De leeuw op het kasboek; André Breton, voorzitter van het surrealisme

De surrealistische voorman André Breton was een boekhouder die leven en dood, werkelijkheid en verbeelding, verleden en toekomst met elkaar wilde verbinden, zo blijkt uit de onlangs verschenen biografie van Mark Polizzotti. “Wat had hij moeten beginnen als boom, huis en beest zich op z'n wandelingen door het noorden van Parijs elk moment aan de sleur hadden ontworsteld en benoembaar waren geworden?”

Mark Polizzotti: Revolution of the Mind - The Life of André Breton. Uitg. Bloomsbury, 754 blz. Prijs ƒ 73,50.

De oppasser van het kerkhof zit in een schamele eenmanskeet een puzzel op te lossen. Ik vraag hem om een plattegrond met de namen van de gestorvenen. Hij zegt dat die in herdruk is. Wacht, misschien kan hij er toch nog een vinden. Hij verlegt een beroepengids, zoekt in een stapeltje papieren en vindt alsnog het kerkhof Batignolles, dat op 22 augustus 1833 is opengegaan.

Het ligt tussen Porte de Clichy en Porte de St. Ouen in het noordwesten van Parijs. Een stille begraafplaats is het niet. In de verte, hoog boven de grafstenen uit, dendert het verkeer over een snelweg op pijlers, de route departementale no. 11. Rechts van die weg staat een wolkenkrabber met het opschrift GSF Nettoyage Industriel.

Het is eind november, de maand van allerheiligen en de wapenstilstand. Op veel graven liggen bloemen en kransen, maar niet op de familie-tombe van Edouard Vuillard (1868-1940). Misschien is de schilder van de Nabis al te lang dood om nog voor een eerbetoon van een laatste beminde in aanmerking te komen. De oppasser is niet uit m'n gedachten verdwenen, vooral omdat Batignolles met al die hoeken en stroken op de kaart de vorm van een puzzelstuk heeft. De belendende stad is in het wit afgebeeld. Alleen de wegen van de begraafplaats hebben een naam.

Niet ver van de kruising Avenue Laterale-Avenue des Jardins ligt Benjamin Péret (1899-1959). Hij is in Parijs nog steeds een populair dichter. Om de in de ruwe steen gebeitelde letters te kunnen lezen moeten er heel wat bloemen en boeketten van het ook nog wildbegroeide graf worden geschoven. Daar staat het, vlak onder z'n naam en jaartallen, “je ne mange pas de ce pain là”.

Maakt de kaart een fout of is Pérets graf verplaatst? Het heeft nummer 24 en dat wordt pas bij de Avenue Centrale, aan de andere kant van dit perk vermeld. Ik loop de woorden 'Good night sweet princess' voorbij en sta twaalf meter verder voor nummer 31. Dat is het graf van André Breton (1896-1966).

De platte steen is met een klein beeld van de poolster gesierd. Er liggen minder bloemen dan bij Péret. Een bos baccarat-rozen in cellofaan. Drie goudsbloemen in een aarden pot. Iemand heeft er een schutterige slinger van herfstbladeren en gebroken spiegelglas neergelegd. Daaronder is in het korrelige steen nog net de zin 'Je cherche l'or du temps' te lezen.

Het goud van elk ogenblik, dat zocht hij, als de zintuigen aan het vertrouwde ontkomen en alles wat je anders zo rustig hoort en ziet onderuit wordt gehaald. Dat wonder blijft op het kerkhof uit. Het gaat er heel overzichtelijk toe. Neerploffende kastanjes, de geelrode bladeren van een herfst als elke andere herfst en dan nog al die bloemen waarin geen beweging is te krijgen.

Wat kan ik bijpassen om de vervreemding op te voeren? De op een puzzelstuk puzzelende wacht, het flatgebouw dat de lucht reinigt, het verplaatste graf en het brood dat onder de grond niet meer wordt gegeten. Het blijven de kleinigheden van een te beperkt variété die alweer verflauwen voor ze tot wasdom zijn gekomen.

