Tuzla zucht onder de last van vele tienduizenden vluchtelingen

TUZLA, 28 DEC. De camera's van de wereld volgen nauwgezet de verrichtingen van de Amerikaanse soldaten die in de sector-Tuzla komen toezien op de vrede. Maar daarachter gaat het leven in deze Noordbosnische mijnstad verder. Een jonge vrouw in een pofbroek werkt zich met haar kruiwagen langs de snoeren en kabels van de televisieploegen, en loopt verder de bemodderde weg af. De kruiwagen vol takken en kinderen wiebelt vervaarlijk. Hoofdschuddend staat een oude man voor zijn huisje. “Vluchtelingen en nog eens vluchtelingen”, zegt hij. “Ons hele leven bestaat uit vluchtelingen.”

Golf na golf kwam er de afgelopen vier jaar naar Tuzla. Overal waar de moslims verdreven werden door de Serviërs, trokken ze naar de stad. In Tuzla woonden voor de oorlog iets meer dan 100.000 mensen. Nu telt de stad er 180.000. In het hele gebied rond Tuzla is de bevolking bijna verdrievoudigd, van 178.000 mensen voor de oorlog tot 460.000 nu. Honderdduizenden mensen die hun hele leven gewend waren op het platteland en in de bergen te leven, zitten nu plotseling samengepakt in de flats en de verlaten fabrieksgebouwen. Volgens de directrice van een van de opvangcentra aan de rand van de stad is het een wonder dat de hoge concentratie vluchtelingen nog niet geleid heeft tot uitbarstingen van discriminatie en geweld. “De mensen van Tuzla zijn uitgeput door wat er de afgelopen jaren op hen is afgekomen”, zegt ze. Al die vluchtelingen zonder perspectief. Boeren en herders met hun eigen gewoonten en vol trauma's door de oorlog en de etnische zuivering. Volgens Salika Berberovic getuigt het van een 'hoog niveau van beschaving' dat het leven in de stad daardoor niet vergaand is aangetast.

De condens druipt van de ruiten. Overal uit de stapelbedden steken kinderhoofdjes terwijl de vrouwen in hun wijde broeken ruisend door de kille ruimte gaan. “Ik kan me nog steeds niet voorstellen dat ik nu hier zit”, zegt Muniba Seledzic, die bezig is de gaten in een groen kindertruitje te stoppen. Net als de andere 340 vluchtelingen in dit schoolgebouw is ze in juli uit Srebrenica naar Tuzla gedeporteerd. Als ze de naam van haar stad uitspreekt laat ze haar naald zakken. “Het is heel moeilijk niet te denken aan wat daar gebeurd is”, zegt Muniba en stroopt haar mouwen op: “Zie je, nu krijg ik weer kippevel.”

In het Nederlandse parlement is de discussie over het VN-optreden in Srebrenica definitief afgesloten; maar voor deze vrouwen in Tuzla leeft die nog. “Toen we naar hun kamp in Potocari vluchtten beloofden de Nederlanders dat er niets zou gebeuren. Ze stelden ons gerust en zeiden dat onze mannen en zoons met ons mee zouden gaan naar Tuzla.” Waarom hebben ze dan toegestaan dat de mannen van de vrouwen werden gescheiden? Waarom hebben ze niet ingegrepen toen de mannen werden weggehaald? De man en de zoon van Muniba werden onder haar ogen afgevoerd. En zoals de meesten is hij nooit meer teruggekomen.

De andere vrouwen knikken. “Ze sloegen de mannen. Ze schoten zelfs op hen. En de Nederlanders deden niets”, zegt Hatuna. Ook zij heeft haar man, haar zwager en haar kleine neefje van tien nooit meer teruggezien.

Steeds dichter wordt de cirkel van vrouwen op de vloer. Ze willen niet praten over hun leven hier: “Wat valt daarover te zeggen?” Ze praten over Srebrenica en de drie dagen in juli die hun leven hebben getekend. Vooral de nachten in Potocari, vertelt Muniba, waren niet te verdragen. De Serviërs liepen vrijelijk door het kamp. En de mensen schreeuwden en huilden van angst. Af en toe pikten ze er een vrouw uit, die ze buiten de omheining voerden. Die vrouwen kwamen nooit meer terug. Ook kinderen, vooral jongens, werden meegenomen. “De Nederlanders zagen het. Maar ze deden niets.”

De tweede nacht hoorde Muniba opeens een geluid. Ze stond op en ging kijken wat er gebeurde. Achter een muur in het kamp zag ze toen acht mannen liggen. Hun kelen waren doorgesneden. “Ik herkende mijn buurman Adil. Vroeger werkte hij als chauffeur bij dezelfde firma als mijn man. In het licht van de maan zag ik dat hij nog leefde.”

Muniba kan het niet begrijpen. Waarom leken de Nederlandse soldaten zo blij toen ze de Servische generaal Mladic zagen? Waarom gaven ze hun wapens af? “Ik zag hen handen schudden, en gewoon met elkaar praten. Toen werd ik gek van angst. Want op dat moment wist ik dat het voor ons voorbij was. Dat niemand ons meer zou beschermen”, zegt Hatuna.

