Een passie voor sneeuw; De droom van de eerste voetstap

In Nederland valt slechts decoratiesneeuw, een schoonheidsmiddel voor een geschonden landschap. De sneeuw die in de Alpen valt is poolsneeuw. “Sneeuw kan werkelijk onbegaanbaar zijn en je bent pas echt met sneeuw vertrouwd als je je daarmee weet te verzoenen.”

Wekenlang wezen ook de berichten uit Zwitserland op een verbluffende herfst: voortdurend zon en temperaturen boven normaal, koeien onbekommerd in de wei, wandelaars met opgerolde hemdsmouwen in de bergen.

Pas bij Grasshoppers-Ajax kwam de ommekeer. Dat was op woensdagavond 1 november, een zouteloze partij, 0-0. Maar het regende en het was maar negen graden celsius.

Regen en negen graden in Zürich - dan zou het op tweeduizend meter wel eens kunnen sneeuwen en tot tweeduizend meter was ik zeker bereid te gaan.

Noordelijke stromingen, binnenvallende kou. Die zaterdag moest hier in Nederland al een ijzige substantie van de autoruiten worden gekrabd. Ik werd naar het station gebracht en stapte om half negen in Utrecht over op de Berner Oberlandexpres.

Voordeel: er mag worden gedoezeld.

Nadeel: je kunt je hond niet meenemen.

We reden over de Veluwe en de bossen lagen heerlijk in de najaarszon. Wat zal het hier, dacht ik, mooi zijn als er sneeuw ligt. Ja, juist als een landschap helemaal in orde is, juist als ik me ergens volkomen op mijn gemak voel - wat zal het hier mooi zijn als er sneeuw ligt. Mijn hoofd zit vol bestemmingen voor een winterdag. Terwijl ik weet: als er dan een keer sneeuw ligt kun je net zo goed gewoon in de polder blijven, dan is het bij huis al mooi genoeg.

Mijn verlangen naar sneeuw.

Als ik het onder woorden moest brengen zou ik waarschijnlijk beginnen over het mysterie van de herstelde ongereptheid, de droom van de eerste stap. Maar of dat werkelijk nodig is? Ik bedoel, mijn hond is ook dol op sneeuw en die zou dergelijke woorden nooit van z'n leven gebruiken.

Daar zat ik aan te denken en onder de oppervlakte van deze gedachten verbreidde zich een voortijdig gevoel van melancholie. Omdat ik wel nooit meer zoveel sneeuw zou meemaken als in het jaar dat inmiddels achter de rug was. Omdat ik wel nooit meer in één jaar zo vaak naar Grindelwald zou gaan.

Dit was nu de vierde keer en wat sneeuw betreft: steeds geluk.

Grindelwald ligt bij een van de machtigste bergketens van Europa. We waren er al ik weet niet hoe vaak geweest, maar altijd in de zomervakantie en dat begon me te storen. Ik ben een beetje eenkennig, ik ken liever één plaats in alle seizoenen dan alle plaatsen in één seizoen.

Daarom maar eens een weekend in januari. Het hele dal was met sneeuw bekleed, de stenen in de Lütschine hadden witte wollen mutsen op. De eerste nacht viel er nog een flink pak bij en de volgende morgen scheen de zon alweer.

Nadat ik zo'n driehonderd meter boven het dorp met gevaar voor eigen leven een skipiste was overgestoken, kwam ik in een strook bos langs een diep ingesleten beek. Er was, wist ik, een pad en er was, wist ik, een bruggetje. Onder een meter sneeuw.

Onzeker stond ik in de wand van die kleine kloof. Ik kon niet verder, ik kon niet terug, het zweet brak me uit. Een schuiver en het kon wel een week duren voor je hier, maar net buiten de bewoonde wereld, gevonden werd. En behalve onzeker voelde ik me ook belachelijk. Want waarom stond ik daar? Omdat ik zo'n gezonde Hollandse jongen was. Omdat ik de weg wist. Omdat ik mij niet op mijn kop liet zitten door een beetje sneeuw.

Ik geloof dat ik op dát moment het verschil ben gaan begrijpen tussen decoratiesneeuw en poolsneeuw.

Ik noem dat decoratiesneeuw omdat het in Nederland maar al te makkelijk is om sneeuw als versiering op te vatten, schoonheidsmiddel voor een geschonden landschap.

En ik noem dat poolsneeuw omdat ik de Alpen in navolging van verschillende plante- en diersoorten als een dependance van de Noordpool heb leren beschouwen.