Vuillard kan ik er nog bijhalen. Die schilderde in z'n beste tijd aan het einde van de negentiende eeuw een kamer. Een vrouw, het behang en het hele meubilair gaan op in een weefsel van kleur. De zitting van een stoel, de blos op de wangen en de lussen op de muur vormen zo'n eenheid dat er niets meer uitgezonderd kan worden.

Ik loop om het graf van Breton heen. Hij zocht het tegenovergestelde van Vuillard. Voortdurend hoopte hij op het verlies van de vertrouwde samenhang. Alleen dan zou hij vervuld zijn van een groot geluk. Het moet voor hem verreweg de meeste ogenblikken een utopie zijn gebleven. Dat is misschien maar goed ook. Wat had hij moeten beginnen als boom, huis en beest zich op z'n wandelingen door het noorden van Parijs elk moment aan de sleur hadden ontworsteld en benoembaar waren geworden?

Dan gebeurt er toch nog iets waarover Breton in de dagelijkse vergaderingen met bendeleden als de dichters Paul Eluard en Benjamin Péret in het café aan een stuk door zou hebben gepraat. Achter hem, in het verlengde van z'n steen, is André Marmasse begraven. Hij ligt er dubbel, twee keer dezelfde naam met verschillende jaartallen, (1895-1954) en (1896-1959). Het is of zelfs geboorte en dood zich kunnen vergissen. Ze doen hun best om nauwkeurig te zijn maar de kans op mislukking blijft groot.

Breton woonde ruim veertig jaar in de Rue Fontaine, niet eens zo ver van Batignolles en vlakbij de rode molen aan de Boulevard de Clichy. De dagelijkse zwerftochten door het negende arrondissement met z'n bordelen, nachtclubs en slordige winkelstraten komen uitgebreid ter sprake in de biografie Revolution of the Mind - The Life of André Breton van de Amerikaan Mark Polizzotti. De zuidgrens was de Boulevard Bonne Nouvelle. Niet ver daar vandaan, in de Rue Poissonnière, gebeurde er iets dat het leven van Breton zou wijzigen.

Het was maandag 4 oktober 1926. In de boekhandel van de rode krant l'Humanité had hij net een boek van Leo Trotski gekocht. De afvallige communist was de laatste in een rij van voorbeelden.

Breton was een gesjeesde student in de medicijnen met een groot talent voor bewondering. Steeds opnieuw bekeek hij Salomé, Delilah, Helena en de andere sombere naakten van Gustave Moreau in het nabije museum aan de Rue de la Rochefoucauld.

De jonge dichter wilde zo onverschillig zijn als z'n vriend Jacques Vaché, de dandy met een huiver voor zoiets simpels als een wekker of voor iemand die hem plotseling groette.

Voor Breton bevatten de droomverklaringen van Sigmund Freud een hoge waarheid, maar toen hij de veertig jaar oudere zenuwarts in Wenen opzocht zag die niets in de pogingen van zijn gast om het onderbewuste en het dagelijkse leven tot een allesomvattend avontuur samen te smelten.

Bretons lijfboek was Les Chants de Maldoror, het geschrift uit 1868 van Isidore Ducasse, Le Comte de Lautréamont, die met een stortvloed van de zwartste gedachtensprongen het netjes doorlopende verhaal had opgeheven. Polizzotti schrijft dat Breton met die excentrieke voorbeelden niet geloofde in de rust van de studeerkamer. De betekenis van het leven zou zich eerder in een kleurloze buurt onthullen of op een vlooienmarkt met voorwerpen die nergens anders kunnen worden gevonden. Ouderwets, gebroken, waardeloos, bijna onbegrijpelijk, zelfs pervers, zoals Breton z'n vondsten noemt.