Dan vertellen de vrouwen over het moment dat de bussen kwamen om hen af te voeren. Hilda zag hoe haar zoon werd weggevoerd. Hij was vaak bij de Nederlanders, vertelt ze. Hij speelde piano voor hen, in ruil voor eten. Ze gilde en smeekte de Nederlanders toen de Serviërs haar zoon uit de bus trokken. Maar de VN-soldaten zeiden dat ze niets konden doen. “Soms waren ze ook aardig voor ons”, onderbreekt Fatma, een jonge vrouw met donkere ogen. Ze vertelt hoe de Serviërs haar aanvielen met speciaal getrainde honden voordat ze in de bus werd geladen. De honden beten haar en scheurden de kleren van haar lichaam. “Ik probeerde los te komen en de Cetniks lachten. Er was ook een Nederlandse soldaat. Hij huilde.”

De daaropvolgende busreis, zonder VN-escorte, staat de vrouwen nog vers in het geheugen. De bus van Hilda en Hatuna ging onderweg kapot. Vier uur lang moesten ze wachten aan de rand van de weg. De Servische soldaten gooiden stenen naar hen, en sloegen met stokken. Opnieuw werden er jonge vrouwen uitgepikt en meegevoerd naar een huis verderop. Zes vrouwen zijn niet teruggekeerd in de bus.

“Ik geloof nog steeds niet dat we dit allemaal overleefd hebben”, verzucht Fatma en legt haar baby aan de borst. Haar man is samen met haar vader en haar broers de bossen ingevlucht toen Srebrenica viel. Sindsdien heeft ze niets van hen gehoord. Zoals voor veel vluchtelingen was het ook voor haar deze zomer de tweede keer dat ze door de Serviërs verdreven werd. Meer dan drie jaar zat ze in Srebrenica in een vluchtelingenopvang. Als haar man en haar familie nu bij haar zouden zijn, dan zou ze zeggen: hier is het goed. “Hier is elektriciteit, en er is zout in het brood.”

Maar hoe het verder moet weet ze niet. Ook al staat in de vredesakkoorden van Dayton geschreven dat alle vluchtelingen recht hebben op terugkeer naar huis. Ze gelooft niet dat ze ooit haar dorp nog zal zien. “Ik wel hoor”, zegt Muniba met een hoge stem. “Ik zal altijd hopen dat ik terugkan naar Srebrenica. Die hoop is het enige wat ik nog heb. En niemand zal die van mij afnemen.”

Die middag rijden we langs de roetige huizen en de verweerde gebouwen van wat misschien de lelijkste stad van Bosnië is. In de vallei roken de schoorstenen van een chemische fabriek. Dan slaat de taxi linksaf en rijdt een soort ezelspad op. “We houden er rekening mee dat de meeste vluchtelingen nog lang hier moeten blijven”, had een vertegenwoordigster van de VN vluchtelingenorganisatie in Tuzla gezegd. “Daarom zoeken we naar min of meer stabiele oplossingen binnen de regio.”

Eén van die 'stabiele oplossingen' ligt plotseling voor ons. Twee rijen kanariegele huisjes, met daartussen een modderpad. Verder niets. Het heeft iets van een straat in een Hollandse buitenwijk die te heet is gewassen. 'Cadeau van het Noorse volk aan het volk van Bosnië', staat er in trotse letters op het bord naast de deur van de opzichter. “Ik denk dat dit het mooiste dorp is dat er gebouwd is”, zegt de opzichter. Dorp? “Ja”, gaat de opzichter monter verder. “Het idee is dat mensen die uit hun dorpen verdreven zijn, hier opnieuw kunnen beginnen.” Zo is er bij deze huisjes ook 90 hectare grond om collectief te bebouwen. Op dit moment wonen er 905 mensen in het 'dorp'. En straks komen er nog tien huizen bij, waardoor er nog 350 vluchtelingen bijkomen. Dat betekent dus 35 mensen per huis? De opzichter haalt zijn schouders op. “Er zitten vier families in één huis, en sommige families zijn heel groot.”

De opzichter wil wel zo'n huisje laten zien. Hij trekt zijn laarzen aan, en klopt ergens op de deur. Daar zitten Beguna, haar zoon Vahdet en zijn vrouw Rabija in het half duister. Het is warm en bedompt in het kleine kamertje dat praktisch alleen uit slaapbanken bestaat. Het gezin van Beguna bestaat uit acht mensen. Negen, hoopt ze tegen alles in: “Toen ik vertrok was mijn man nog in leven. En niemand heeft zijn lijk gevonden. Dus zeg ik dat hij nog leeft.”

Ook dit gezin komt uit Srebrenica. Samen met 93 andere families hebben ze het geluk gehad door de Noren te zijn uitverkoren om hier te mogen wonen. Onrustig zit Vahdet op de bank. Met een groep van 15.000 mannen was hij op 11 juli uit Srebrenica vertrokken. Met een groep van 2.000 mannen kwam hij een week later in Tuzla aan. Vahdet gaat met zijn hand door het haar van zijn dochtertje. Hij wil er niet te veel over denken, zegt hij. De vrienden die hij is verloren in de Servische hinderlagen. Zijn broer en zijn zwager die door de Serviërs gevangen werden genomen, terwijl hij vanuit een greppel machteloos moest toekijken. “Vaak denk ik dat ook ik in de bossen had moeten sterven. In plaats van hier te zitten. Zo nutteloos. Afhankelijk van de hulp van anderen. Wat kan ik mijn gezin hier voor toekomst geven?”

In zijn dorp was hij boer. Net als zijn vader. Maar kan hij dan niets verbouwen op de hectaren die bij dit dorp horen? Zijn moeder Beguna schiet in de lach. Ze blijft lachen en lachen tot de tranen over haar wangen stromen. “Dit is toch geen grond”, zegt Vahdet. “Mijn kinderen zullen grijs zijn voordat hier iets groeit.”