Uit poolsneeuw vormen zich gletsjers, oneindig trage rivieren van ijs, hier en daar verrijkt met oude stukken steen of hout, of het stoffelijk overschot van mens of gems.

Poolsneeuw kan ook aanleiding geven tot lawines. De Engelse alpinist Joe Simpson beschrijft in Het schimmenspel hoe hij eens werd meegesleurd in het Mont-Blancmassief.

Sneeuw spoot zijn neusgaten in en vulde zijn mond. Zijn borst werd samengedrukt en geluiden vervaagden. In zijn hoofd klonk een dof gebulder, als van de branding op een ver steenstrand, en alles werd schimmig en grijs.

“Zwemmen”, schrijft hij. “Dat zegt iedereen: als je in een lawine terecht komt moet je zwemmen. Ze hadden er niet bij gezegd dat het is alsof je in natte beton zwemt, en dat de golven sneeuw je lichaam in de meest verwrongen en pijnlijke houding dwingen.”

En dat is dan nog maar het verhaal van iemand die het heeft overleefd.

Daar aan de Mühlebach, waar ik in januari zo vermetel mijn weg had gezocht, lag nog steeds sneeuw toen ik half april voor zes weken mijn intrek nam in een nabijgelegen chalet.

Zes weken! Ik mag wel zeggen dat ik nu weet hoe het in de Alpen lente wordt. ik zou wel een roman kunnen schrijven over een man die weet hoe het in de Alpen lente wordt. (Merkwaardig, ik begin altijd pas aan fictie als ik min of meer zeker ben van de werkelijkheid.)

Die winter, zeiden ze in het dorp, was er voor het eerst in tien jaar een normale hoeveelheid sneeuw gevallen.

In het begin volgde de sneeuw aan de zonkant van het dal precies onze hoogtelijn - 1300 meter. Achter het chalet lag een korstige witte vorm op de grond. Schaduwsneeuw.

Schaduwsneeuw klampt zich vast aan haar bestaan. Schaduwsneeuw probeert de volgende winter te halen.

Langzaam, langzaam week de winter terug naar zijn zomerkwartieren. Achteraf komen die zes weken me voor als één eindeloze patrouille langs de sneeuwgrens. Elke dag erop uit om te zien hoe ver je kon gaan. Bijna hallucinerend. Alsof ik die grens eigenhandig moest opschuiven. Alsof het geen lente zou worden als ik binnen bleef.

Momenten van stagnatie. Tot aan je liezen in de sneeuw. Je kon weer eens niet voor- of achteruit en het besef van steilte sloeg je met schrik om het hart. Ik geloof dat ik toen heb geleerd dat sneeuw werkelijk onbegaanbaar kan zijn en dat je pas echt met sneeuw vertrouwd bent als je je daarmee weet te verzoenen.

Aan de andere kant: als je naderhand terugkwam op zo'n plek, als de sneeuw dan gesmolten was en als je dan nog eens rustig om je heen keek - dan kon je je niet voorstellen dat er gevaar was geweest en dan nam je je voor: de volgende keer laat ik me niet zo makkelijk intimideren.

Goed, over die dingen zal altijd wel een hoop onduidelijkheid blijven bestaan. Het feit dat je het kunt navertellen heeft in dit verband weinig betekenis. Dat je nog leeft wil niet zeggen dat je geen stommiteiten hebt begaan.

Dus die worsteling tussen de seizoenen. Elke stap terug van de winter was een stap vooruit voor de lente. Waar het ene moment nog een randje sneeuw lag, bloeiden het volgende moment al krokussen en sleutelbloemen. Vogels drongen onstuimig op. Gemzen trokken zich geleidelijk terug op hogere hellingen. En als het dan nóg eens begon te sneeuwen, kwam het hele zaakje weer in vliegende vaart naar beneden. Tot driemaal toe viel er tot vrijwel op de drempel van het chalet een pak lentesneeuw en toen had ik er eerlijk gezegd schoon genoeg van. Nu was het welletjes, nu moesten eerst die arme dieren maar eens!

Voor dieren, besef je dan, is sneeuw eigenlijk altijd poolsneeuw.

Het stond ondertussen ook wel vast dat veel sneeuw tot het najaar zou blijven liggen. Zelfs op betrekkelijk geringe hoogte. Zelfs al werd het nog zo'n hete zomer.

Schaduwsneeuw.

Ik herinner me dit woord uit een prachtige kleine roman van Max Frisch (De mens treedt op in het holoceen), over een voorzichtig dementerende meneer Geiser die nog één keer een bergwandeling maakt.