Vervuld van Trotski, Moreau, Vaché, Freud en Ducasse liep Breton die vierde oktober op straat. Hoe koortsachtig hij ook naar nieuwe uitdrukkingsmiddelen zocht, hij had nog veel van een negentiende-eeuwse symbolische dichter. Hij droeg een kostuum en een overhemd in de kleur flessegroen, had een dure wandelstok bij zich en z'n golvende haren leken op de manen van een leeuw.

Voor wie zoveel buiten loopt moet het eens gebeuren. Bij de metro-ingang van Poissonnière zag hij een jonge vrouw. Ze was armoedig gekleed, maar dat leek eerder een besluit dan dat het aan geldgebrek was te wijten. Hij raakte met haar in gesprek en ze gingen naar een café. Onaards licht bewoog ze zich door de stad.

Ze noemde zich Nadja, volgens haar het begin van het Russische woord hoop en ze maakte de indruk of ze nergens aan was gebonden. Geld, voedsel, voorbijgangers, kleren, vrienden en alle andere onderwerpen die ter sprake kwamen, 't leek of dat alles voor haar niet werkelijk bestond. Het was of ze een zijweg had gevonden om te ontkomen aan de dagelijkse oppervlakkigheden. Zo'n vrouw en je kunt ook zeggen zo'n kunstenaar zocht André Breton steeds weer. Het deerde hem niet dat er bij hun kennismaking achter Nadja's gedrag misschien heel andere beweegredenen schuil gingen. Hij zag haar als een onmenselijke muze die hem net als Isidore Ducasse en z'n andere helden naar het walhalla van het losse verband zou leiden.

Twee dagen nadat hij Nadja in de Rue Poissonnière had ontdekt kwam Breton haar in een volkomen andere buurt tegen. Ze hadden die dag wel een afspraak, maar veel later en op een andere plek. Bovendien bekende Nadja dat ze niet van plan was geweest daar naar toe te gaan. Weer een dag later, toen hij helemaal geen afspraak met haar had, stapte ze uit een taxi op het ogenblik dat hij met z'n vrouw Simone over haar stond te praten.

Die toevallige verschijningen versterkten Bretons gevoel dat hij de muze zelf had ontmoet. Met z'n vrienden belegde hij avondjes waarop een proefpersoon, meestal de dichter Robert Desnos, onder hypnose werd gebracht. De in die staat beantwoorde vragen - 'Wie is Fraenkel?' 'Een gapende buik met een ei erin' - werden opgeschreven en uitvoerig besproken. Bij die ontmoetingen met Nadja moet het voor Breton zijn geweest of de stad zelf in trance raakte en z'n beminde zonder de tussenkomst van een afspraak liet verschijnen.

Hij begon vrijwel meteen een boek over haar te schrijven. In het voorwoord bij de herdruk van 1964 verklapte hij welke twee 'anti-literaire' richtlijnen hem hadden geleid. In het boek staan veel foto's van straten, pleinen, vrienden en curiosa als een handschoen of een winkelpui. Die had hij erin gezet om aan de letterlijke beschrijving te ontkomen. De toon van Nadja ontleende hij aan de onopgesmukte stijl van medische geschriften: vragen en antwoorden zonder dat er op een treffende woordkeus wordt gemikt.

Wie het boek leest merkt niet veel van dat laatste voornemen. De zinnen van Breton zijn eerder plechtig dan feitelijk. Zelfs z'n lyrische beschrijving van de ontmoetingen met Nadja blijft afstandelijk, net of de minnaar van het ongebruikelijke niet te dicht durft te komen bij wat hij zo lang heeft gezocht. Breton trok niet meer dan een week met Nadja op. Later hoorde hij dat ze gek was. Zijn afkeer van psychiatrie was zo groot dat hij geen poging deed erachter te komen wat er met de 24-jarige vrouw was gebeurd. In Nadja knoopt hij er allerlei beschouwingen over arme en rijke patiënten aan vast en mijmert klassiek over het ontbreken van een duidelijke grens tussen een krankzinnige en een gezonde geest. Maar die afstand tot het onderwerp blijft, alsof hij zich op een gebied begeeft dat te gevaarlijk voor hem is.

