De inwijding van een zeemeermin; Wellustige verhalen van Manon Uphoff

Manon Uphoff: Begeerte. Uitg. Balans, 183 blz. Prijs ƒ 29,90.

Niet alle tien verhalen in het debuut van Manon Uphoff (1962) zijn even sterk of verrassend, maar als geheel is deze bundel zo evenwichtig, suggestief en intrigerend, dat hier duidelijk een literair talent aan het werk is.

Het boek bestaat uit twee delen van elk vijf verhalen. Deel 1 gaat over een jong meisje (12 tot 15 jaar oud) met een groot seksueel verlangen. De ene keer is het een verlangen van haar ontluikende lichaam waar zij emotioneel geen raad mee weet, de andere keer is haar emotie zelf de bron van het verlangen, terwijl haar lichaam er nog niet aan toe is.

'Begeerte', het titelverhaal, gaat over een 15-jarige die zich in een troosteloos pension voor vreemdelingen laat ontmaagden door een oudere man. Normaal gesproken trekt ze in de bus net zolang aan haar nagelriemen tot ze gaan bloeden, maar omdat ze wel snapt dat deze zelfverminking een substituut is voor iets anders laat ze zich meetronen door een onbekende uit de disco. 'Bij elke stap nam haar nieuwsgierigheid toe: niet zozeer naar deze man, maar naar zichzelf.'

In technische zin doorstaat ze het inwijdingsritueel uitstekend, maar uit het verhaal stijgt een armoedige geur van nep, bedrog en eenzaamheid op. Het schrijnendst is de beschrijving van haar thuiskomst de volgende ochtend. Haar moeder, achter de koffie, vraagt of het leuk was bij haar vriendin en of ze nog zijn wezen dansen. Het acute identiteitsverlies van haar dochter ontgaat de volwassen vrouw volledig. Alleen op haar kamer denkt het meisje aan haar favoriete sprookje van de zeemeermin die haar prachtige stem had afgestaan in ruil voor mensenbenen. Bij iedere stap werd de zeemeermin door pijn gesneden en ten slotte loste zij op als schuim in de zee.

De hunkering naar seksuele volwassenheid, maar vooral de angst daarvoor, is ook het thema van 'Vlees', het langste en beste verhaal in de bundel. De vader van het meisje is slager en alles in huis draait om vlees, zodanig dat het haar de strot uitkomt. Minder aanstootgevend en beangstigend dan de vette worsten die haar vader bereidt door varkensdarmen te vullen met smurrie, vindt ze het onschuldige stukje vlees dat een oude 'kindervriend' op een verlaten speelterreintje vanuit zijn geopende broek in haar hand legt. Verlangen en afkeer strijden met elkaar in het kind dat zich tegen volwassenheid en vooral tegen haar ouders verzet door geen vlees meer te eten. Totdat ze haar tot gek wordens opgevoerde seksuele honger tracht te stillen met een vleesmaaltijd die je het water in de mond doet lopen, maar die tegelijkertijd ook pijn doet.

De meisjes van Uphoff lijken enigszins op die van Hermine de Graaf: ze zijn van dezelfde leeftijd, hebben eenzelfde verstoorde verhouding met volwassenen en met zichzelf en keren in de verhalen, die zijdelings naar elkaar verwijzen, steeds in een iets andere gedaante terug. Maar Uphoffs pubers onderscheiden zich van die van De Graaf doordat ze zich scherp bewust zijn van hun seksualiteit en begrijpen dat hun problemen voortkomen uit de onvervulbaarheid van hun begeerte.

In het tweede deel van de bundel hebben de hitsige meisjes plaats gemaakt voor min of meer perverse volwassenen, voornamelijk mannen. Deze bizarre, fantastische vertellingen zouden ontsproten kunnen zijn aan het brein van het meisje uit het titelverhaal, dat van sprookjes houdt 'die niet tot een zoet einde komen'. Behalve het adembenemende 'Blikman en Sartorius', over twee mannen die elkaars tegenpolen zijn, doen de sprookjes uit dit deel onder voor de meer persoonlijke en psychologisch getinte verhalen uit het eerste deel.

'Blikman en Sartorius' is de volwassen en geperverteerde uitwerking van 'Vlees'. Blikman is een seksueel onbevredigde, in zichzelf gekeerde kunstenaar die dieren opzet en wellustig wordt van de naar zweet stinkende, potente (vrouwen)jager Sartorius. De uitwerking van dit verhaal is te gezocht en te geconstrueerd, maar wat een hartstocht, gevoeligheid en beschrijvingskunst spreidt Uphoff hier ten toon.

Ik maakte de vergelijking met Hermine de Graaf: haar verhalen moeten het hebben van ingenieuze constructies waaruit alle details zijn weggesneden, zodat er een soort cryptogrammen overblijven. Deze kunst van het weglaten, bij beginnende schrijvers vaak een truc, is Uphoff vreemd. Haar kracht ligt juist in het uitgewerkte detail, in de sferen en gemoedstoestanden die met pakkende beelden worden opgeroepen en in het analyseren van menselijke neigingen. De tien verhalen in dit debuut zijn evenzovele aspecten van wat Uphoff begeerte noemt en van de verstrekkende consequenties die deze hartstocht kan hebben.

    • Elsbeth Etty