Beeldenmakers en beeldenstormers; Essays van Piet Meeuse over de betekenis van kijken

Piet Meeuse: Doorkijkjes. Over de werkelijkheid van beelden. Uitg. De Bezige Bij, 313 blz. Prijs ƒ 39,50.

Een raadsel blijkt uiteindelijk de beste uitleg. In het slotessay van Doorkijkjes vertelt Piet Meeuse het verhaal van Oedipus, die onderweg naar Thebe de route versperd zag door de sfinx. 'Welk wezen,' vroeg het wangedrocht, 'loopt 's morgens op vier poten, 's middags op twee en 's avonds op drie?' Oedipus wist het antwoord, 'de mens', werd doorgelaten, en liep trots en nietsvermoedend binnen in een horror-story zonder weerga. Ook al was het antwoord goed, het bleek verkeerd.

Zo, zegt Meeuse, is het vaak als we naar beelden kijken.

Over de werkelijkheid van beelden gaat het hier, aldus de ondertitel, over onze omgang met verbeelding. Je ziet een schilderij, je weet dat het van verf en linnen is gemaakt en bent je dus bewust dat je naar vlekken kijkt, naar dode oppervlakte, en toch stap je met je ogen zonder moeite door het kader heen. De vlekken worden mensen, dieren, dingen, uitgestald in drie dimensies, en verschaffen een illusie die je net zo diep kan raken als de werkelijkheid. Dat is het ondermijnende van beelden: ze doorboren de werkelijkheid met illusies.

Wie wil, laat Meeuse zien, kan zich daar tegenwoordig alle dagen in verlustigen. De televisie houdt je beelden voor die zo goed sporen met je eigen oog dat je ze amper nog als beeld herkent. Ze lijken rechtstreeks van de werkelijkheid afgetapt en maken je tot ooggetuige, overal ter plaatse als een willekeurige passant. De dingen trekken aan je oog voorbij, maar krijgen daarbij nauwelijks betekenis. De wereld wordt een toonzaal van Madame Tussaud, waar de illusie van de werkelijkheid zo volmaakt is dat ze je verbeelding niet meer prikkelt en verpietert tot gezichtsbedrog - en gek genoeg dus juist onwerkelijk wordt.

Tegenover die ontaarding van het beeld, een vorm van beeldverering, plaatst Meeuse een traditie van kritiek die mooi te zien is in de schilderkunst. Waar Pieter de Hoogh zich in de zeventiende eeuw nog uitleeft in het nabootsen van perspectief en licht om van zijn binnenhuisjes een 'bewoonbare ruimte' te maken, zonnig en open, daar laat Piranesi honderd jaar later het gevaar van die illusie zien. De ruimten die hij schildert kun je niet voor je plezier bewonen, het zijn kerkers, onheilspellende gewelven, zonder uitzicht, zonder uitgang. Hij ontmaskert het beeld van de werkelijkheid als een schrikbeeld dat je voor de werkelijkheid afsluit en ontpopt zich daarmee tot een beeldenstormer - juist als beeldenmaker.

Meeuse ziet dit iconoclasme, in zijn eigen woorden, terug in de moderne kunst, bijvoorbeeld bij Magritte, maar ook in literatuur en wetenschap, in ideologieën, en ik vraag me af of hij het niet te vaak ziet. Hij noemt het socialisme iconoclastisch van oorsprong omdat het tegen het bestaande beeld van mens en wereld opkwam. Maar afgezien nog van het feit dat die maatstaf iedereen die ergens tegen is meteen tot iconoclast bombardeert, heeft geen beweging in de negentiende eeuw zo vroeg ingezien dat het voetvolk om iconen vraagt - de Duitse mijnwerkers verwisselden hun bidprentjes meteen voor een portret van Marx. Zo heet ook Freud iconoclastisch, omdat hij droombeelden tot woorden reduceerde. Maar die beelden waren wel de meest rechtstreekse toegang tot de Waarheid van de psychoanalyse, en wijst dat juist niet op het heilige vertrouwen van de beeldvereerder?

