Scheepsrammen

De reliëfvoorstelling van de slag tussen de Zeevolkeren en de Egyptenaren in 1178 v.Chr. op de buitenmuur van de graftempel van Ramses III laat zien dat Egyptische boogschutters hun tegenstanders met grote pijlen bestookten, terwijl de met zwaarden bewapende en met vederbossen getooide soldaten van de Zeevolkeren het blijkbaar van enteren en het man-tegen-man vechten moesten hebben. We kunnen zien dat dit door de Egyptenaren ook niet werd gemeden - er bevinden zich enkele krijgsgevangenen aan boord van het Egyptische schip.

In een recente (1995) analyse van het 'Zeevolkeren'-reliëf merkt Shelley Wachsmann op dat de Egyptenaren aan lijnen bevestigde enterdreggen met drie haken in het want van de schepen van hun tegenstanders wierpen. Door daarna hard aan de lijnen te trekken werden deze vaartuigen tot kenteren gebracht. Vermoedelijk konden de Egyptenaren met hun schepen ook boven de waterlijn rammen, een andere methode om vijandelijke schepen te laten kapseizen. De rompen van de Egyptische schepen eindigden alle aan de voorzijde in de kop van een leeuw met opengesperde muil. Waarschijnlijk was de leeuwemuil niet zomaar een versiering, maar moeten we hier een bronzen gietstuk in zien dat als beschermhuls van de voorsteven of ram diende. Bescherming op dat punt was wel nodig als met het schip boven de waterlijn werd geramd.

Een enkel Zeevolkerenschip had onderaan de romp een uitsteeksel aan de steven, maar dit was een achtersteven en het zal daarom niet een ram zijn geweest, eerder een handvat om het schip aan op te tillen als het op het strand werd getrokken. In ieder geval blijkt dat de Egyptenaren in de 12de eeuw v.Chr. in principe al een heel scala van gevechtshandelingen te water uitvoerden: de vijand op afstand bestoken met pijl en boog, doen kenteren van het vijandelijk schip door het om te trekken of boven de waterlijn te rammen, of enteren voor een gevecht met handwapens.

Als we de stompe leeuwekopram van het Egyptische schip dat boven de waterlijn is aangebracht vergelijken met de rammen van de Griekse oorlogsschepen van de 8ste eeuw of de Phoenicische van ongeveer 700 v.Chr. valt het op dat de laatste puntig zijn, en onderaan het schip aangebracht. Dat is het soort van ram dat men in eerste instantie zou verwachten. Waarom zou een ram nog voor iets anders dienen dan om een gat onder de waterlijn te veroorzaken in het schip van de tegenstander?

Deze wijze van aanvallen bezit echter een groot nadeel, omdat ze gemakkelijk àl te succesvol kan zijn. De ram penetreert dan wel diep in de romp van het vijandelijk schip en veroorzaakt daar een groot gat onder de waterlijn waar het water in een vloedgolf door binnenstroomt, maar als het aanvallende schip geen kans ziet de ram bijtijds uit de romp van de snel zinkende tegenstander terug te trekken, is het risico groot dat het samen daarmee zinkt. Dit wordt dan ook meermalen vermeld in de beschrijvingen van zeeslagen in de Oudheid. Het is dan ook geen wonder dat in de Griekse wereld al van de 6de eeuw v.Chr. af schepen met stompe ram worden afgebeeld.

De Phoeniciërs en Puniërs bleven de oorspronkelijke spitse ram trouw. Zij hadden een remedie gevonden tegen het meegesleurd worden door het zinkende slachtoffer, namelijk een voorziening die er voor zorgde dat de ram kon afbreken. We weten dit omdat zich bij de resten van een Punisch schip dat waarschijnlijk tijdens de tweede Punische oorlog bij Marsela was gezonken, weliswaar niet de ram zelf bevond, maar wel de relatief gemakkelijk afbreekbare bevestiging daarvan. Deze bestond uit twee aan weerszijden van de kiel en de ram gespijkerde gekromde balken die waren gezaagd in de vorm van de slagtanden van een olifant.

Dat wél deze 'slagtanden' bij het wrak werden teruggevonden, maar niet de bronzen ramhuls die daar eens tussen paste, kan op de meest plausibele manier worden verklaard uit de corrosie van de ijzeren nagels waarmee de 'slagtanden' op de bronzen ramhuls waren bevestigd. Toen deze waren weggeteerd is de bronzen ramhuls met zijn inwendige houten versterking hetzij weggezakt in de modder onder het wrak, hetzij weggeroofd. Deze Punische ram bezat overigens het duidelijke nadeel dat als de ram afbrak, het schip geen verdere aanvallen kon uitvoeren.

In de Oudheid was de ram het voornaamste wapen in de strijd ter zee. Om te begrijpen hoe het mogeljk was dat de scheepsram op verschillende manieren kon worden gebruikt, maken we gebruik van enkele inzichten die we danken aan de mechanica. Als eerste, dat in vrij brede kring bekend is, noemen we dat als de romp van een schip draait om de langsas of kenteras, bijvoorbeeld doordat de wind in het zeil blaast, of doordat een relatief groot gewicht in het schip van de ene zijde naar de andere wordt verplaatst, die langsas door een draaipunt in de doorsnede gaat dat het 'metacenter' wordt genoemd. Is de spantvorm een cirkel, dan valt het metacenter samen met het middelpunt van die cirkel.

