Vissers gelaten over kleinere vangstquota

SCHEVENINGEN, 28 DEC. Op nog geen vijftig meter voor zijn bureau ligt de Johanna Maria te lossen, een imponerende diepvriestrawler van 115 meter lang. Het schip is een jaar oud en is met 30 tot 45 bemanningsleden steeds drie tot vijf weken buitengaats. Jan Bakker, directeur van de Scheveningse rederij Jaczon: “Ik wil vooral benadrukken dat we niet zielig zijn. We zouden alleen wat meer 'gelijke behandeling' willen en een lange-termijnvisie vanuit Brussel. De Europese Commissie legt steevast in de laatste week van december haar ei. Komende zaterdag - een dag voor Oudjaar - krijgen we dan van het ministerie te horen wat we vanaf maandag - 1 jauari - mogen vangen. Bedrijfseconomisch rampzalig. Zo kun je onmogelijk een onderneming runnen.”

Minister Van Aartsen (landbouw, natuurbeheer en visserij) keerde vorige week vrijdag, na een nachtelijke marathonvergadering over beperking van de visquota voor 1996, tevreden huiswaarts. Het akkoord over de vangstbeperkingen was aanmerkelijk minder drastisch dan de Europese Commissie had voorgesteld. Voor Europees visserij-commissaris Bonino was het uiteindelijke compromis een teleurstelling. Ze had 'moediger maatregelen' gewild.

In Nederlandse visserij-kringen heerst een gelaten sfeer, al wordt Van Aartsen geprezen voor wat hij uit het vuur heeft gesleept. Teun van Dam, schipper/eigenaar van twee forse, op tong en schol vissende kotters, de Goeree 14 en de Goeree 31, vindt die lof wat overdreven. “Het is wel voor de tweede keer dat we zo'n klap krijgen.”

Bonino was tijdens het Brusselse overleg gedwongen om de Noorse minister uit bed te bellen voor meer schol, wat de Europese Unie nog 3.000 ton extra opleverde boven de door Oslo toegezegde 78.000 ton. De Nederlandse vissers kunnen daardoor vanaf 1 januari 30.550 ton schol vangen. De Commissie toonde zich bovendien bereid de totale vangsthoeveelheid (TAC, ofwel Total Allowable Catches) voor tong te verhogen van 15.000 naar 23.000. Daarvan krijgt Nederland 17.300 ton. Vooral de hoeveelheden schol (van 50.860 in 1995 naar 30.550 ton), haring (van 97.045 naar 64.880 ton) en makreel (van 36.500 naar 24.340 ton) zijn aanzienlijk verlaagd. Ook van tong, kabeljauw en wijting mag minder worden gevangen. Het totale quotum voor Noordzeevis is nu teruggebracht van 115.000 ton (in 1995) tot 78.000 ton volgend jaar, terwijl wetenschappers 61.000 ton hadden geadviseerd.

“We gaan een zeer zwaar jaar tegemoet”, zegt Johannes Schenk van het Urker bedrijf Northsea Food Holland BV, dat schol verwerkt tot kant en klare produkten voor de supermarkt. “Deze klap kunnen we niet alleen opvangen. Niet alleen voor de 180 mensen die hier werken, maar voor de hele Urker gemeenschap is dit een domper. Negentig procent van de bevolking is afhankelijk van de visserij, in het bijzonder van platvis.”

Northsea Food levert vooral aan Italië en Zweden. “Het afgelopen jaar hebben we al met een teruggang van 30 procent te maken gehad ten opzichte van 1994. Daarnaast is de Italiaanse lire sterk verzwakt. Ons produkt wordt duurder. Het is de vraag of ons produkt nog aantrekkelijk blijft. Bovendien willen onze afnemers stabiliteit, qua aanvoer en qua prijs. Op beide fronten kunnen we niets meer garanderen.”

