Accountant KPMG bepleit steun voor boekhoudkundige leken in advocatuur; Curator schiet vaak tekort bij bankroet

Curatoren ponden bij veel faillissementen de boedel slecht uit. Oorzaak daarvan is dat zij onvoldoende boekhoudkundig onderlegd zijn om een opzettelijk gemankeerde financiële administratie te doorgronden èn fraudeconstructies te ontmantelen. Voor accountant KPMG aanleiding tot een nieuwe adviesdienst: insolvency support.

AMSTELVEEN, 29 DEC. “Het is een publiek geheim dat curatoren lang niet altijd een goede job doen”, stelt J. ten Wolde RA vast. Hij is directeur van de afdeling Forensic Accounting van KPMG, die zich onder meer bezighoudt met fraude- en integriteitsonderzoek, voorbereiding van procedures en vaststelling van eventuele aansprakelijkheid wegens wanbestuur bij faillissementen.

“In Nederland wordt bij faillissementen in 99,9 procent van de gevallen een advocaat tot curator benoemd. Die is in het algemeen niet bijzonder boekhoudkundig onderlegd”, vindt Ten Wolde. Dat wreekt zich volgens hem als delen van de financiële administratie spoorloos zijn. Het is dan voor de curator bijzonder lastig te ontdekken of er in de periode voor het faillissement dubieuze handelingen zijn verricht, zoals het ver onder de marktwaarde verkopen van goederen aan bevriende zakenrelaties of gelieerde ondernemingen.

“Bij het leeuwedeel van de faillissementen trekken de toeleveranciers, bedrijfsverenigingen en belastingdienst aan het kortste touwtje”, is Ten Woldes ervaring. “Doorgaans blijven enkel stapels onbetaalde rekeningen en een lege kas achter.”

Het bedrijfsinformatiebureau Graydon maakte recentelijk bekend dat 1995 wordt afgesloten met 6199 faillissementen. Daarmee is een schadepost gemoeid van ongeveer 4,5 miljard gulden, waarvan eenvijfde ten laste van de fiscus komt.

Begin jaren negentig nam het aantal faillissementen sterk toe. In 1991 waren het er nog geen 4.000. In 1993 was dat aantal opgelopen tot 5.993, waarna vorig jaar een piek werd bereikt toen 6.428 bedrijven op de fles gingen. Dit jaar gingen 7 procent minder bedrijven bankroet.

Onderzoek van de Economische Controledienst toont aan dat bij circa 30 procent van alle faillissementen sprake is van frauduleuze handelingen. De kans dat een fraudeur tegen de lamp loopt is echter gering. Op alle vorig jaar uitgesproken faillissementen kreeg de ECD slechts 135 meldingen van malversaties binnen, terwijl er volgens de dienst in zo'n tweeduizend gevallen fraude in het spel moet zijn geweest. Voorbeelden daarvan zijn het tijdens of in zicht van een faillissement onttrekken van geld en goederen aan de boedel, bevoordeling van schuldeisers of het verrichten van nodeloze uitgaven. Dergelijke handelingen maken het de curator moeilijk van de gefailleerde de juiste vermogenspositie vast te stellen.

“Voor dat soort werk zou de curator zijn beperkingen moeten kennen en ons inschakelen”, meent Ten Wolde. Hij beklemtoont dat het daarbij niet de bedoeling is de leiding over het onderzoek van de curator over te nemen. Het gaat expliciet om ondersteuning. Daaronder vallen taken als begeleiding van de curator bij een eerste bezoek aan het gefailleerde bedrijf om te kijken of de boekhouding ordentelijk is, tot het daadwerkelijk doorlichten van de administratie en het opnemen van voorraden. Komen daarbij malversaties aan het licht, dan wordt 'feitenonderzoek' verricht om vast te stellen of sprake was van onbehoorlijk bestuur. Is aan de publikatieplicht voldaan? Heeft de directie roekeloos gehandeld, of is de kas geplunderd? Gekeken wordt naar de volledigheid van de administratie en de deponering van de jaarstukken bij het handelsregister tot en met gepleegde buitenlandse overnames en de financiering daarvan.

