krant een artikel over Keats. In love with Keats again. Een twaalftal dichters is uitgenodigd om tijdens een picknick in Stansted Park in Hampshire over Keats te praten en te filosoferen en wat hij voor hen heeft betekend. Here is a setting whose beauty and tranquility is punctured only by the shrill cries of peacocks. It seemed poetic enough. (Kennelijk geschreven door iemand die de door merg en been snijdende imitatie van de pauw in Hard & Zielig van Hans Teeuwen niet heeft gezien en gehoord.) Onder de kop 'The Terror of Death' is het sonnet afgedrukt When I have fears that I may cease to be / Before my pen has gleaned my teeming brain.

Het Keats House ligt aan een smalle weg overhuifd door bomen en aan beide zijden begroeid met haagvormige struiken en geboomte dat de landhuizen aan het oog onttrekt. Het is een eenvoudig wit huis met een hardstenen stoep die naar de verdieping leidt boven het souterrain. In het tuingedeelte ervoor staat een kleine pruimeboom waarbij een bordje staat: This plum tree replaces the one beneath which John Keats wrote Ode to a Nightingale.

Als we naar binnen gaan, net of je er woont want er is geen loket noch bewaking en het is gratis, ontmoeten we in de hal alsof het een oude bekende is een man die een boekje geschreven blijkt te hebben over Keats vanuit het gezichtspunt van de arts. Hij vraagt mij ineens terwijl hij mij indringend aankijkt, 'What set you on Keats?' Als ik hem uitleg dat we dan op de bank voor het huis moeten gaan zitten en er minstens vier uur de tijd voor moeten nemen om dat haarfijn uit de doeken te doen, vlucht hij met een groet van zijn hand luchtigjes naar buiten bij dat vooruitzicht.

Eerst gaan we naar de zitkamer van Keats. Rechts is een openslaande glazen deur die uitzicht biedt op de achtertuin waar een grijze eekhoorn nerveus over het gazon schuiert. Boven de schoorsteenmantel hangt dat vreselijke schilderij van Keats, geschilderd door Joseph Severn in Rome, dus uit zijn hoofd, waarop de kleine woeste dichter, die niet groter was dan 'Five feet and thee-quarters of an inch', eruitziet als een rijzige Russische pianist die te zeer door zijn melancholieke moeder verwend is en zich verfijnd weet te vervelen. Rechts en links van de schoorsteenmantel hoge boekenkasten, een muurtafeltje met slechts twee voorste poten waar het moeilijk oden aan schrijven zal zijn geweest, en je vraagt je dan ook af, nee, je weet het zeker, hier is het werkhol van een dichter door de roem en de tijd tot deftigheid getransformeerd. En je herinnert je een aanhaling uit een brief, 'I was never afraid of failure for I would sooner fail than not be among the greatest.' In een vitrine ligt een gouden sieraad in de vorm van een Griekse lier, waarvan de snaren van het hoofdhaar van Keats vervaardigd zijn. Je voelt even met ingehouden woede of de vitrine afgesloten is, want je krijgt de onweerstaanbare neiging om die haren van het potsierlijke harpje af te grissen en in de tuin, tussen de takken van de eeuwenoude moerbei, aan de wind prijs te geven.

Dan gaan we langs een nauw stommeltrapje naar de slaapkamer van Keats. Een klein bed voor de kleine dichter. Er is een hemel boven waarvan okergeel bebladerde gordijnen afhangen. Er staat een commode en een rond tafeltje met een stijve stoel erachter. Stond er maar een raam open dan zouden de gordijnen om het bed, die op een grote wiegekap lijken, bewegen alsof er nog ergens leven huist. In gedachten hoor je deuren slaan, de stem van Charles Brown, zijn medebewoner, die hem overhaalt om naar bed te gaan als hij drijfnat en ijskoud thuiskomt uit Londen. En even later hoort hij hem kuchen en in zichzelf zeggen, 'That is blood from my mouth. Bring me a candle, Brown, and let me see this blood.' Als hij het bloed op zijn kussen bij kaarslicht bekeken heeft, constateert hij kalm, 'I know the colour of that blood, it is arterial blood, it is my deathwarrant, I must die.'

Jaren geleden heeft een vriendin van mij aan het graf van Keats in Rome een paar maartse viooltjes voor me meegenomen. Ik heb ze op mijn terrein geplant op een beschermde plaats waar ze niet door de ruigte overgroeid worden. Ieder jaar breiden ze zich verder uit en in het vroege voorjaar verschijnen er steeds meer van die intens paarse bloemetjes, die men wel juwelen mag noemen. Maar als de winter komt met de eerste nachtvorst en de blaadjes zijn wit uitgeslagen met een kartelrand van ijzel is het of ik de stem van de stervende dichter hoor toen zijn vriend zich over hem heen boog en hij zijn laatste woorden uitsprak, Don't breathe on me - it comes like Ice.

To Autumn

I

Season of mists and mellow fruitfulness

Close bosom-friend of the maturing sun;

Conspiring with him how to load and bless

With fruit the vines that round the thatch-eves run;

To bend with apples the mossed cottage-trees

And fill all fruit with ripeness to the core;

To swell the gourd, and plump the hazel shells

With a sweet kernel; to set budding more

And still more, later flowers for the bees

Until they think warm days will never cease

For Summer has o'er-brimmed their clammy cells.

II

Who hath not seen thee oft amid thy store?

Sometimes whoever seeks abroad may find

Thee sitting careless on a granary floor

Thy hair soft-lifted by the winnowing wind;

Or on a half-reaped furrow sound asleep

Drowsed with the fume of poppies, while thy hook

Spares the next swath and all its twined flowers:

And sometimes like a gleaner thou dost keep

Steady thy laden head across a brook;

Or by a cider-press, with patient look

Thou watchest the last oozing hours by hours.

III

Where are the songs of Spring? Aye, where are they?

Think not of them, thou hast thy music too, -

While barred clouds bloom the soft-dying day

And touch the stubble-plains with rosy hue;

Then in a wailful choir the small gnats mourn

Among the river sallows, borne aloft

Or sinking as the light wind lives or dies;

And full-grown lambs loud bleat from hilly bourn;

Hedge-crickets sing; and now with treble soft

The red-breast whistles from a garden-croft;

And gathering swallows twitter in the skies.

JOHN KEATS