Van paniek wil Schenk niet weten en somber is hij evenmin. “Op langere termijn komt het goed met de scholstand. Er is een 'scholbox', zeg maar een baby-kamer voor schol, tussen de Waddeneilanden en Denemarken waar kotters die zwaarder zijn dan 300 pk niet mogen vissen. Er is al een visverbod op schol voor schepen van meer dan 2.000 pk. Bovendien is de lengte van de boomkor ingekort. Die maatregelen moeten op termijn iets opleveren”, aldus Schenk.

Het is volgens hem belangrijk dat de visverwerkende industrie wordt geholpen die moeilijke jaren te overleven. “Toen de haringvisserij op de Noordzee was verboden in de jaren zeventig verdween de verwerkende industrie. Zodra er weer gevangen mocht worden, zat de verwerking in Denemarken.”

Pag.19: Vissers betreuren 'drastische' reducties

Urk hoopt op een strategie voor de moeilijke periode tot het weer beter gaat. “Ik denk daarbij vooral aan hulp van het ministerie van sociale zaken en werkgelegenheid”, zegt Schenk. “We zouden aan forse werktijdverkorting moeten kunnen doen. Terug naar een werkweek van drie dagen bijvoorbeeld.” Schenk betreurt de drastische ingreep wel. “Dertig procent is te veel. Iets minder had ook gekund en gespreid over een paar jaar had je hetzelfde effect kunnen bereiken, in sociaal-economisch opzicht was dat veel beter geweest”.

Dat vindt ook Cor Vrolijk, reder in IJmuiden en voorzitter van de redersvereniging. De trawlers van de grote reders zijn uit op zogeheten pelagische vis, die in scholen zwemt. “Voor ons geldt dat met name haring en makreel. We moeten nu omzien naar vissoorten met een minder streng quotum, zoals horsmakreel en blauwe wijting. Ze worden hier niet of nauwelijks gegeten.”

Een andere uitwijkmogelijkheid vormen verre visgronden. Sinds een jaar vissen de vier grote grootste Nederlandse rederijen - Jaczon, Vrolijk, Parlevliet/Van der Plas en Van der Zwan - gezamenlijk al onder de kust van Namibië. “Op dit ogenblik zijn onze vrienden uit Mauretanië hier. Met hun proberen we een goede privaatrechtelijke overeenkomst te sluiten voor de vangst van 300.000 ton. We zullen letterlijk leergeld moeten betalen en hopen op een beetje steun van de overheid”, zegt Bakker van Jaczon. Mauretanië kan een lichtpuntje zijn, dankzij het wegvallen van de vissers uit het Oostblok, die daar tot voor enige jaren visten. “Nu ze dat bedrijfseconomisch verantwoord moeten doen, verstoken van allerhande vette subsidies, lukt het niet meer”, aldus Bakker. De trawlers vissen en verwerken de vangst op zee. Van de totale opbrengst gaat 95 procent naar het buitenland, 80 procent naar landen buiten de EU, zoals Japan, Cuba en Egypte.

De belangrijkste vangstgebieden voor de trawlers zijn traditioneel de zeeën rond Groot-Brittannië en Ierland. Ook de vrije zone tussen Noorwegen en IJsland wordt sinds kort uitgeprobeerd. Vrolijk: “We moeten wel, willen we de werkgelegenheid voor 600 tot 700 man op de schepen veilig stellen. Wat er aan de wal gebeurt is ernstiger. Investeringen zijn niet aan de orde, hooguit voor vervanging. Het gaat dan om scheepswerven en toeleveringsbedrijven met werkgelegenheid voor twee- tot drieduizend man.”

Bakker zegt dat de sector geholpen zou zijn als zij zoals de koopvaardij zou worden behandeld. “Op fiscaal vlak heerst daar een regiem dat het werkgevers makkelijk maakt om een goed loon te betalen. Daar wordt duidelijk aan lastenverlichting gedaan. Zouden wij zo worden behandeld, dan kwamen we deze tijd beter door. Het zou ook rechtvaardig zijn, want wij brengen - net als de koopvaardij - goederen naar hun bestemming”.