Bij het doorbladeren kan ik het zo gauw niet terugvinden. Wél een paar onderstreepte zinnen aan het eind. “De natuur heeft geen namen nodig. Dat weet meneer Geiser. De stenen hebben zijn geheugen niet nodig.”

Zo is het maar net, meneer Frisch. Onze voetstappen sneeuwen dicht en er is weldra niemand die ze mist.

Eind augustus zaten we in datzelfde chalet voor een week vakantie. Na een reeks hittegolven kwam er opeens een koufront aan. Op maandag de 28ste begon het drastisch af te koelen en overvloedig te regenen. Dan doe je een dagje boodschappen. Maar op dinsdag regende het nog steeds.

We besloten de kortste weg naar boven te nemen. Dan loop je op 1500 meter het bos in en daar veranderde de regen in natte sneeuw; al gauw werden we volledig ingesloten door dwarrelende vlokken. Op 1900 meter, de boomgrens, mondt het bospad uit op een bergweggetje en daar stonden we dan - tot onze kuiten in de sneeuw en sneeuw is natuurlijk beter dan regen, lang niet zo nat, maar dit beviel ons eigenlijk helemaal niet - Iris niet omdat ze van warmte houdt en mij niet omdat een bepaalde route, die in het voorjaar onmogelijk was gemaakt door sneeuw die nog niet ver genoeg was teruggeslagen, nu alweer werd versperd door sneeuw die te ver was opgedrongen.

Toen kwam er een koe om de bocht - eerst het geklingel van haar bel, daarna het beest zelf.

En nog een koe.

En nog een.

Het melkvee werd geëvacueerd van de alp. Rustig, met witte vlokken aan hun wimpers en een welwillende blik in hun ogen, liepen de dieren naar beneden.

Koeien en sneeuw, mijn grootste liefhebberijen bij elkaar! We gingen aan de kant en keken toe. Van verrukking werd ik zo licht als een beertje. (Beertje? Veertje natuurlijk.)

's Avonds zagen we op de televisie dat in de bergen geïsoleerd geraakte schapen per helikopter van hooi werden voorzien. Deskundigen zeiden dat er wel vaker zo vroeg sneeuw was gevallen, maar voor zover bekend nog nooit zoveel.

Het idee iets mee te maken dat bijna nooit werd meegemaakt deed ons goed. We zetten de zomer uit ons hoofd en genoten de rest van de week van de winter.

Grasshoppers-Ajax gaf hoop, een beijsde autoruit wekte vertrouwen, het Zwarte Woud bracht zekerheid. In de middaguren rijdt de Berner Oberlandexpres langdurig langs de boorden van het legendarische duistere laaggebergte. Onder een schitterende hemel maakten verre hoogten een bestoven indruk. Over de naaldbossen lag een grijzig waas.

Bij Freiburg zag je de eerste sneeuw op daken van woningen en bedrijven en na Basel was sneeuw op daken van woningen en bedrijven eerder regel dan uitzondering.

Het is ongetwijfeld met het oog op sneeuw dat men in Zwitserland zulke fraaie daken heeft gebouwd. Het liefst is mij het model 'pothoed', strak op het hoofd met hier en daar een uitstulping voor een afzonderlijk kamertje. Soms doet het denken aan een Wehrmachthelm, compleet met overstek boven de ogen en in de nek. Ja, het is ongetwijfeld met het oog op daklawines dat men in Zwitserland van overhangende randen een ware kunst heeft gemaakt.

Even na zessen: Interlaken-Ost, de desolate sfeer van een vroege winteravond. Er lag wat sneeuw tussen de rails, er dwarrelde wat sneeuw in het vorstige licht van de straatlantaarns. Passagiers drentelden kleumend over het perron waar het treintje naar Grindelwald werd verwacht. Nog drie kwartier, dan zat ik een heel stuk hogerop, middenin de Alpen. Dit vooruitzicht vervulde me met een kwajongensachtig gevoel, net of ik op het punt stond iemand (of de hele wereld) geweldig voor de gek te houden.

En inderdaad, nog diezelfde avond liep ik bij min acht in het dorp de hoofdstraat af, aan de ene kant heen, aan de andere terug. Zwischensaison. De meeste hotels gesloten en veel winkels ook. Busdiensten gestaakt en kabelbanen buiten gebruik. Ik hou van de leegte die er dan heerst - omdat je dan bij het dorp zelf hoort, niet bij de passanten.

Twee centimeter sneeuw. Het knarste onder je schoenen en waar het niet knarste moest je helemaal uitkijken, daar was ijs, spiegelglad.

Donker.

Niemand op straat.

