Reserve en enthousiasme voor het tweetalig VWO; Eindelijk een plek voor elite

Sinds de Mammoetwet ons voortreffelijke VWO om zeep bracht, kwam er uit die hoek geen goed bericht meer.

Integendeel, het slechte nieuws hield aan. Schoolfusies, bedoeld om efficiënter te gaan werken, brachten de indirecte kosten - kosten die niet het onderwijs ten goede komen - omhoog. De massascholen zijn onpersoonlijk. Klasgenoten kennen elkaar nauwelijks meer met alle sociale gevolgen van dien. Pedagoochelaars op het ministerie gesteund door lui die met 'didactiek' hun brood verdienen, dreven een wijziging van de leraarsopleiding voor. Die wierp in de bètavakken een haast onoverkomelijke barrière voor het vinden van goede, vakdeskundige leerkrachten op. Het genus van de gepromoveerde leraar ging de weg van de dodo. En passant werd door de maatregel ook de arbeidsmarkt voor net afgestudeerde academici één derde inflexibeler gemaakt. De onderwijsbaan werd verzwaard met een afval-vergaderrace enz. De voortreffelijkheid van het vroeger VWO bleek in internationale vergelijkingen. Nederlandse leerlingen stonden aan de top dankzij leraren met een opleiding oude stijl. Toch moest het allemaal zo nodig veranderen. 'Beleid' weet u wel? Tegenwoordig krijg ik allergische reacties, als ik dat woord alleen al hoor.

Een andere innovatie die ons in één klap een voorsprong ontnam, was het afschaffen van de plicht examen te doen in vier, of zelfs zes talen. Het oude taalonderwijs was analytisch, gericht op begrip en een uitstekende basis om na wat praktijkervaring overal op internationale bijeenkomsten bij de kerngroep te behoren. Dat is over; de nieuwe generatie spreekt alleen nog 'broken English' net als de anderen; geen reden voor speciale vertrouwensrelaties met Duitsers en Fransen, of Engelsen en Amerikanen.

Nu is er dan eindelijk een lichtpuntje. Een klein aantal scholen heeft het initiatief genomen voor een tweetalige VWO-variant. De voertaal bij de helft van de lessen is Engels. Het doel is afgestudeerden tweetalig af te leveren. Ik ben niet onverdeeld enthousiast, maar ik acht het wel een waardevol experiment. Het is een proef op kinderen. Daar moet je altijd mee oppassen. Er kunnen voor hen later ook nadelen aan kleven. De moedertaal is cruciaal bij moeilijke denkprocessen. Voor het individu kan tweetaligheid dus soms ook een lichte handicap zijn.

Ook maatschappelijk is het een experiment. Landen waar kunstmatige pogingen worden gedaan om de taal te beïnvloeden hebben een notoire staat van narigheid. Alleen een volstrekt liberale attitude ten opzichte van andere talen kan de groei van vooroordelen en erger voorkomen. Verder weten wij - bijvoorbeeld uit onze eigen geschiedenis - dat het geven van wetenschappelijk onderwijs in de landstaal een groot voordeel is voor de verhoging van het opleidingsniveau van de bevolking als geheel.

Ik bepleit daarom het tweetalig VWO als experiment te beperken tot een tiental scholen. Over tien tot twintig jaar kunnen we dan het resultaat eens evalueren aan de hand van wat er van de abituriënten terecht gekomen is en hoe zij op hun school terugkijken.

De reden om echt warm te lopen voor het experiment is, dat het een mogelijkheid geeft de leerlingen te selecteren. De tweetalige scholen hebben een zwaarder programma dan het gewone VWO. Zij kunnen dus - er is veel vraag - hun leerlingen kiezen. Daarin kon nu juist wel eens de sleutel van het succes liggen. Zo'n school trekt beter gemotiveerde leerlingen met meer gemotiveerde en betrokken ouders. Daardoor kan het al bijna niet misgaan. Het is vergelijkbaar met het kleine gymnasium, dat door toevoeging van een paar moeilijke - feitelijk overbodige - vakken ook van zo'n selectie ver vóór de poort profiteert. Bovendien hoop ik dat het experiment een begin wordt van de opkomst van een nieuw soort eliteschool. 'Elite' uiteraard voor wat betreft capaciteiten en motivatie, niet de inkomensklasse van de ouders.

Een eliteschool zou dunkt mij vier talen moeten examineren en wel op een zware analytische en culturele leest. De vlotte babbel is minder belangrijk dan veelal wordt aangenomen. En taalkennis zonder kennis van zeden en gewoonten, maakt ons in onze internationale contacten nog ineffectief. Het mag verbazing wekken dat een notoire bèta, als ik, zware taaleisen voorop stelt. Maar ik sta daarin niet alleen. Een aantal jaren geleden organiseerde ik eens een bijeenkomst met voorzitters en decanen van alle bèta- en technische richtingen in de universiteiten over aan het VWO te stellen eisen. Daar stelde ik die stelling met enige schroom aan de orde. Wie schetst mijn verbazing toen bleek dat alle aanwezigen er net zo over dachten? (Terzijde: men was ook van mening dat geschiedenis een examenvak zou moeten zijn. Het zou, mits goed gegeven, de 'maatschappijvakken' grotendeels kunnen vervangen.) De noodzakelijke beperkingen in het programma moeten voor aanstaande studenten in de exacte richtingen gezocht worden in de breedte - niet de diepte van de exacte vakken. De moeilijkheidsgraad, de abstractie en de aandacht voor het gewicht van het experiment, kortom de charme van de wiskunde en de natuurwetenschappen, moet worden bewaard. De brede algemene vorming zou kunnen worden aangevuld met een cursus algemene natuurwetenschap en techniek, die beschrijvend wordt gegeven. Zo'n cursus zou ook voor alfa's en gamma's te volgen zijn. Wat mij betreft zou het in die sectie eveneens een verplicht examenvak worden.