Bij een vermoeden van onbehoorlijk bestuur voorafgaand aan het faillissement kan de curator de bestuurder en eventuele commissarissen persoonlijk aansprakelijk stellen. Vervolgens moet de curator, na een veroordeling door de rechter van de falende bestuurder, de claim ook innen. In de praktijk is dat een kwestie van lange adem.

Volgens voorzitter mr. S.H. de Ranitz van de Vereniging van Insolventierechtadvocaten, Insolad (ruim 300 leden), is het “ongetwijfeld zo dat op een aantal punten de gespecialiseerde accountant de curator tot hulp kan strekken bij het opsporen van administratieve fraude en misbruik van economische constructies. Daarmee zeg ik overigens niet dat de curator dat niet zelf kan.”

De accountant kan, in De Ranitz' woorden, de bakstenen aandragen. De leiding van het onderzoek moet volgens hem te allen tijde in handen van de curator blijven. “De accountant mist het juridisch inzicht in wat precies wel en niet kan”, meent de voorzitter van Insolad.

R.C. Crouwel RA, senior manager van de KPMG-afdeling forensische accounting, is het met De Ranitz eens. Niettemin is het volgens hem, om als accountant goed met een curator samen te werken, onontbeerlijk ook enige juridische kennis te hebben. “Het is zaak je bevindingen zo op te schrijven dat die voor de rechter als bewijslast kunnen dienen. Je moet als het ware weten wanneer je kunt kwispelen als je met een kluif in je bek uit het bos komt”.

Voordat Crouwel in 1993 bij KPMG in dienst trad, was hij werkzaam bij de Centrale Recherche Informatiedienst als fraude-onderzoeker. Hij richt zich vooral op de grotere faillissementen. “De crimineel van de toekomst opereert grenzeloos, is goed georganiseerd en maakt gebruikt van experts. Er zullen altijd wel specialisten blijven die voor zijn karretje gespannen willen worden”, denkt Crouwel. “Wil je dat soort fraudeurs pakken, dan moet je er teams van deskundigen op zetten. Daar krijgt een curator alleen nooit zijn vingers achter.”

KPMG begon in 1993 met drie mensen met aan Forensic Accounting. Inmiddels is de bezetting gegroeid tot twintig man, die zijn gehuisvest in een speciaal beveiligde afdeling op het hoofdkantoor in Amstelveen. Directeur Ten Wolde verwacht dat, afhankelijk van de vraag hoe snel andere accountants insolvency support aanbieden, het aantal forensische onderzoekers bij KPMG de komende jaren met enkele tientallen zal groeien.

De Ranitz onderschrijft deze optimistische prognose. Hij schat dat eenderde van de faillissementen te klein is om drukte over te maken. In de helft van de andere gevallen zou een curator naar zijn idee kunnen overwegen het administratieve spitwerk uit te besteden aan een gespecialiseerde accountant. “Mits natuurlijk de prijs van de dienst in verhouding staat tot de vakkundigheid. Anders ontlast het hem niet en schieten bovendien de crediteuren erbij in.”

De bewering van KPMG dat curatoren boedels in veel gevallen slecht uitponden is volgens De Ranitz onjuist. Dat er veel te weinig geld boven water komt, is volgens hem te wijten aan het feit dat fraudeurs veelvuldig geld via een serie overboekingen wegsluizen naar andere landen, waardoor het buiten bereik van de Nederlandse gerechtelijke autoriteiten raakt. Een andere reden is dat het Openbaar Ministerie een lage prioriteit stelt aan het vervolgen van faillissementsfraude.

“Het heeft daarin beterschap beloofd”, zegt De Ranitz hoopvol. “De wetenschap dat je toch niet wordt aangepakt heeft een enthousiasmerende werking. Mensen denken: als iedereen ongestraft over de schreef gaat, waarom ik dan niet? Het is verduveld moeilijk die ethische grens zelf te eerbiedigen, als de pakkans nihil is.”