Geknakte flexibiliteit

DE ARBEIDSMARKT in Nederland kan wel wat meer flexibiliteit gebruiken. In haar algemeenheid bestaat over die stelling weinig meningsverschil. Maar de nota 'Flexibilisering en zekerheid' die minister Melkert (sociale zaken) na veel interne worstelingen begin december heeft geproduceerd, heeft vooral tot ruzies aanleiding gegeven. De onenigheid in het kabinet heeft tot gevolg gehad dat Melkert het onderwerp flexibilisering voor nader overleg heeft moeten doorschuiven naar de Stichting van de Arbeid. Dat is een zwaktebod. Melkert beet politiek in het zand en is er niet in geslaagd om zijn oorspronkelijke nota door het kabinet aanvaard te krijgen. De samenwerking in de sociaal-economische driehoek van het kabinet heeft schade opgelopen. Tussen de ministers Zalm en Wijers aan de ene en Melkert aan de andere kant is de flexibiliteit verdwenen.

Bij de opstelling van de Partij van de Arbeid is de laatste tijd iets veranderd. De PvdA is kennelijk uit op grotere sociale profilering om te onderstrepen dat het links-liberale kabinet niet alleen liberaal maar ook vakbond-links is. Zoals bleek bij de draai van 180 graden die het Kamerlid Van Zuylen maakte over de winkelopeningstijden. Hoewel persoonlijk een verklaard voorstandster van maximale openingstijden, boog ze voor de vakbondsvleugel in de fractie en daarmee haalde ze zich de ergernis van de coalitiegenoten in de Kamer op de hals.

Er zijn meer recente voorbeelden. Melkert kwam in het ontwerp van zijn flexibiliseringsnota met meer zekerheden (en dus starheden), duo-voorzitter tevens Kamerlid Vreeman haalde uit naar het asociale gezicht van D66, fractievoorzitter Wallage hield een pleidooi om bij de komende monetaire unie rekening te houden met de werkgelegenheid, Kamerlid Van der Ploeg relativeerde de noodzaak om de staatsschuld te verminderen en fractiegenoot Adelmund maakte een nummer van de onaantastbaarheid van hoogte en duur van de uitkeringen.

HET MERKWAARDIGE is dat deze voorstellen met elkaar in tegenspraak zijn. De beste manier om de sociale zekerheid veilig te stellen is meer mensen aan het werk (en dan geen Melkert-baan) te helpen door de toegang tot de arbeidsmarkt te vergemakkelijken. Hoe meer van de ruim twee miljoen mensen ònder de pensioengerechtigde leeftijd die nu een uitkering ontvangen, worden opgenomen in het arbeidsproces, des te beter. Een lagere staatsschuld draagt daartoe bij omdat dit leidt tot lagere rentelasten - en daarmee lastenverlichting in het vooruitzicht stelt. Lagere lasten vertalen zich in een groter besteedbaar inkomen voor burgers en verlagen de arbeidskosten voor het bedrijfsleven.

Vermindering van de inflexibiliteit op de arbeidsmarkt helpt natuurlijk ook. De nieuwe zekerheden die Melkert in zijn flexi-nota wilde inbouwen, bijvoorbeeld op het gebied van het uitzendwerk en proeftijden, stonden haaks op het veel gehoorde pleidooi (ook van Melkert zelf) voor 'werk, werk, werk'. Het sociale gezicht bestaat aldus uit vriendelijkheid van de minister jegens de vakbeweging. Dit heet politiek bedrijven.

Een ander geluid komt van Wijers. Hij pleitte onlangs voor een 'Wijers-norm' voor de participatiegraad in het jaar 2005: dan moet zestig procent van de potentiële beroepsbevolking een betaalde baan hebben. Daartoe zou het aantal uitkeringsgerechtigden onder de 65 jaar met een kwart moeten verminderen en zouden in tien jaar een miljoen nieuwe banen tot stand moeten komen. Het is de ambitieuze manier om maatschappelijke uitdagingen tegemoet te treden.

DE SCHERMUTSELINGEN over de flexibiliseringsnota hebben zich lange tijd buiten het zicht van het publiek afgespeeld. De ministers van financiën en van economische zaken, beiden pragmatisch ingesteld en wars van politieke spelletjes, hebben zich grenzeloos geërgerd aan het optreden van collega Melkert. Op financieel en sociaal-economisch terrein schuiven de VVD en D66 steeds dichter naar elkaar toe en raakt de PvdA in toenemende mate geïsoleerd.