Maar het gaat Meeuse mogelijk niet om die finesses, de schematisering is een opstapje naar zijn eigenlijke doel. Hij zet de beeldenstormers naast de beeldvereerders en laat zien dat ze in omgekeerde richting eigenlijk dezelfde dwaalweg gaan. In hun kritiek op de werkelijkheidsillusie van het beeld vernielen ze de banden met de werkelijkheid en blijven zitten met een plaatje dat alleen nog naar zichzelf verwijst. Ze willen net zo min als de vereerders zien dat beelden allebei zijn, werkelijkheid en plaatje, en dat het een niet tot het ander terug te brengen valt. Een beeld, dat zijn er twee.

Als toeschouwer moet je dus dubbel zien. Je moet, zegt Meeuse, de illusie van het plaatje koesteren, maar zonder te vergeten dat het maar een plaatje is - een houding die doet denken aan Frans Kellendonks oprecht veinzen. ('We doen net alsof we weten waar we het over hebben, en we vergeten geen moment dat we maar doen alsof.') Je moet erkennen dat een beeld zich nooit volledig prijsgeeft, niet te vangen is in woorden, hooguit in een ander beeld - en dat brengt hem ten slotte bij de sfinx. Een beeld is als een monster dat een raadsel opgeeft waar een tweede raadsel in verborgen ligt.

De toeschouwer is Oedipus.

Hoe dat afloopt, met een Oedipus die van tevoren weet wat hem te wachten staat, laat Doorkijkjes tussen de regels al vermoeden. Meeuse voert zichzelf op als ik-figuur, als oog namens de lezer, en hoe evenwichtig hij ook zijn wil, de dode hoeken in zijn blikveld verraden zich onmiddellijk. Hij schrijft bevlogen over binnenhuisjes bij De Hoogh, maar als het over hedendaagse media gaat zakt hij af tot onverschillige gemeenplaatsen van het soort dat onbegrijpelijker wordt naarmate je ze serieuzer neemt. Het publiek vergaapt zich naar zijn zeggen aan tv-beroemdheden als Henny Huisman 'omdat ze beroemd zijn, niet omdat ze iets bijzonders hebben', wat na drie keer lezen onvermijdelijk tot de conclusie leidt dat Huisman met die roem al is geboren. Stadions vol fans verlustigen zich aan hun popidool, maar 'met muziek heeft dat niet zoveel te maken', wat haast moet betekenen dat het geluid in de Kuip wel uit kan. De verleidingen van pop en pulp zijn Meeuse vreemd.

Zo is er meer wat hem ontbreekt. Hij praat op zijn gemak wanneer hij erudiet door de geschiedenis meandert, hij heeft de grote gave studieus te zijn en toch ontspannen. Maar als hij op zijn eigen indrukken vertrouwt en een brisante actuele kwestie aanroert, discriminerende beelden van ras of geslacht bijvoorbeeld, blijkt zijn oog daar niets brisants aan toe te voegen. Hij blijft steken in welwillende algemeenheden ('Maar zijn het niet juist de verschillen die het leven interessant maken?') en omkleedt die met persoonlijke impressies waar bij nader inzien niet zoveel persoonlijks aan is. Hij blijft spanningsloos, dat is het eigenaardige, hij toont zichzelf een man die weldoordacht en aardig over onze kijk op beelden schrijft, maar al met al toch meer van lezen dan van kijken houdt. Een man misschien die, wetende dat Oedipus verkeerd zag, voor zijn eigen blik terugschrikt.

UIT: PIET MEEUSE, DOORKIJKJES

Zien is iets anders dan kijken. Kijken kun je leren. Van zien vraag ik me dat af. Kijken doe je, maar zien gebeurt: het overkomt je. Het is de ervaring dat de zichtbare wereld plotseling een andere, nieuwe betekenis krijgt: zien is getroffen worden door iets.

Maar wat is het precies dat je treft? Het is niet het zichtbare zelf, maar iets daarin dat je aandacht trekt. Een bepaalde aardigheid, een detail. Plotseling verandert er iets in je gezichtsveld: iets dat er steeds al was, maar onopgemerkt, dringt zich opeens aan je op. Is zien misschien het leesbaar worden van iets onzichtbaars in in het zichtbare?

    • Hans Goedkoop