WETENSCHAPSQUIZ

De Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek en de VPRO verdienen een compliment dat zij het hebben aangedurfd om voor de tweede maal een nationale wetenschapsquiz te organiseren.

Na de wat gemengde resultaten van het vorige jaar wordt het deze keer extra spannend. Al kan er over de uitslag niet worden gecorrespondeerd, gelukkig mogen we wel naar hartelust speculeren. Zal de winnaar ook deze keer een vrouw zijn? En zelfs een Wagenings ingenieur? En vooral: zullen de wetenschappelijke onderzoekers opnieuw het onderspit delven? Het zou me niets verbazen als dat zo zou zijn. Succes van de politici demonstreert hoogstens dat dit type quiz vooral gericht is op het toetsen van gezond verstand en min of meer parate kennis, en niet zozeer op wetenschappelijk redeneren. Onderzoekers zijn zelden in staat om 'ja, maar' vragen bij zich zelf in toom te houden. Dat zaait twijfel, kost tijd en is dodelijk voor een goede score. In die zin is de term wetenschapsquiz dan ook bepaald misleidend: het gaat nauwelijks om wetenschap maar vooral om een brede basiskennis. Kennis in de categorie 'every schoolboy knows', zoals Lord Macaulay's het noemde ('Every schoolboy knows who imprisoned Montezuma...' enz). Eigenlijk dus het soort kennis waarover iedere lezer van het Vakblad voor de Nederlandse Intellectueel - ja, inderdaad, de Wetenschapsbijlage - zou moeten beschikken. Maar dat is allemaal bijzaak: het Nationale Dictee en de Wetenschapsquiz zouden wel eens effectievere propaganda kunnen vormen voor het nuttige en het aangename van (exacte) kennis, dan dure krantenadvertenties en wanhopige pleidooien aan het adres van politici. En misschien versterkt het wedstrijdelement ook nog de aantrekkelijkheid voor jongeren: uitblinken op de televisie heeft toch meer allure dan het behalen van hoge cijfers in de klas. Dat neemt niet weg dat er ongetwijfeld wel weer het nodige gekibbel zal ontstaan over het gebrek aan eenduidigheid van de vragen. Het blijft moeilijk om inzicht te toetsen door middel van multiple choice vragen, omdat een foute redenering nu eenmaal het goede antwoord tot gevolg kan hebben, en omgekeerd een goede redenering kan leiden tot het verwerpen van het juiste antwoord omdat dit niet scherp genoeg geformuleerd is. Eigenlijk vind ik dat niet zo belangrijk: inzicht scoort wat mij betreft niet altijd hoger dan feitenkennis. Er is helemaal niets tegen een dosis feitenkennis, mits aantrekkelijk verpakt en niet geheel en al uit zijn verband gerukt. Ik ben daarom een overtuigd voorstander van quiz- of examenvragen die zich richten op begrip van orden van grootte, als een soort tussenvorm tussen inzicht en losse feiten. Het onderscheiden van de juiste orde van grootte veronderstelt immers een zekere kennis van de relevante factoren en de contekst. Het zijn ook deze vragen die de meeste bevrediging opleveren voor de deelnemer: in tegenstelling tot 'weetjes' kun je de orde van grootte van een bepaald verschijnsel niet zo makkelijk vergeten als je daar eenmaal mee geconfronteerd bent. Vergelijk het maar met het onthouden van jaartallen: dat Rembrandt in 1606 (meen ik) is geboren, onthoudt niet iedereen, maar dat hij in de eerste helft van de zeventiende eeuw leefde, vergeet je nooit meer zodra je met dat gegeven in aanraking bent gekomen. Bovendien doet een quiz meer dan feiten of inzicht toetsen. Geen beter instrument om het bewustzijn te verruimen dan de quiz! Een goede quiz dwingt tot nadenken over je verhouding tot de wereld: of het nu over spelling, eigen gedrag of de liefde is. Het aardige van een techniek- of wetenschapsquiz is dat dat nadenken ook nog zoden aan de dijk zet, dat wil zeggen: tot kennis leidt. Allerlei prangende vragen waarvan de antwoorden altijd halfbegrepen waren, in de trant van 'hoe werkt een dynamo ook al weer?', vallen dan op hun plaats. Daarbij kan het ook om volslagen nutteloze kennis gaan waar een mens in het dagelijks leven niets aan heeft. En eerlijk gezegd is dat misschien wel de allerleukste vorm van kennis, die nergens toe leidt en toch de geest verrijkt. Ik kan de verleiding dan ook niet weerstaan om de lezer een beknopte nationale 'landbouwwetenschapsquiz' voor te schotelen. Uiteraard gaat het hier om mijn eigen ruime, maar verre van terreindekkende versie van de landbouwwetenschap, met een vleugje milieuwetenschappen. Niet alleen omdat dit soort kennis in onze verstedelijkte samenleving nuttig blijft, maar ook omdat ik vind dat het onderstaande tot het basispakket van de academicus van vandaag behoort, ook al zet hij/zij nooit een voet op het platteland.