Dit geldt voor krachten die geleidelijk aangebracht worden; veel minder bekend is dat als er een stoot op de scheepsromp wordt uitgeoefend, zoals wanneer het schip wordt geramd, de kenteras in het begin op lager niveau ligt. Het water rond de ondergedompelde romp biedt weerstand tegen de stoot en de romp bezit daardoor een 'schijnbare massa'. Het draaipunt ligt meestal op waterlijnniveau of iets daar onder, terwijl het metacenter daar meestal een kleine afstand boven ligt. Als de romp dus een zijwaartse stoot ondervindt, begint deze te kenteren om een langsas die ongeveer op waterlijnniveau ligt, of wat lager. Waarschijnlijk is dit in de Oudheid al opgemerkt.

Er zijn dan in principe drie mogelijkheden. De eerste is dat het aanvallende schip zijn tegenstander onder het niveau van het stootdraaipunt ramt. Dit zal meestal als gevolg hebben dat het getroffen schip lek wordt gestoten, maar een ander gevolg is dat het boven water naar de aanvaller toerolt, wiens schip hierdoor aanzienlijke schade kan oplopen. Het is kennelijk om dit tegen te gaan dat we vaak op ramschepen boven de eigenlijke ram, in het Grieks embolion, daarop gelijkende kleinere uitsteeksels, proembolia, op de voorsteven zien aangebracht. De functie daarvan is nu duidelijk: het zijn geen rammen, maar uithouders die moeten voorkomen dat het op de aanvaller toerollende schip daar schade veroorzaakt.

Als de romp van het slachtoffer precies op de hoogte van dit draaipunt wordt geramd, zal deze niet rollen; voor de aanvaller is dat natuurlijk wel beter. De oorlogsschepen waren echter in de zijden juist op waterlijnniveau versterkt met een zwaar berghout (stootrand) dat in de eerste plaats het schip beschermde, maar dat er ook toe diende de schok op te vangen als het schip zelf ramde. Een op waterlijnniveau ontvangen ramstoot zal dus lang niet altijd fataal zijn geweest.

De derde mogelijkheid was dat het aangevallen schip boven het stootdraaipunt werd getroffen door de ram van de tegenstander. De bovenbouw van het schip rolde dan weg van de tegenstander. Omdat in zo'n geval het slachtoffer meestal boven de waterlijn werd geraakt, kon de bedoeling alleen maar zijn het getroffen schip te laten kapseizen. Zelfs als zo'n poging niet geheel succesvol was, kon het toch betekenen dat de tegenstander tenminste voorlopig was uitgeschakeld omdat bijvoorbeeld de op het dek staande soldaten in het water waren geslingerd.

Het doen kapseizen van de tegenstander was waarschijnlijk het meest begerenswaardige doel van een ramaanval, omdat het de tegenstander in een oogwenk uitschakelde. Maar het was niet iets dat alle schepen op elkaar konden proberen met dezelfde kans op succes. Een zwaar schip kon zo wel een lichtere tegenstander uitschakelen, maar omgekeerd kan een lichte tegenstander tegen een zwaar schip weinig kans - hij moest proberen die op of onder de waterlijn te raken. Dat kon ook, omdat deze schepen, ook de zware, in het achterschip op de waterlijn kwetsbaar waren. De berghouten bevonden zich daar niet meer op dit niveau, zoals in de zijden, maar krulden met de overige beplanking omhoog in het aphlaston dat de romp in een sierlijke boog beëindigde.

Als we dit alles betrekken op de beschrijvingen van de gebruikelijke tactieken in zeeslagen, wordt veel duidelijk: hoe na een ramaanval opeens alle soldaten van het getroffen schip in het water kunnen liggen, zonder dat dit zelf lijkt te zinken, of waarom schepen tijdens of vlak voor een slag, als de schepen van de tegenstander in het gezicht kwamen, hun ram boven of onder de waterspiegel lieten rijzen of dalen - waarschijnlijk door het snel verplaatsen van een deel van de lading, bijvoorbeeld van de drinkwaterkruiken, die samen al gauw een paar ton konden wegen. Ook waarom een bekende gevechtstactiek, de diekplous, bestond uit het tussen twee zij aan zij roeiende schepen van de frontlinie van tegenstanders door varen, als het kon met beschadiging van hun riemen, waarna in een tweede fase een van deze in het achterschip werd geramd.

Na de vierde eeuw voor de jaartelling kwam in de Grieks-Romeinse wereld een type bronzen ramhuls tot ontwikkeling dat aan de voorzijde drie stevige horizontale vinnen droeg, die onderling waren verbonden door een centrale verticale vin die naar achter toe wijder werd. Een ram van dit type maakte wel een groot lek in de scheepshuid van het getroffen schip doordat de verbindingen tussen de planken stuk gingen, maar penetreerde deze niet, dus een schip dat door zo'n ram onder de waterlijn werd getroffen zonk omdat het lek was geschoten zonder zijn aanvaller mee te sleuren.

Twee bronzen ramhulzen of rammen van dit type zijn teruggevonden. De grootste en bekendste is de ram die ongeveer twintig jaar geleden voor de kust van Israel bij het plaatsje Athlit op de zeebodem werd aangetroffen. Het bronzen gietstuk is ruim twee meter lang en weegt 465 kilo. De deskundigen zijn het er over eens dat het waarschijnlijk de ram van een 'vier' was, een quadrireme.

De andere, die zich in het scheep- vaartmuseum in Bremerhaven bevindt, is veel kleiner en weegt niet meer dan 53 kilo; het moet de ram van een 'een', een monoreme zijn geweest. De onderlinge verhouding der gewichten klopt redelijk met de eenvoudige dimensieregel volgens welke de ram van een 'vier' acht keer zo zwaar moet zijn als die van een 'een', tenminste als het eerste schip inderdaad vier keer zoveel roeiers per eenheid van lengte langs het scheeps- boord had als het laatste.