Polizzotti breidt Nadja's geschiedenis uit. Een jaar nadat ze Breton had ontmoet begon ze te hallucineren. Ze dacht dat ze werd vervolgd en moest in een kliniek worden opgenomen. Breton wist waar ze werd verpleegd, maar zocht haar niet op. Zo'n biografisch gegeven hoeft geen betekenis voor een verhaal te hebben. Dat staat op zichzelf. Maar in dit geval is de manier waarop Breton z'n belevenissen stuurde van groot belang. Nadja besluit met de regel die van alle slagzinnen waarmee hij de surrealistische beweging meer dan vier decennia leidde het bekendst is geworden: 'la beauté sera CONVULSIVE ou ne sera pas'. Als die schoonheid zich dan ineens werkelijk stuiptrekkend aan hem voordeed schrok hij voor haar terug.

Zijn leiderschap krijgt in Revolution of the Mind vermakelijke kanten. Wie nog gelooft dat een baanbrekende stroming onverbiddelijk en met een vlekkeloze inzet van de leden verloopt komt in dit boek bedrogen uit. Het mooiste voorbeeld van bevlogen idealen en de praktijk is Bretons samenwerking met Jacques Doucet.

De dichter was enkele jaren in dienst van deze rijke modekoning. Hij gaf hem raad bij de aankoop van manuscripten en schilderijen. Door toedoen van Breton kwam Doucet in het bezit van Picasso's De meisjes van Avignon. Meestal aarzelde de veel oudere couturier lang voor hij z'n geld beschikbaar stelde. De secretaris moest elke keus eerst in uitvoerige brieven verklaren.

Als ook die woorden niet hielpen ging Doucet met Breton naar het atelier van de schilder. Een voorstelling van Max Ernst bestond uit vijf doorzichtige vazen waarin de bloemen ondersteboven waren gezet. Doucet wilde het doek wel kopen, maar hij had één bezwaar: te veel vazen. Het moesten er drie worden, hoe was het mogelijk dat Ernst zoiets zelf niet zag... Bij een bezoek aan André Masson ging de kritiek van Doucet nog verder. Prachtig schilderij, volkomen mee eens, maar er ontbrak iets aan. Een vogeltje! Dat moest er nog aan toegevoegd worden... Breton dacht eerst dat z'n baas een onbekende grappige uitdrukking gebruikte. Nee, er moest echt een vogeltje bij, anders ging de koop niet door.

De twee kunstenaars sloegen geen doek op Doucets benige hoofd met puntbaardje kapot. Masson schilderde het vogeltje en Ernst maakte braaf een schilderij van drie vazen. Het laatste doek was nu veel kleiner geworden en daarom verlaagde Doucet de prijs met tweehonderd frank.

In Bretons levensverhaal wemelt het van zulke geschiedenislessen. Het zijn de lovertjes op een ernstig gewaad. In Mexico ontmoette hij vlak voor de Tweede Wereldoorlog eindelijk Trotski. Ze spraken veel over Bretons vergeefse pogingen de communistiche partij voor zijn ideeën te winnen. De Fransman raakte geheel buiten zinnen toen de Rus een hond zijn vriend noemde. Keek hij niet erg menselijk? Hoe kon Trotski zoiets stoms zeggen. Een hond keek gewoon als een hond.

In de oorlog vluchtte Breton met bevriende dichters en schilders, van Marseille naar New York. Daar zette hij zijn levensverhaal als een boekhouder voort, compleet met de dagelijkse bijeenkomsten om het surreële van het bestaan gezamenlijk te betrappen. Wie tegen zijn regels zondigde, werd weggestuurd.

