Zeldzaam in haar grensgebied

Nederlands Tijdschrift voor de Psychologie en haar grensgebieden. Jaargang 50, nummer 6, december 1995. Verschijnt tweemaandelijks.

Uitg. Bohn Stafleu van Loghum, losse nummers ƒ 28,50.

Vijftig jaar geleden begon het Nederlands Tijdschrift voor de Psychologie en haar grensgebieden voor de tweede keer zijn eerste jaargang. Opgericht in 1933, door L. van der Horst en J. van Essen van de Vrije Universiteit, bracht het blad in de oorlogsjaren, toen de redactie op last van de Duitsers was afgezet, onder aanvoering van Van Essen een 'onmiskenbaar nationaal-socialistische boodschap'. En dus ging in 1946 de teller terug naar één.

De redactie van het 62-jarige tijdschrift (de psychologie zelf dateert van 1879, toen Wilhelm Wundt in Leipzig het eerste psychologische laboratorium oprichtte) heeft weinig trek oude koeien uit de sloot te halen en vermeldt de omnummering in een voetnoot. Wel is er in het jubileumnummer een artikel van Eric Haas over de historisch gegroeide verhoudingen tussen schoolartsen, psychologen en pedagogen. Het wijst op de eenzijdige rol die het Nederlands Tijdschrift voor de Psychologie in de jaren 1933-1944 (welk nummer hebben die jaargangen?) speelde door het toegepaste karakter van de psychologie te verzwijgen.

De rest van het nummer gaat over de psychologie en haar grensgebieden. De redactie heeft onderzoekers uit de sociologie, theologie, economie, psychiatrie en andere omringende vakgebieden gevraagd wat zij aan de psychologie hebben.

Drie bijdragen springen eruit. David Bos meent dat de moderne theologen in de psychologie een alternatief hermeneutisch principe herkenden: 'men moest de bijbel niet lezen als een gemankeerd biologie- of geschiedenisboek maar als psychologische roman'. In de jaren zestig, toen predikanten en priesters op de aantasting van hun gezag als 'kanseltijgers, zwartrokken en zedenmeesters' reageerden door zich als hulpverlener te presenteren, werd de non-directieve gesprekstechniek van Carl Rogers massaal omarmd. Vooral conservatieve katholieken vreesden met de psychologie een Paard van Troje binnen te halen - een angst die volgens Bos gerechtvaardigd bleek. 'Katholieke intellectuelen voerden hun aanval op de traditionele moraal uit met veel psychologisch geschut.'

Dat de Nederlandse psychologen zich weinig diepgaand met de revolutionaire ontwikkelingen in de taalkunde hebben beziggehouden, wijt de Groningse linguïst Jan Koster aan hun fixatie op de experimentele methode. 'Veel cognitieve psychologen zien het uitvoeren en statistisch analyseren van goed ontworpen experimenten als hun belangrijkste verworvenheid,' aldus Koster. 'Maar Chomsky heeft niet nagelaten de psychologen in te wrijven dat doorbraken op het gebied van de taalkunde plaatsvinden op basis van observatie en creatieve conceptuele analyse, zonder dat daar noemenswaardige experimentatie aan te pas komt.' Koster ziet het positiever, mits taalkundig geïnteresseerde psychologen zich verdiepen 'in de centrale en meest stabiele resultaten van de taalkunde, die liggen op het terrein van de fonologie, de syntaxis en de modeltheoretische semantiek'.

Econoom Jan Pen ten slotte vindt dat psychologen eerst maar eens moeten begrijpen wat de bedoeling is van 'een Grote Geünifieerde Theorie'. Dat een huisvrouw in de supermarkt grensnutten van wasmiddelen en broodbeleg op elkaar deelt, om het quotiënt te vergelijken met de prijsverhouding, is, zo erkent de emeritus-hoogleraar, nogal bizar. 'Psychologen die iets opvangen van het economische taaltje, en overal het woord 'rationeel' horen opduiken, gaan in de aanval, en wat wij dan aan ze hebben is vooral dit: ze dienen als sparring partners in een debat. Dat kan ons helpen om onze eigen positie beter te begrijpen.'

Ook in het jubileumnummer een artikel van de Amsterdamse wetenschapsdynamici Rob Hagendijk en Hans Helms over de mate waarin psychologen door onderzoekers in aangrenzende disciplines worden geciteerd. Gegevens van het Institute for Scientific Information, bekend van de Citation Index, brachten de onderzoekers tot de conclusie dat 20 procent van de verwijzingen naar psychologische publikaties voor rekening komt van niet-psychologen. Vooral geneeskundigen en psychiaters willen nog weleens psychologen citeren, al stemmen de relatieve aantallen (0,89 respectievelijk 5,98 procent van het totaal aan citaties in beide vakgebieden) tot bescheidenheid. Een tijdschrift als de British Medical Journal telde in zijn jaargang van 1988 in totaal 17.316 verwijzingen, waarvan 105 naar psychologie.

Bovendien vonden Hagendijk en Helms dat veel van die citaties voor rekening komen van psychologen die publiceren in niet-psychologische tijdschriften. Niet de resultaten van psychologisch onderzoek moeten worden geëxporteerd, concluderen de onderzoekers, beter is het de psychologen zelf naar de grensgebieden te verplaatsen. Psychologen zouden vanouds gericht zijn op academische zuiverheid, op kundig experimenteren. En in de meer praktisch georiënteerde pedagogie en psychiatrie, zo voegt aanstaand redactiesecretaris René van Hezewijk hier optimistisch aan toe, is het juist deze wetenschappelijke houding die de psycholoog tot een 'graag geziene gast' maakt.