Hof gedoogt verheimelijken opsporingsmethoden

AMSTERDAM, 29 DEC. De politie mag anonieme burgerinfiltranten inzetten voor proefaankopen van drugs om op het spoor van de georganiseerde misdaad te komen. Dit heeft het gerechtshof in Den Haag bepaald in de zogeheten Ramola-zaak.

Het hof vernietigde een uitspraak van de rechtbank in Rotterdam. Deze vond de handelwijze van politie en justitie zo ondoorzichtig dat zij het recht tot strafvervolging vervallen verklaarde. Het hof vindt dat de zaak gewoon doorgang kan vinden.

Pseudokoop van drugs ten behoeve van inlichtingendoeleinden is volgens de richtlijnen eigenlijk niet toegestaan. Het gevaar van een verboden 'uitlokking' (waarbij de verdachte wordt gebracht tot iets wat hij eigenlijk niet van plan was) is te groot. Het gebruik van burger-infiltranten (lees: criminele infiltranten), in plaats van politiefunctionarissen die tenminste onder ambtseed staan, is bovendien zeer omstreden.

In de Ramola-zaak had het openbaar ministerie ook nog eens de pseudokoop aanvankelijk achtergehouden voor de rechter; hij kwam pas via een protest van de verdediging aan het licht.

De Ramola-zaak vertoonde dus serieuze juridische gebreken. Op zichzelf hoeven die echter niet fataal te zijn, rechters hebben de afgelopen twintig jaar een “bijna onbegrensde coulance” aan de dag gelegd, signaleerde de Amsterdamse hoogleraar strafrecht Schalken eerder dit jaar in een annotatie in de Nederlandse Jurisprudentie. “Procedurele fouten worden toegedekt of weggemasseerd, bevoegdheden opgerekt en als ook dat niet helpt, ziet de Hoge Raad gewoon niets”, zei een andere hoogleraar strafrecht in Amsterdam, mr. C.F. Rüter, in een voordracht op de Rechercheschool in 1992.

De reden is duidelijk: de zware drugscriminaliteit. Deze maakt dat rechters heel lang vinden - ook als politie en justitie fouten maken - dat “het maatschappelijk belang bij vervolging dient te prevaleren”, zoals het gerechtshof te Amsterdam het uitdrukte in een geval van 955 kilo cocaïne. Dat was echter voor de parlementaire enquête van de Commissie-Van Traa over de opsporingsmethoden.

Er valt over te twisten wat het meest onthutsende van de hoorzittingen was, de mate waarin de gebruikte methoden uit de hand zijn gelopen of de volstrekt verstoorde gezagsverhoudingen. Verheffend was het in elk geval niet. Vertrouwenwekkend evenmin. “Wat een gedraai en gelieg”, noteerde een gepensioneerde politiecommissaris met onverholen afkeer in een vraaggesprek.

Voorzitter Kruizinga van de Algemeen Christelijke Politiebond zag aan de vooravond van de openbare verhoren de bui kennelijk al een beetje hangen en waarschuwde dat de enquête niet dient uit te draaien op een publieke terechtstelling van de ambtsdragers bij politie en justitie. “Ook de rol van de rechters is belangrijk”, zei hij met nadruk tegen het Algemeen Dagblad. Er dient goed te worden nagegaan “wat zij allemaal hebben goedgevonden”.

Hoe gevoelig deze kant van de zaak ligt bleek onlangs uit een vraaggesprek van het Nederlands Juristenblad met de super-procureur-generaal Docters van Leeuwen. Hem werd de vraag voorgelegd: De rechters hebben toch veel door de vingers gezien? Daar wilde de beoogde voorzitter van het openbaar ministerie 'ex nunc' (achteraf) geen uitspraak over doen. Maar hij sprak het ook niet tegen.

De Commissie-Van Traa heeft een paar rechters gehoord (onder meer uit de Ramola-zaak), maar slechts in het voorbijgaan. Het is de vraag of dit voldoende recht deed aan de 'gedoogziekte', zoals Rüter het noemde.

Vorige week billijkte de Hoge Raad - alsof de geloofwaardigheid van de opsporingsinstanties deze herfst voor de enquêtecommissie niet tot op haar grondvesten had geschud - de discutabele stelling dat het niet hindert als dingen voor de rechter worden achtergehouden zolang boos opzet maar niet is aangetoond.

Anders dan de rechters in Rotterdam heeft het Haagse hof er dan ook geen moeite mee dat het openbaar ministerie in de Ramola-zaak “niet aanstonds opening van zaken heeft gegeven”. De opgegeven reden (bescherming van de informant) voldoet. Toch ziet ook het hof een complicatie: “Het mag niet zo zijn dat geheel en al van de verdediging afhankelijk is of kennis wordt verkregen over een toegepaste opsporingsmethode”.

De rechters zijn bang dat dit alleen maar het gebruik van dubieuze opsporingsmethoden aan de kant van de verdediging in de hand zou werken. Dat is een gerechtvaardigde zorg, maar wel de consequentie van hun toegeeflijkheid. Het hof zegt niet hoe het de gevreesde wapenwedloop denkt te voorkomen.

Een belangrijke reden om de inzet van de infiltrant te billijken is dat de proefaankopen niet direct tegen de verdachte in kwestie zijn gebruikt; ze dienden alleen als 'sturingsinformatie'. Zelfs als de verdachte zou zijn uitgelokt, dan gaat het toch om andere handelingen dan waarvoor hij ten slotte terecht moet staan, zodat hij zich “ten volle kan verdedigen”.

Er is volgens het hof pas reden voor rechterlijk ingrijpen wanneer aannemelijk wordt gemaakt “dat de verdachte door toedoen van de politie onlosmakelijk in het drugsmilieu is beland”. Aangezien de leer van het 'determinisme' (ontkenning van de wilsvrijheid van ieder mens) in de moderne strafrechtspleging weinig aanhangers vindt, is dat een nogal theoretische mogelijkheid.

Het hof vindt bovendien dat de rechter het openbaar ministerie “slechts in uitzonderlijke gevallen” het recht kan ontzeggen een strafproces te voeren aangezien dit orgaan binnen de rechtsstaat een ruime beslissingsvrijheid heeft over te gaan tot het instellen van een strafvervolging tegen verdachten.

De oude Romeinen hadden daar al een term voor: “petitio principii”. De vraag is nu net of het OM dit recht niet verspeelt wanneer het methoden gebruikt of dekt die op gespannen voet staan met de rechtsstaat die zijn legitimatie vormt.