Zowel de visverwerkende industrie, de grote reders als de schippers/eigenaars twijfelen aan de juistheid van het biologisch onderzoek, waarop de quotering is gestoeld. Bakker: “Het is slecht onderzoek en dat geven de biologen ook toe, want op hun budget is ook flink gesnoeid. De vissers hebben een heel andere indruk van de visstand. Dat neemt niet weg dat wij tevreden zijn quoteringen. Logisch, want de eerste die is gedupeerd door een lege zee is deze sector. We zijn technisch gezien in staat zijn om er een grote rotzooi van te maken. Hier en daar gebeurt dat ook. Denen en Zweden vangen letterlijk alles wat de vismeelindustrie wil afnemen.”

Naast die fiscale 'gelijke behandeling' met de koopvaardij zou Bakker bovendien graag zien dat de controle binnen de lidstaten beter zou zijn. “In Schotland en Ierland wordt vis buiten de quotering om verkocht aan Russen. Gewoon in de haven, zonder dat iemand er iets van zegt. Het is kennelijk politiek niet te verkopen om ze aan te pakken. Er is geïnvesteerd en de bank moet worden betaald en dus is het electoraal niet wenselijk daar in te grijpen. Zo komen we ze twee keer tegen, als concurrent - er komt goedkope vis op de markt die er niet zou mogen zijn - en omdat zij te veel vangen, krijgen wij een lagere quotering.”

Wat Bakker, net als Schenk op Urk, zorgen baart is de 'marketing'. “We hebben jaren geïnvesteerd om een goeie cliëntele op te bouwen in bijvoorbeeld Japan. Die kunnen we straks niet meer bedienen, ze gaan elders leveranciers zoeken en als we door het dal heen zijn, zijn we ze kwijt. We kunnen niet expanderen, wat al heel frustrerend is voor een ondernemer, maar erger nog is het afscheid van hele goede klanten. Een reductie van tien procent op je quotum valt nog mee, als je het bijtijds weet te plooien. Dertig procent niet. Juist daarom bepleit ik die langere termijn-visie”, aldus Bakker.

Voor de kleinere bedrijven van schipper/eigenaars komt de klap wellicht nog het hardst aan. Teun van Dam in Goedereede verwacht een omzetverlies van 15 tot 20 procent. “Wij springen er relatief gunstig uit, omdat we twee grote kotters hebben en indertijd quotum hebben bijgekocht zodat het totaal nu goed is voor ongeveer vier schepen. Anders was het dertig tot veertig procent geweest. Het inkomen van de bemanning - allen zelfstandigen die zelf sociale premies, etc. betalen - gaat er navenant op achteruit. Ze moeten alles doen van een bruto-inkomen van 80.000 tot 120.000 gulden. De tendens om een baan aan de wal te zoeken is er al, maar die wordt sterker. Je krijgt dus problemen met personeel. Je hoopt dus dat je met minder visdagen ook minder onkosten maakt en dat je door afspraken met collega's voor een geleidelijker aanvoer kunt zorgen, waardoor je ook betere prijzen maakt. Dat geldt dan vooral voor tong. Daar is het een kwestie van vraag en aanbod. Voor schol zijn er afspraken met afnemers. Geen slechte zaak, maar daar valt niets aan te sturen. Tong bracht in '93 dertien gulden per kilo op, in '94 veertien gulden. Ik denk dat zeventien gulden haalbaar moet zijn bij een geleide, krappe aanvoer. Zo probeer je iets op te vangen. En tenslotte is er sinds een jaar of drie toenemende belangstelling uit Japan voor schar, een ongequoteerde vis. We hopen maar dat de vangst van schar voor een beetje compensatie kan zorgen”, aldus Van Dam.