Brancusi

Vrijdag, 1 december, daar stond het ineens links op de voorste pagina: '3,1 mln voor sculptuur van Brancusi'.

Voor mij was het niet de eerste, maar de tweede grote verrassing dit fenomenale kunstwerk aangaande. De eerste kwam een maand of zo eerder toen ik de betreffende veilingcatalogus van het Londense Christie's uit de enveloppe haalde. Daar op het omslag: Brancusi's Le commencement du monde uit 1924; hoe bestaat het, dacht ik: dus ook te koop, wetende dat dit letterlijk nooit voorkomt. Toen ik de uitvoerige beschrijving van de herkomst gelezen had, begreep ik hoe het deze ene keer toch mogelijk werd. Wat de geschatte prijs 1,2-1,8 mln betreft, dacht ik onmiddellijk: dat lukt nooit met de hele kunstwereld op de loer. Ik waande mij desondanks in de positie van de gelukkige koper en vertelde dat aan Rudi Fuchs, die met veel begrip lachte. Hij was het met mij eens dat een gooi om het beeld hier binnen te halen eigenlijk gedaan zou moeten worden, maar ja.... Toen, weken later, volstrekt onverwacht, dat berichtje in de krant: het was dus nota bene nog gelukt ook!

In het uitstekende verslag van Lien Heyting op CS pagina 3, vertelt zij o.a. hoe het gegaan is - aandoenlijk: eerst over de oude onuitvoerbare hartewens van de directeur van het Kröller Müller Museum, dr. Evert van Straaten; vervolgens hoe deze met een triomfantelijk gebaar de catalogus van Christie's op tafel wierp alsof hij, denk ik, wilde zeggen: het hoort toch bij ons, komt ons toe, dus heb ik het alvast zo'n beetje toegeëigend.

Vervolgens naar Londen gesneld om het wonder verrukt te inspecteren, toen terug naar Nederland om het toch aanzienlijke bedrag bij elkaar te toveren - geen kleinigheid, zo snel. Tot slot weer naar Londen voor de grote zenuwslopende dag. “Ik streef er naar in ieder geval 5 miljoen op zak te hebben” vertelde Van Straaten. Dat vind ik een geweldige uitspraak en goed om voor de toekomst in gedachten te houden: je doet het goed of je doet het niet. Met de kreet woensdagavond vanuit Londen “het is gelukt” was de opmerkelijkste museumaankoop, die naar mijn mening sedert de oorlog plaatsvond, een feit geworden. Een geweldige zet, want het is waarschijnlijk niet mogelijk in de hedendaagse kunstwereld een dergelijk bedrag aan één enkel kunstwerk beter te besteden. Het is niet alleen zo dat met deze aanwinst straks nóg een meersterwerk aan de collectie wordt toegevoegd; het is veel meer: als bron en sluitstuk tegelijk van een reeds uitzonderlijke collectie hedendaagse sculptuur - specialiteit van het museum - is deze éénmalige sculptuur ook een inspirerende bekroning.

Het had natuurlijk een ander werk van Brancusi kunnen zijn, maar dat het juist Le commencement du monde, één van de twee enige exemplaren betreft, is bijzonder zinrijk, omdat dit beeld evenals het zwarte kwadraat op zwart van Malevitch (1915) een soortgelijk eerste haast voorwerelds begin is, waaruit zeer veel is ontstaan, een open weg, maar toch richting gevend. Door de grootst denkbare inhoudelijke reductie ontstond ook een formidabele concentratie - gebalde rust. Deze is zo groot dat de gesloten vorm, omdat deze zich niet nóg verder kan samentrekken of nog dieper tot rust kan komen, juist de indruk wekt open te gaan, ruimte te bieden voor een volgend - nieuw - 'begin'.

Ik denk nu even terug naar de vorige en enige keer dat er sedert de Tweede Wereldoorlog een Brancusi in Nederland te zien is geweest en wel op Sonsbeek 1967. Ik heb zijn La muse endormi toen zelf in het door mij ontworpen Paviljoen op z'n plaats gezet. Ik voel nu nog het gewicht en de ronding van haar hoofd in mijn beide handen. Ook toen een van brons gepolijst ellipsoide, weliswaar gedrongener. Het is bijna alsof de muze nu, dertig jaar later, terugkomt, hoewel, zonder het broze gelaat. Vlak na de oorlog kwamen mijn vrouw en ik regelmatig bij Brancusi. De herinnering aan zijn atelier, met al het werk bijeen, als een overrompelende sculpturale eenheid in de ruimte, badend in het licht, dat door het glazen dak naar binnen viel, zal zeker als gevolg van de betrekkelijke nabijheid straks van dit ene beeld uit de vele van toen grijpbaarder worden. Het eigen verleden komt weer vlakbij, wordt weer heden en steunt een nieuw begin (het is immers altijd goed als het beste uit het verleden weer aanwezig is). Velen van onze generatie, en die daarvoor, zien Brancusi (samen met James Joyce) als de meest fenomenale kunstenaar van deze eeuw - van onze tijd dus, de meest omvattende. Iedere generatie koestert specifieke helden en blijft daar, hopelijk, trouw aan. Het was daarom met verbazing dat ik in een uitvoerige bespreking een half jaar geleden over de grote Brancusi-tentoonstelling in Parijs las, dat de recensent niet zonder een zekere scepsis bij het weerzien van het werk van Brancusi was gebleven. Voor mij is dit alsof iemand komt vertellen, niet zonder scepsis, Giotto's fresco's in Padua gezien te hebben: Shakespeare of Dante, met enige scepsis, opnieuw gelezen heeft. Nu de recensent Le commencement du monde ginds vaker zal kunnen gaan bekijken, zal die scepsis hopelijk verdwijnen.