1. Nederland loopt voorop als het gaat om plannen om het totale volume aan bestrijdingsmiddelen terug te dringen. Maar hoeveel is hiervan in de praktijk gerealiseerd tussen 1985 en 1994? a. 40% minder verbruik b. verbruik is ongeveer gelijk gebleven c. verbruik is met 15% gestegen

2. We maken ons ernstig zorgen over het kappen van tropische bossen. Als een hectare tropisch regenbos wordt gekapt, hoe lang duurt het dan voordat de oorspronkelijke biomassa (het volume aan planten en dieren) weer op peil is? a. minder dan 50 jaar b. ongeveer 200 jaar c. meer dan 500 jaar

3. Op de meest gunstige landbouwgronden in Z.O. Azie kunnen maximale rijstoogsten bereikt worden van 25-30 ton per hectare per jaar. Hoeveel mensen zouden hiermee theoretisch gevoed kunnen worden? a. ongeveer 50 b. ruim 100 c. meer dan 500

4. Een verhoging van het atmosferisch CO-gehalte zou grote effecten kunnen hebben voor de landbouw: a. het leidt tot opbrengststijging b. het leidt tot opbrengstdaling c. het heeft geen effect tenzij het samengaat met een verandering van temperatuur

5. In de Verenigde Staten wordt meer dan 100 kg vlees per persoon per jaar gegeten. Welk deel van de Amerikaanse graanoogst verdwijnt, naast veevoerimporten, in de magen van vee? a. een kwart b. de helft c. meer dan tweederde

6. Wat is in termen van oppervlakte het belangrijkste landgebruik in Nederland? a. akkerbouw b. bosbouw, recreatie en natuur c. grasland

7. In grote delen van West Afrika ten zuiden van de Sahel is de meest beperkende factor voor plantengroei: a. voedingsstoffen b. water c. sprinkhanen en andere schadelijke insecten

8. De Gaia-theorie van James Lovelock heeft veel mensen, ook buiten de wetenschap, geïnspireerd. Zijn belangrijkste stelling is dat: a. een voorbeeld genomen moet worden aan traditionele volken die in evenwicht met het milieu leven b. de aarde als een organisme zichzelf reguleert c. de moderne mens de grootste vijand van het natuurlijk evenwicht is

9. De bevolkingstoename, die vooral in de zogenaamde ontwikkelingslanden plaats vindt, is een wereldwijde bron van zorg. Hoe ontwikkelt die groei zich eigenlijk in de komende decennia? a. de groei zwakt af tot ongeveer 0.8% in 2050 b. de groei zwakt af tot 1.5% in 2050 c. de groei neemt eerst nog toe en zwakt pas na 2050 af

10. Om aan de groeiende vraag naar voedsel te voldoen, lijkt irrigatie in een aantal gebieden onvermijdelijk. Welk deel van de wereld heeft het grootste potentieel aan ongebruikte irrigeerbare gronden? a. het Midden Oosten b. Centraal Amerika c. sub-Sahara Afrika

11. In een gunstig jaar liggen de gemiddelde graanopbrengsten in Nederland boven de 8000 kg per hectare. Hoe hoog waren de opbrengsten in de Middeleeuwen? a. minder dan 750 kg b. tegen de 2000 kg c. ongeveer de helft, 4000 kg

12. Het Nederlandse mestprobleem bestaat in feite uit verschillende deelproblemen. Waar gaat het mede om bij het fosfaatoverschot? a. veehouders kunnen van fosfaat, in tegenstelling tot stikstof, geen nauwkeurige mineralenboekhouding bijhouden en dus kan er niet adekwaat gecontroleerd worden b. de hoeveelheid fosfaat kan slechts langzaam teruggebracht worden via de beperking van ammoniak uit stallen, zodat de nu gestelde normen onhaalbaar zijn c. op zandgronden mag slechts zeer weinig fosfaat op het land gebracht worden, omdat die al verzadigd zijn; volgens de boeren leidt dit tot een onhaalbare norm.

13. In Europa heeft de teelt van landschapsvervuilende snijmais de laatste jaren een hoge vlucht genomen. Waar komt mais oorspronkelijk vandaan? a. uit het Middenoosten b. uit Midden-Amerika c. uit Noord-Afrika

[Goede antwoorden: 1a; 2b; 3b; 4a; 5c; 6c; 7a; 8b; 9a; 10c; 11a; 12c; 13b]