Terug in Frankrijk bezocht Breton een prehistorische grot. De tekeningen op de muren moesten meer dan dertigduizend jaar bestaan. Hij hield van dit werk en toch vertrouwde hij het niet. Waren die zwarte lijnen wel zo oud? Hij streek met een duim over het zwart en werd even later wegens beschadiging van een historisch monument gearresteerd.

Hij kon het zo mooi zeggen. Het moest mogelijk zijn om leven en dood, de werkelijkheid en de verbeelding, het verleden en de toekomst, het feitelijke en het onuitsprekelijke niet meer als tegenstellingen te zien. Toch mocht een hond geen mens worden genoemd en bekeek hij een prehistorische tekening met diep wantrouwen.

De redenen om een lid van de club te excommuniceren waren meestal net zo futiel. Of werden zijn geestverwanten tenslotte verstoten omdat ze iets op het spoor waren dat buiten het bereik van Breton moest blijven?

In mei 1938 raakte Breton betrokken bij het leven van Antonin Artaud. De acteur en toneelschrijver was acht jaar eerder door hem in de ban gedaan. Nu was hij op een reis door Ierland volledig ingestort. De autoriteiten hadden hem op de boot naar Frankrijk gezet. Na aankomst in Le Hâvre kreeg hij een dwangbuis aan en werd hij in een kliniek opgesloten.

De aan narcotica verslaafde Artaud zocht contact met Breton, maar die weigerde hem te bezoeken. Tegen z'n vrouw Jacqueline Lamba zei de surrealist dat Artaud zich in een ander universum bevond en dat niemand nog iets voor hem kon doen. Verdovende middelen konden ze hem ook niet brengen. Die waren te duur en zouden door de bewakers toch maar in beslag worden genomen.

Artaud dacht zelf dat Breton door de politie was doodgeschoten toen hij z'n gevangen vriend in Le Hâvre probeerde te bevrijden. Zelfs op die waan ging Breton niet in. Hij predikte het losse verband en tegelijkertijd ontweek hij het. Zodra het bezit van hem dreigde te nemen liet hij niets meer van zich horen. Het spreekt bijna vanzelf dat Breton, toen Artaud hem vruchteloos probeerde te bereiken, z'n Anthologie de l'humour noir aan het samenstellen was.

Het is niet ver van Nadja's rue Poissonnière naar de woning in de rue Fontaine. Sinds Breton hier in 1922 kwam wonen zijn de huizen nauwelijks veranderd. Hier liepen ze dan, schilders als De Chirico en Tanguy, op weg naar de zoveelste bijeenkomst op nummer 42. Breton noemde hun werk surrealistisch, maar het is de vraag of hij zich in hun gevaarlijke steden en landschappen durfde te wagen.

Hij deed een gooi naar iets groots door verschillende vormen van vervreemding met elkaar te verbinden en ze één naam te geven. Als de verbrokkeling van de eenvoudigste dingen te dicht bij kwam deed hij een stap terug. Nu worden licht tegenstrijdige gebeurtenissen al surrealistisch genoemd. Die ontwaarding van het door hem, in navolging van Apollinaire, gemunte begrip maakte hij niet meer mee.

Nummer 42 zit tussen een bioscoop en een piano-bar in. Wie de deur opent moet eerst een lange gang door en komt dan uit op een binnenplaats. Daaraan ligt het huis dat aan de voorkant uitkijkt op de boulevard de Clichy.

Eisa Bindhoff, zijn derde vrouw, heeft de woning kort geleden verlaten. Breton ontmoette haar in 1943 in New York. Het interieur van het huis moet nog intact zijn. De afgodsbeeldjes en manuscripten bevinden zich in de werkkamer op hun vertrouwde plek. Zelfs de naam Breton staat boven de brievenbus. Wie weet komt er nog steeds post voor een beweging die volgens de huurder van dit huis nimmer kan sterven.