Een wijs hart

'De eeuwige Toevlucht voor den vergankelijken mens' staat boven psalm 90, de oudejaarspsalm bij uitstek. Dat we vergankelijk zijn, we weten het, maar zelden zo als aan het eind van het jaar. Het is of je dan ziet wat je anders alleen maar weet: dat jaren voorbij waaien, dat een leven zo maar uitgeleefd kan zijn. Dus een eeuwige toevlucht, zoals psalm 90 ons belooft - graag. Die toevlucht, dat is natuurlijk God: 'Here, Gij zijt ons een toevlucht geweest/ van geslacht tot geslacht;/ eer de bergen geboren waren'. Meer intuïtief dan logisch gaat het in zo'n psalm toe: de bergen waren nog niet geboren, de aarde was nog niet voortgebracht en toch was gij al God en dus een toevlucht. Hier gaat het niet over feiten en waarneembaarheden, dat is vanaf de eerste regels duidelijk. Deze psalm wil het over een onbevattelijke tijdspanne hebben, over zoiets onbestaanbaars als 'van eeuwigheid tot eeuwigheid'. Wat is een mens daarin? Nog niet eens Luceberts beroemde broodkruimel op de rok van het universum. Zo'n kruimel is al veel te substantieel.

Hoe voor God de tijd is, daar gaat de psalm nog even op door:

Want duizend jaren zijn in uw ogen

als de dag van gisteren, wanneer hij voorbij gegaan is

en als een nachtwake.

Gij spoelt hen weg;

zij zijn als een slaap in den morgen

als het gras dat opschiet;

in den morgenstond bloeit het en het schiet op

des avonds verwelkt het en het verdort.

Duizend jaar, weggespoeld. Het eigen oudejaarsgevoel verbleekt hierbij. Al die kleine jachtige dagen - wat zijn ze als duizend jaren al vergankelijk als gras zijn? Hoe oud worden we helemaal? 'De dagen onzer jaren, daarin zijn zeventig jaren, en, indien wij sterk zijn, tachtig jaren.'

Nu kan het lijken dat deze psalm helemaal niet doet wat hij heeft toegezegd, want nog nietiger, nog kleiner zijn we immers geworden, terwijl ons toch toevlucht beloofd was. Maar vreemd genoeg helpt het vaak, vooral in getob en verdrietigheden, om aan dit grotere perspectief te denken. Hoe meer vastgelopen tussen de alledaagse zorgen die bergen lijken, hoe meer het oplucht om te denken aan 'voor de bergen geboren waren'. Aan een blik die dit leven met gemak omspant, aan hoe weinig een leven is: 'wij voleindigen onze jaren als een gedachte'. Zo worden de dagen onzer jaren onderdeel van een veel groter geheel.

Het mooie van de psalmen - als ze mooi zijn, want sommige zijn wel erg doortrokken van wraakzucht en toorn en staan vol verzoeken om de vijanden te vernietigen, liefst tot ver in hun nageslacht - is dat ze zo onbekommerd en vanzelfsprekend namens 'ons' spreken, ons allemaal, wij, de mens. Het is een vorm waardoor men zich wel wil laten meeslepen, het is vaak niet moeilijk om de psalmzanger zijn gebeden na te zeggen. Vooral niet als hij vraagt om iets dat wij allemaal wel graag zouden willen, een van de mooiste verzoeken die ik ken:

“Leer ons zó onze dagen tellen

dat wij een wijs hart bekomen.''

Elk jaar weer met oudjaar is het dat verzoek dat opblinkt uit deze psalm, de reden om hem elk jaar, liefst vlak voor twaalven, te lezen. Hardop, zoals het al zoveel jaren door zoveel mensen gedaan is. Weer een jaar 'want het gaat snel voorbij, en wij vliegen heen', weer die vraag. Dat hij nog maar jaren mag klinken. 'Van eeuwigheid tot eeuwigheid' als dat zou kunnen.