Af en toe een doorkijkje op de hemel - sterren, maan en het bleke silhouet van Wetterhorn, Mettenberg en Eiger.

Ergens hing een rijtje ijspegels boven de stoep, blinkend als stiletto's. Ik verbaasde mij over de regelmatige afstanden tussen die pegels. Ik verbeeldde mij een tot nu toe veronachtzaamde natuurwet inzake de vorming van ijspegels op het spoor te zijn. Maar ze bleken aan de opgehaalde luifel van een verduisterd restaurant te hangen, zuiver in het ritme van de gekartelde zoom.

De volgende morgen zat ik riant aan het ontbijt. De lucht was blauw, zij het dat dit blauw enigszins werd getemperd door een vochtig patina, een zweem van toch wel novemberachtige vermoeidheid. En het landschap was wit, zij het dat dit wit op bepaalde plaatsen werd onderbroken door de loodkleur van wanden waarop geen sneeuw beklijft, stukken van de Eiger zelf. De oostelijke graat werd zilverig omrand door het schijnsel van een verborgen zon.

Ondertussen probeerde ik het hoofd te bieden aan een knagend gevoel van onrust, een ongerichte gejaagdheid. Alsof ik hier eerst een taak had gehad en nu opeens niet meer. Natuurlijk, het expeditie-idee lag in duigen. Al ging ik de hele dag in de lounge zitten om de nieuwe verhalenbundel van Margriet de Moor uit te lezen, dan nóg kon ik zonder liegen zeggen dat ik naar de sneeuw was geweest. Maar waarom zou me dat verontrusten? Waarom zou ik niet in vrijheid doen wat anders mijn plicht was geweest?

Kort daarna had ik mijn spullen gepakt en wandelde ik het dorp uit, mijn favoriete hoek van het dal in, tussen de weilanden, door het bos, langs een halfbevroren beekje.

Aanvankelijk volgde ik het spoor van iemand van gisteren, maar op den duur moest ik wel bezwijken voor de verleidingen van een pad zonder spoor, nauwelijks nog als pad herkenbaar, waarbij ik een diepe bevrediging putte uit de gedachte dat ik nu werkelijk feilloos de weg wist, beter dan menigeen uit Grindelwald zelf.

Steeds maande ik mijzelf om kalmer aan te doen, vooral ter beteugeling van het zweet dat tot in het merg verkillend zou opdrogen op momenten van stilstand.

Ik vond het jammer dat mijn hond er niet bij was en vroeg me af waarom hier, waar toch aan vrijwel alles gedacht werd, nog niemand op het idee was gekomen om honden op dagbasis te huur aan te bieden.

Ik signaleerde de pootafdrukken van vossen, reeën, gemzen en misschien een haas. Wat vogels betreft: notenkrakers, alpenkauwtjes en één groene specht. Wat mensen betreft: niemand te horen of te zien, zelfs in de verte niet.

Nu en dan bleef ik staan om te genieten van het vergezicht, waarbij ik me verbaasde over afstanden en hoogteverschillen, zo barbaars onder deze omstandigheden, en dan kon ik me er niet van weerhouden om ongelooflijk te mompelen, ongelooflijk!

Ik kuchte van vermoeidheid en werd me bewust van de kou in mijn longen, een bijna pijnlijke zuiverheid.

De zon verwarmde mijn gezicht, mijn huid werd er helemaal droog en glad van. En onder inwerking van dezelfde zon veranderde de poederstructuur van de sneeuw aan de oppervlakte in een suikerstructuur of zelfs een glas-aan-scherven-structuur, waarin het daglicht duizendvoudig werd weerkaatst.

Ik bukte mij om een plukje van die sneeuw tussen duim en wijsvinger te nemen, ongeveer zoals je de punt van een laken pakt om te kijken wat er onder ligt.

Toen ik vroeg in de middag van grote hoogte neerkeek op het dorp begreep ik plotseling waarom het daar lag en niet ergens anders - precies in de zon tussen de schaduw van twee reusachtige bergen.

Als je daar geboren was, als je daar je hele leven had gewoond, had je misschien een hekel aan sneeuw. Ja, dat kon ik me voorstellen: onafzienbare avonden met de luiken dicht, terwijl de moordlust telkens weer opflakkert bij het vuur van de open haard en het tikken van de breipennen van moeder de vrouw.

Ik draaide me om.

Ik keek naar boven.

Het vroor behoorlijk, de sneeuw kwam tot de bovenkant van mijn gamaschen en dat was grappig, ik dacht dat je zo de hemel in kon lopen.