Henk van Os maakte van het 'Rijks' een museum onder 1 dak

ROTTERDAM, 29 DEC. Als een donderslag bij heldere hemel kwam gisteren de aankondiging van het vertrek van prof. dr. H.W van Os in 1996 als algemeen directeur van het Rijksmuseum in Amsterdam. Ook in het Rijksmuseum zelf, aldus een woordvoerder. De kunsthistoricus Van Os (1938), op dit moment op vakantie en onbereikbaar voor commentaar, neemt in november 1996 afscheid van 'het Rijks' en keert dan terug naar de universitaire wereld. Hij wordt universiteitshoogleraar aan de Universiteit van Amsterdam, een nieuwe functie die niet aan één faculteit of vakgroep gebonden is.

Volgens J.P. Filett Kok, directeur Collecties van het Rijksmuseum, vertrekt Van Os omdat de taken waarvoor hij zich bij zijn aantreden in 1989 gesteld zag, voltooid zijn. De verzelfstandiging van het Rijksmuseum is op 1 juli van dit jaar gerealiseerd. Het Rijksmuseum is van een rijksdienst veranderd in een stichting met een Raad van Toezicht. “Er zijn wel problemen”, aldus Filett Kok, “maar die zijn er altijd bij een grootscheepse operatie als de overgang van een overheidsorganisatie naar een zelfstandig bedrijf. Bovendien blijft Van Os het eerste moeilijke jaar na de verzelfstandiging nog in functie.”

Ook heeft Van Os de directiestructuur van het museum veranderd. “Functioneerden de verschillende collecties van het museum vroeger als vijf musea onder één dak, onder Van Os is de samenwerking tussen de directeuren van de verzamelingen vergroot.” Dat heeft volgens Filett Kok de 'slagvaardigheid' van het museum vergroot. De laatste jaren is het aantal Nederlandse bezoekers van het museum gegroeid. Van Os maakte het Nederlandse publiek attent op belangwekkende exposities en stukken uit de verzameling via de media. Vooral zijn veelbekeken televisieprogramma Museumschatten, waarin hij met persoonlijke bezieling uitleg gaf over kunstwerken, vergrootte de naamsbekendheid van het Rijksmuseum. Op het moment onderhandelt Van Os met de AVRO over een kunstprogramma voor het seizoen '96-'97.

De meest succesvolle exposities die onder Van Os' directeurschap werden gerealiseerd, zijn de Rembrandt-tentoonstelling in 1991 (meer dan 400.000 bezoekers), de Dageraad van de Gouden Eeuw in 1993 (300.000 bezoekers) en zijn 'eigen', favoriete tentoonstelling Gebed in Schoonheid, over laat-middeleeuwse privé-devotie.

Van Os zal zich in zijn nieuwe functie aan de universiteit niet bezighouden met bestuurstaken of facultair geregeld onderzoek en onderwijs. Volgens drs. J.K.H. Gevers, voorzitter van het College van Bestuur van de Universiteit van Amsterdam, wordt Van Os “als eerste universiteitsprofessor” aangesteld. “Na hem zullen er nog één of twee van dergelijke professoren komen, die naar voorbeeld van buitenlandse universiteiten boven alle andere faculteiten staan.” Van Os zal zich vooral gaan richten op de bestudering van de relatie tussen kunst en media, de popularisering en het 'verhalen' van kunst, aldus Gevers.

De benoeming van de directeur van het Rijksmuseum door het Amsterdamse College van Bestuur komt niet als een verrassing. Gevers pleit zelf al jaren voor een betere integratie van kunst in de samenleving en voor een universiteit die opnieuw een centrum wordt van kunst, cultuur en wetenschap. Van Os is gespecialiseerd in laat-middeleeuwse Italiaanse schilderkunst maar zei in een interview eens zich 'in de eerste plaats algemeen kunsthistoricus te voelen'. “Daarom ben ik gelukkig dat Van Os deze functie gaat invullen”, aldus Gevers.

Over de opvolging van Van Os beraadt de Raad van Toezicht van het Rijksmuseum zich.