De schakel tussen mens en kosmos; Neo-renaissancisme: muziek die nooit boos wordt

Voor componisten als John Taverner en Giya Kancheli is zelfs de muziek van Bach te frivool. Hun succesvolle composities zijn opgebouwd uit melodische lijnen, die in elkaar gevlochten worden tot een welluidend, week geheel. “De kretologie waarmee deze muziek wordt verkocht, is rechtstreeks afkomstig uit de new age-wereld, daar waar men muziek en kosmos zo graag met elkaar in verband brengt.”

De Engelse componist John Taverner draagt zijn haren tot op de schouders en laat zich graag fotograferen met een gepijnigde blik. Zijn muziek klinkt net zo Messiaans als hij eruit ziet. Althans, klinkt zoals we tegenwoordig vinden dat Messiaanse muziek hoort te klinken: etherisch, dat wil zeggen langzaam, zacht en gelijkmatig - op het saaie af.

Taverner (1944) heeft een voorkeur voor mooie, weke harmonieën. Hij houdt van het geluid van klokken en vermijdt al te schrille contrasten. Rumoerig wordt de muziek alleen bij extatische uitbarstingen, waarin de heiligheid van iets of iemand breed wordt uitgemeten. Vaak laat hij tonen liggen terwijl andere melodische lijnen voortgaan, wat herinnert aan het typisch middeleeuwse gebruik van bourdontonen, maar wat door de dweperige klankkleur al gauw iets Mantovani-achtigs krijgt. De melodieën kabbelen rustig voort, meestal in een dalende en daardoor ontspannende lijn. Zijn composities hebben mystiekerige titels, zoals The Last Sleep of the Virgin, The Hidden Treasure en Thunder Entered Her - ze verwijzen naar Taverners bekering tot het Russisch-orthodoxe geloof.

Het opvallendste aan het werk van John Taverner is niet eens de muziek zelf, maar de grote populariteit ervan. En Taverner is niet de enige die met dit soort muziek veel succes heeft. De Georgiër Giya Kancheli (1935) maakt bijvoorbeeld dezelfde soort mistige composities, met een vergelijkbare religieuze inslag. Ook hij houdt van langzaam, zacht en gelijkmatig. Net als Taverner heeft hij een voorkeur voor lang aangehouden noten, voor akkoorden die, zo gauw ze ook maar een beetje tegen elkaar aanschuren, direct weer uitmonden in zoete samenklanken. Ook Kancheli schrijft voor kleine, subtiele instrumentale bezettingen, en de menselijke stem speelt in veel van zijn werken een prominente rol. Hij heeft de neiging om zijn composities 'gebeden' te noemen.

Componisten als Taverner en Kancheli, en in iets mindere mate ook Arvo Pärt (1935) en Henryk Górecki (1933), vertegenwoordigen - waarschijnlijk ongewild - een heel nieuwe stroming in de hedendaagse muziek. Ze componeren meditatieve, spirituele klanken. Hun composities sluiten aan bij de wereld van de new age, al zijn ze over het algemeen wel beter gemaakt dan echte new age-muziek, doordat de componisten hun vak veel beter beheersen. In vergelijking met Taverner en Kancheli zijn de meeste new age-componisten slappe computerfröbelaars.

Taverner, Kancheli en al die anderen beschouwen hun composities als serieuze, hedendaagse muziek, maar dan van een eenvoudige soort. Ze zijn opgegroeid met het complexe geluid van het naoorlogse modernisme in de oren. Ze kennen de stekelige klankwereld van Boulez, Stockhausen, Ligeti en hun leerlingen, die in de jaren vijftig en zestig meer geïnteresseerd leken in mathematische verhoudingen dan in klankschoonheid. Maar ze hebben zich heel bewust van het modernisme afgekeerd; niet luidruchtig - dat past niet bij hun aard -, maar gewoon door te componeren wat ze mooi vinden, door lak te hebben aan vernieuwing.

Frivool

Met hun religieuze achtergrond kijken veel van deze componisten begerig naar de in hun ogen onbedorven spiritualiteit uit het verre verleden. Zij slaan daarbij niet alleen de romantiek over, maar ook het classicisme en zelfs de barok van de grote Bach. Die muziek klinkt hen te frivool en te weelderig. Ze componeren - net als de toondichters van de oudste meerstemmige muziek - horizontaal in plaats van verticaal. Hun muziek is opgebouwd uit melodische lijnen, die in elkaar gevlochten worden tot een welluidend geheel. De compositie wordt niet meer geregeerd door akkoorden en de bijbehorende harmonieleer, die regels geeft voor de manier waarop die akkoorden elkaar moeten opvolgen. Als deze stroming een naam moet hebben, dan zou die neo-renaissancisme moeten luiden.

Het publiek zal die naam echter een zorg zijn. Het is niet alleen veel groter dan dat voor de reguliere hedendaagse muziek, het heeft een belangstelling die verder gaat dan de muziek alleen. Muziek is geen doel, maar een middel om in hogere sferen te geraken. Dit blijkt ook uit de context waarin de neo-renaissancistische werken vaak worden uitgevoerd. Kerken zijn de ideale entourage, zowel vanwege de ruime akoestiek, als door de atmosfeer. In concertzalen gedijt deze muziek veel minder, behalve als die bijvoorbeeld door een verfijnde belichting worden omgetoverd in spirituele tempels.

