Wet moet keus voor moeders naam simpeler maken; De afwijzing van het homo-huwelijk is juridisch zeer goed gefundeerd

De plannen van het kabinet voor aanpassing van het huwelijks- en namenrecht zijn beter doordacht dan de critici beweren, stelt Irène Diependaal. De partnerregistratie is een schitterende oplossing en de versoepeling van het namenrecht kan er ook mee door. Alleen, waarom zo omslachtig doen met moeders naam?

Het voorstel van het kabinet, afgelopen najaar, om een homo-huwelijk definitief af te wijzen en voortaan de naam van de moeder toe te kennen aan borelingen, ontmoette veel kritiek. Begin deze maand werd die nog eens dunnetjes overgedaan in een hoorzitting voor het parlement, dat nu de knoop moet doorhakken.

Grondige lezing van de nota 'Leefvormen in het familierecht', wetsvoorstel en andere Kamerstukken leert dat de eerstverantwoordelijke politicus, staatssecretaris Schmitz (justitie), haar tegenstanders veel verder tegemoet is gekomen dan op het eerste gezicht lijkt.

Uit de Kamerstukken en nota blijkt dat de afwijzing van het homo-huwelijk juridisch zeer goed is gefundeerd. Bovendien wordt indirect tegemoet gekomen aan de (terechte) wensen van de homoseksuelen. Uit de kritieken blijkt één hoofdbezwaar: het gelijkheidsbeginsel is in geding omdat deze groep niet wordt toegelaten tot de huwelijkswetgeving. Een halve erkenning van de gelijkwaardigheid van homo- en heteroseksuelen, zo omschreef Wibren van der Burg het voorstel (NRC Handelsblad, 23 september).

Zorgvuldige lezing van de nota leert echter dat er meer aan de hand is dan “zorgen over het Nederlands imago in het buitenland” en een simpele uitsluiting van homo's tot de emotionele erkenning van hun samenleefvorm. Schmitz geeft in haar nota aan, dat de wensen van de homoseksuelen op een paar essentiële punten strijdig zijn met internationale regelgeving (EVRM) en rechterlijke uitspraken daaromtrent. Dan ontstaat de vraag: gaat Nederland die belemmeringen juridisch te lijf of zorgen wij voor een uitweg waarbij die belemmeringen niet meer gelden.

Schmitz kiest voor de tweede methode en komt met een alternatief dat én veel aantrekkelijker is dan het openstellen van het huwelijk voor homoseksuelen én tegelijkertijd tegemoetkomt aan de moderne samenleefvormen van heteroseksuelen: een partnerregistratie die het huwelijk wel eens kan gaan vervangen. In alle tumult wordt namelijk vergeten dat ook het huidige huwelijk niet meer aansluit bij de moderne samenleving.

De huwelijkswetgeving werd ingevoerd in een tijd dat mensen eenmalig kozen voor een partner van wie zij door de dood gescheiden zouden worden. Dit najaar keken Nederlanders lacherig aan tegen de discussie op een verbod op echtscheiding in Ierland; toch was dit ten tijde van invoering van Boek I van het Burgerlijk Wetboek ook bij ons de situatie. De juridische verankering van 'tot de dood u scheidt' was noodzakelijk in een tijd dat vrouw en kinderen economisch afhankelijk waren van een kostwinner.

Tegenwoordig hebben wij echter, mede dankzij veranderde economische structuren, te maken met mensen die kiezen voor 'seriële monogamie' (het hebben van meerdere opeenvolgende partners) en een groot aantal echtscheidingen. Schmitz biedt een oplossing: de huwelijkswetgeving aanvullen met een regels voor 'partnerregistratie'.

Als de voorstellen uit de nota worden vergeleken met de huidige wetgeving en de uitvoeringspraktijk, blijkt dat Schmitz een schitterende oplossing voor een nijpend maatschappelijk probleem geeft. Een samenlevingsregistratie van homoseksuelen én heteroseksuelen komt naast het huwelijk te staan en biedt alle voordelen van het huwelijk voorzover mogelijk zijn binnen het kader van internationale regelgeving. Deze 'partnerregistratie' kan dezelfde emotionele betekenis hebben als het huwelijk: je neemt iemand officieel tot man of vrouw.

Belangrijk is vooral dat deze registratie een belangrijke tegemoetkoming is aan heteroseksuelen met kinderwens of hypotheekwensen, die alleen maar trouwen vanwege de juridische voordelen: een huwelijksvoltrekking kost weinig, een notarieel samenlevingscontract kan in de papieren lopen en levert veel 'extra geregel' op. In geval van samenwonen ga je uit elkaar en ontbind je de notariële akte, in geval van een huwelijk moet je door een echtscheidingsprocedure.

Op uitdrukkelijk verzoek van de Raad van State is in het wetsvoorstel de noodzaak weggenomen om een registratie aan te gaan door tussenkomst van een notaris; een registratie bij een ambtenaar van de burgerlijke stand zal voldoende zijn als het wetsvoorstel in de huidige vorm wordt aangenomen. Beëindiging van een partnerregistratie zal verlopen via een notariële akte of via een akte in de registers van de burgerlijke stand. Een ondertekening door een advocaat zal in het tweede geval nog wel nodig zijn, een uitspraak door een rechter zal alleen nodig zijn bij het klassieke huwelijk.

