Vragende dominees

Met de correctie dat níet boer P. Ritsema maar landbouwattaché C. Roele verantwoordelijk is voor de uitspraak 'Als boeren niet klagen en dominees niet vragen, dan heb je het einde der dagen', is de mist rond deze volkse wijsheid niet opgetrokken. (NRC Handelsblad, 19 december).

Wat is nu precies de strekking van het gezegde? Ritsema en Roele wekken de indruk dat boeren behoren te klagen. Dus het gedreun van tractoren moet ons geruststellend in de oren klinken. Boeren toeren vanwege hun zelfrealisatie.

Maar nu die dominees. Die schijnen altijd te vragen. Wat weet Roele hier van? Is vragen misschien een gesekulariseerde uitdrukking voor bidden, of is het de aanduiding van het bedelen om geld? Stelt de predikant existentiële vragen aan zijn luisteraars?

En dan het derde deel. Moeten we blij zijn met het einde der dagen omdat we eindelijk verlost zijn van boer en dominee en hun vermelde bezigheden of mogen we juist blij zijn dat onze ellende beperkt blijft tot klagende en vragende beroepsgroepen omdat als het einde der dagen dáár is we terug zullen snakken naar de tijd dat er alleen maar geklaagd en gevraagd werd?

Wie zei er: 'ben je soms zélf dominee?'