Platenmaatschappijen hebben de nieuwe stroming liefdevol omarmd. Eindelijk kunnen ze cd's uitbrengen met hedendaagse serieuze muziek waarvan de verkoopcijfers kunnen concurreren met die van popmuziek. Ze spelen daarbij handig in op de hang naar mystiek, met fletse en dromerige cd-hoesjes en advertentie-teksten die verwijzen naar de 'diepere' betekenis van de muziek. In de cd-toelichting wordt erop gewezen dat John Taverner The Last Sleep of the Virgin componeerde vlak voor een ingrijpende hartoperatie en dat The Hidden Treasure het verlangen beschrijft naar het paradijs. Slagwerkster Evelyn Glennie, die veel neo-renaissancistisch werk uitvoert, voorziet de composities op haar laatste cd, Wind in the Bamboo Grove, van motto's als 'Only you know what you do and don't like' en 'Develop the ability to know'.

Al eerder hadden platenmaatschappijen met zweverige aansporingen een soortgelijk succes in de oude muziek. De gregoriaanse gezangen van de Spaanse monniken, waarvoor op tv reclame werd gemaakt (zinspelend op de rustgevendheid van deze vroeg-christelijke melodieën), zijn daarvan een goed voorbeeld. Hun succes laat zien hoe belangrijk marketing voor dit soort cd's is geworden: al vele jaren worden door de Benedictijnen in het Franse dorpje Solesmes in alle bescheidenheid gregoriaans-platen uitgebracht; mooier gezongen, maar zonder quasi-filosofische rimram.

Oude muziek wordt steeds vaker met die half-mystieke gedachtenwereld in verband gebracht. 'Set your imagination free' schrijft een platenmaatschappij over de cd The ancient miracles van het Ensemble für frühe Musik Augsburg. En de cd's van het ensemble Sequentia met muziek van de middeleeuwse dichteres, componiste en moeder-overste Hildegard von Bingen - absolute hits in de categorie middeleeuwse muziek - hebben titels als Canticles of Ecstacy en Voice of the blood. 'Ontdek het mysterie van de hemelse gezangen van Hildegard von Bingen,' schrijft de platenmaatschappij.

Ook op andere manieren raken oude muziek en het neo-renaissancisme met elkaar verstrengeld. Moderne componisten gebruiken oude muziek voor nieuw werk. Richard Souther combineerde voor de cd Vision de middeleeuwse muziek van Hildegard von Bingen (gezongen door een èchte non) met eigen maaksels. In dit geheel gaan de fraaie, smetteloze en sterke melodieën van Hildegard onder in een bad van warme elektronische geluiden en Indiase tabla's.

Nog meer succes had saxofonist Jan Garbarek, die samen met het Hilliard Ensemble de cd Officium maakte, waarvan meer dan 200.000 exemplaren werden verkocht. Garbarek voegde aan de heldere polyfonie van componisten als De Morales, Perotinus en Dufay een quasi-geïmproviseerde melodielijn toe, waarin hij dan weer van de ene, dan weer van de andere stem een paar noten gapt en die op een handige manier aan elkaar breit.

De kretologie waarmee deze muziek wordt verkocht, is rechtstreeks afkomstig uit de new age-wereld, daar waar men muziek en kosmos zo graag met elkaar in verband brengt. De woorden komen gevaarlijk dicht bij het abracadabra waarmee een tijdschrift als Prana ('voor geestelijke verruiming') wordt volgeschreven. Het blad wijdde het oktober/november-nummer aan het thema 'harmonie en muziek'. In een van de artikelen beschrijft organist en koordirigent Jaap Huibers muziek als 'de interactieve schakel tussen mens en kosmos'. Hij schrijft: 'Persoonlijk heb ik het gevoel dat er in de macrokosmos weinig prijs gesteld wordt op de 'rot-herrie' die mensen in deze tijd maken onder de noemer muziek.'

Ook de oude muziek en het neo-renaissancisme worden tot spiegel van het heelal verklaard. Ze sluiten aan bij de romantische gedachte van Goethe dat 'muziek begint waar woorden ophouden'. Daarmee wordt gesuggereerd dat muziek eigenlijk meer waard is, meer betekenis heeft of over 'hogere' dingen gaat, dan woorden. Als we ergens geen woorden meer voor hebben, moet de muziek eraan te pas komen om de zaak uit te leggen.

Die gedachte is al terug te vinden in het Oude Testament. In het eerste boek van Samuël staat bijvoorbeeld: 'En telkens als de demon Saul lastig viel, nam David de citer en speelde hij erop: dan kalmeerde Saul en voelde hij zich beter en de boze geest week van hem.' In de ogen van de oude Grieken was de muziekleer nauw verbonden met de getallenleer, en getallen vormden de sleutel tot het spirituele universum. Pythagoras en Plato veronderstelden dat slechte muziek lage hartstochten kon opwekken en dat goede muziek betere mensen maakte.

Daarmee wordt onwillekeurig een waardeoordeel gegeven over wat goede en foute muziek is, zonder dat de criteria vermeld worden. Huibers zegt er in zijn artikel in Prana niet bij welke muziek hij 'rot-herrie' vindt, maar het laat zich raden. Alles wat 'hard' klinkt, een beetje grimmig of schijnbaar chaotisch is, alles wat ook maar enigszins de indruk van ellende oproept, is slecht voor het gestel. De neo-renaissancisten laten ons wegdromen bij muziek in pasteltinten, muziek die nooit eens boos wordt. Ze schotelen ons een heerlijke wereld voor zonder scheuren. De suggestie wordt gewekt dat die wereld vroeger wel bestond. Daarmee creëren ze in hun muziek een sterk geromantiseerd beeld van het verleden. Maar Hildegard von Bingen deed negen eeuwen geleden gewoon haar werk. Ze zong Gods lof in een wereld die niet beter of slechter was dan de onze. Een wereld dus, die door de neo-renaissancisten het liefst wordt ontkend.