Op twee punten dus een forse vooruitgang: weinig kosten bij afsluiten en ontbinding, wel het bevredigende gevoel dat je officieel iemand tot partner hebt genomen, met inbegrip van officiële documenten en desgewenst in een ceremoniële bijeenkomst. Alleen in geval van adoptie is het, gezien internationale afspraken, nog noodzakelijk een huwelijk aan te gaan.

Dus er wordt, voorzover mogelijk, wel degelijk tegemoet gekomen aan de gelijkheidswensen van homoseksuelen. Het gebeurt alleen via een omweg. Een omweg die veel heteroseksuelen waarschijnlijk óók zullen gaan nemen, zodra de voordelen algemeen bekend worden en de gedachte verdwenen is dat het klassieke huwelijk de enige officiële erkenning is van een emotionele keuze.

De COC krijgt dus via de achterdeur zijn zin: afschaffing van het huwelijk. Immers, het juridische huwelijk is ook een tamelijk recente uitvinding. De voorstellen van de partnerregistratie lijken verdacht veel op de sociale samenleefvormen (“het tot man en vrouw nemen”) in de (klassieke) oudheid, vóórdat de rooms-katholieke kerk in de volle Middeleeuwen het juridische huwelijk (kerkrecht) invoerde om te zorgen dat een kostwinner zijn vrouw en kinderen niet zonder inkomsten kon achterlaten indien er een leukere, aanzienlijker of rijkere vrouw voorbij kwam. Het juridisch huwelijk was nauwelijks in de Nederlandse burgerlijke wetgeving opgenomen of de echtscheidingsprocedures zetten de uitgangspunten al weer onder druk.

Waarom wordt zo vastgehouden aan dit 'Middeleeuwse instituut', terwijl er een goed alternatief is dat reeds eerder beproefd is en dat veel beter aansluit bij de tijdgeest en de moderne samenleving? Laten wij de 'partnerregistratie' de kans geven een emotionele verworvenheid te worden! Ook ten aanzien van het namenrecht geldt het adagium 'de bedoeling was goed, maar de waarde van de voorstellen en de achterliggende overwegingen komen niet geheel tot uiting'. De nota die in september werd gepresenteerd haalde namelijk een streep door een idee dat als wetsvoorstel al eerder bij de Tweede Kamer was ingediend en dat nòg minder aansluit bij maatschappelijke wensen. Het vorige kabinet stelde voor om ouders te laten kiezen bij de keuze van een achternaam en in geval van stakende stemmen over te gaan tot een loting.

Schmitz stelt nu voor bij geboorte van het eerste kind te kiezen en bij stakende stemmen de naam van de moeder te nemen. Beide voorstellen kunnen op veel kritiek rekenen. Loting is voor veel mensen niet-acceptabel omdat het willekeurig is en niet tegemoet komt aan de bezwaren die aan het huidige systeem kleven. De (mogelijke) negatieve gevolgen van voorstel van Schmitz zijn al breed uitgemeten: ruzies binnen huwelijken, problemen bij echtscheidingen, toename van het aantal juridische procedures, problemen op het terrein van registratie, het vermoedelijke einde van de genealogie in klassieke zin.

Als de overwegingen in de nota worden gecombineerd met de kritiek op het huidige systeem en de voorgestelde wijzigingen, ligt een eenvoudige, gematigder oplossing voor de hand. Deze is echter tot dusverre door de meeste critici en de staatssecretaris over het hoofd gezien: de automatische toekenning van de naam van de vader (de huidige procedure) en indien gewenst de naam van de moeder (om tegemoet te komen aan mensen die met de huidige regeling problemen hebben).

Ouders willen om twee redenen voor de naam van de moeder kunnen kiezen: omdat 'de dynastie' niet mag uitsterven of omdat zij de rol van de moeder willen benadrukken. Het huidige voorstel komt niet volledig tegemoet aan de eerste wens. Bij dynastieke overwegingen, onder meer door het koningshuis, wordt eenmalig voor de naam van de moeder gekozen, een tijdelijke onderbreking van het patriarchale systeem dus. Schmitz kiest echter voor een zuiver matriarchaal systeem: de naam van de vader komt niet meer terug, tenzij er uitdrukkelijk voor gekozen wordt.

Dan de tweede overweging: het is nog maar de vraag of mensen behoefte hebben aan de naam van de moeder om haar rol te benadrukken. Christien Brinkgreve richtte in deze krant (13 september) de aandacht op de succesvolle come-back van de vaderrol in de sociale wetenschappen, nadat jarenlang alle aandacht was gericht op de wensen van feministen. Willen de vaders het, was haar vraag.

Waarom niet het oude systeem aangevuld met de mogelijkheid om de naam van de moeder in te voeren? Theoretisch was dit reeds mogelijk, maar in de praktijk maakten weinigen daar gebruik van. Eén rechtsregel om dit te vereenvoudigen en iedereen krijgt zijn zin, terwijl de (praktische) ongelijkheid tussen koningin en burgers wordt opgeheven. Dynastieke belangen en persoonlijke voorkeuren kunnen dan worden bereikt zonder huwelijksproblemen, juridische strijd en vastgelopen bureaucratie.

    • Irène Diependaal