Hoe oud werd Stentor eigenlijk?

De rubriek heeft deze keer nieuwswaarde. Jórgos Katsarós, een naar Amerika verhuisde rebetis (niet te verwarren met de gelijknamige componist/saxofonist die tijdens de kolonelsjunta foute liederen heeft geschreven) is dezer dagen naar Griekenland gekomen voor concerten in Thessaloniki en Athene. De nieuwswaarde schuilt daarin dat hij 107 jaar oud was, en inmiddels 108 is geworden.

Eens in de vijftig jaar komt Katsarós naar zijn oude vaderland. In 1927 deed hij dit, en in 1987 weer. Dit was een extra bezoek, ter gelegenheid van een grote conferentie van Grieken-buiten-Griekenland, die in Thessaloniki werd gehouden.

Tijdens zijn voorlaatste bezoek had ik hem ook gehoord, in een Atheens theater, en hij bleek nog nauwelijks veranderd. Hij gold toen als 95 jaar oud, maar inmiddels heeft men bij de burgerlijke stand op zijn geboorte-eiland Amorgós ontdekt dat er nog drie jaar bij moeten. Hij is daar in 1888 geboren. Zijn familie toog in 1909 naar Athene, waar zijn moeder kokkin werd op het koninklijk paleis.

Al op zijn eiland had hij de gitaar leren bespelen en als vijfentwintigjarige emigreerde hij naar de Verenigde Staten, waar hij met zijn merkwaardige stem al gauw populair werd en allengs grote faam kreeg. Hij leerde alle filmsterren kennen en raakte, zoals hij zelf met graagte memoreert, bevriend met de latere president Roosevelt, met de gitarist Segovia en met de gangster Al Capone, die zo verrukt was van zijn zang dat hij de zaak waar hij optrad gratis 'veiligheid' verleende. “Aleko”, zei Jórgos. “Als je zo doorgaat loopt het slecht met je af.” En aldus geschiedde.

Hij maakte in Amerika historische opnamen, waarop hij als eerste liederen uit het grijze verleden zong van onbekend gebleven componisten, zoals 'Als ik dood ga, wat zullen ze zeggen' en 'Moeder, de dokters hebben het me verteld', een lied op de tbc dat het hoofdnummer was van een serie grammofoonplaatjes, toepasselijk 'Grieks genoegen' geheten. Er moest door de zanger bij worden gehoest, en later werd het een groot succes in Griekenland.

In de jaren twintig en dertig volbracht hij tournees over zowat de hele wereld, overal waar Grieken woonden, met uitzondering van de Sovjet-Unie, waar hij als Amerikaan niet werd toegelaten. Dit zou hij nog steeds inhalen. Ook wil hij, zoals hij ons toeriep, een volgende keer naar Amorgós, waar hij sinds 1909 niet meer is geweest.

Katsarós is een frêle gestalte met een prachtig witte haardos op een lieve kop. Men zou hem hooguit 85 geven. Bij zijn onafscheidelijke gitaar, nog slechts zeventig jaar oud, zingt hij een bont programma van serenades, oude succesliedjes maar ook enkele stevige en 'zware' rebetika. Zingen is niet helemaal het woord, hij roept ze af met een stentorstem (Hoe oud werd Stentor eigenlijk?) waaruit het lieflijke geluid van zijn vroegere opnames moeilijk meer valt te destilleren. Bij tijd en wijle, vooral ook in een fraaie amanè (treurzang), komen nog fraaie effecten. Maar wat vooral opvalt is dat hij nu mooier praat dan zingt, en praten doet hij erg veel.

Wat dat betreft is er niets veranderd sinds 1987. Steeds weer vraagt hij het publiek, quasi verbaasd: “Vindt u het mooi? Vindt u het werkelijk mooi? Hebt u plezier?”, en op het steeds weer loeiend ja, antwoordt hij: “Dan heb ik ook plezier. Ik ben nog lang niet klaar, hoor.”

Omdat het eigenlijk niet zo mooi was ben ik in 1987 in de pauze weggelopen, maar daar is nu geen sprake meer van. Ik sluit mij aan bij de eivolle zaal, die geen woord van de prachtige man wil missen. Een toppunt van succes bereikt hij als hij vertelt van een politie-inval in een tentje in Piraeus, begin van deze eeuw, waar hasj werd gerookt. “Bátsi heetten die lui in onze tijd”, roept hij, tot grote hilariteit want zo heten ze nog steeds. En het rebetiko-lied dat volgt krijgt hevige instemming: “Ga nu maar weg, batsi, ga aan jullie werk, dan gaan wij aan het onze.” Katsarós is een levendige bevestiging van het feit dat softdrugs geen levensgevaar inhouden.

Een duidelijke verklaring van zijn lange leven heeft hij niet. “Ik heb steeds gedaan en gegeten waar ik zin in had. Aan vrouwen geen gebrek, maar getrouwd ben ik niet, want zo'n partnership geeft te veel binding. En dan de muziek natuurlijk.” Inleider Panayótis Kaounádi vertelt nog even dat zijn bloeddruk acht bij twaalf is - dat willen de Grieken altijd weten - en dat hij in Thessaloniki drijfnat is geregend waarop hij zei: “Regen moet er ook zijn.

”Bij het laatste, aandoenlijke nummer, dat met begeleiding van de muziekgroep 'Winterse Zwemmers' wordt gebracht en dat 'Het gestorven ezeltje' heet, memoreert hij hoe in het begin van de eeuw talloze ezels door Athene liepen met op hun rug koopwaar. En hij imiteert even diverse ventgeluiden. Een toegift komt er niet, hoezeer het publiek daar ook op aandringt. “Hebben jullie het werkelijk mooi gevonden? Kom volgende keer allemaal terug en zorg vooral gezond te blijven!”