Verwoesting van Sodom en Gomorra kwam door aardbeving

Bij geotechnisch onderzoek op het Lisan Schiereiland (Jordanië) hebben onderzoekers sporen gevonden die duiden op een reeks geologische gebeurtenissen die waarschijnlijk verantwoordelijk zijn voor de verwoesting van de Bijbelse steden Sodom en Gomorra (Quarterly Journal of Engineering Geology, 15 dec.) Deze verwoesting, die staat beschreven in Genesis 19:25 ('en Hij keerde die steden om, benevens de gehele Streek, met al de inwoners der steden en het gewas van de aardbodem'), moet omstreeks 1900 v.Chr. hebben plaatsgevonden in het Dal van Siddim, aan de oostkant van de Dode Zee.

Al eerder was er gespeculeerd dat de ondergang van de beide steden te wijten zou zijn geweest aan een aardbeving: de Dode Zee maakt deel uit van een gebied waar twee aardschollen van elkaar wegdrijven, wat gepaard gaat met aardbevingen. Onderzoek van sedimenten op de bodem van de Dode Zee heeft nu uitgewezen dat ongeveer 4000 jaar geleden (een nauwkeuriger datering is niet mogelijk) een zeer zware beving is opgetreden. Deze moet een kracht van meer dan 6 op de Schaal van Richter hebben gehad. Een dergelijk aardbeving treedt slechts sporadisch op en heeft ernstige gevolgen, zowel voor gebouwen als voor het landschap.

Dat gebouwen instorten is voornamelijk te wijten aan de optredende schokgolven: ze kunnen onvoldoende meegeven aan de bewegingen van de bodem. Of ook het landschap ernstige schade ondervindt, hangt in sterke mate samen met de bodemgesteldheid: wanneer de bodem grotendeels bestaat uit fijne sedimenten (met vooral veel deeltjes tussen 2 en 50 micrometer) dan kan bodemvloeiing (liquefactie) optreden. Zulke gronden worden ten gevolge van een schok plotseling voor enige tijd als het ware vloeibaar, en alle zware voorwerpen aan het oppervlak zinken er dan in weg. Hoe sterker de aardschok en hoe dikker het pakket met de 'juiste' samenstelling, hoe groter het catastrofale effect. Aan deze voorwaarden wordt op de plaats van het onderzoek ruimschoots voldaan en de opgetreden bodemvloeiing heeft zijn sporen duidelijk nagelaten.

De onderzoekers willen met hun interpretaties geen 'bewijs voor de juistheid van de Bijbel' aanvoeren. Ze zijn zich echter wel bewust van de mogelijke theologische implicaties van hun onderzoek, en ze spreken ook de wens uit dat hun bevindingen archeologen zullen helpen om de restanten van Sodom en Gomorra te traceren.

Verder memoreren ze dat de Bijbel vermeldt dat de ondergang van Sodom en Gomorra met het regenen van 'zwavel en vuur' gepaard ging. Dat lijkt te wijzen op een vulkanische uitbarsting, maar daarvoor bestaan geen aanwijzingen. Wel merken de onderzoekers op dat er regionaal veel bitumen voorkomt. Dat de inwoners bitumen als handelswaar ontgonnen, ligt voor de hand. Het uitbreken van vuur kan door de aanwezigheid van veel bitumen in beide steden hebben geleid tot nauwelijks te blussen branden.