Politiek moet kunstdebat niet aan adviseurs overlaten

Fragmenten uit een rede die mr.drs. L.C. Brinkman uitsprak bij de installatie van de Raad voor Cultuur op 19 december 1995 te 's-Gravenhage. Brinkman was minister van Cultuur van 1982 tot 1989.

Mijn eerste officiële kennismaking met de kunstenwereld, eind 1982 als minister van KWVC, bracht mij al direct in het hart van de altijd gespannen driehoeksverhouding tussen kunst en kunstenaars als eersten, publiek en publieke opinie als tweeden en het openbaar bestuur en zijn kunstvakkundige adviseurs als derden en laatsten. In de begrotingsboedel van mijn ambtsvoorganger trof ik een voornemen tot herziening van het orkestenbestel aan, dat de discussie over kwaliteit in de kunst vooraan op het concertpodium plaatste. Weliswaar leken guldentekens de voornaamste rol in die discussie te spelen, maar belangrijker toch was de vraag of het inhoudelijk-artistiek oordeel over de kwaliteit van enkele orkesten staande kon blijven in de afweging met spreidingsambities en regionale prestiges. De creatieve substantie van adviezen van de toenmalige Raad voor de Kunst had immers eerder betrekking op de vraag of enkele van de gesubsidieerde orkesten wel goed maat konden houden en minder op de vraag of er misschien voor een wat lager bedrag ook nog wel voldoende strijkers en blazers op podia in alle delen van het land konden verschijnen.

Toch leek mijn concertbezoek jarenlang in het teken te staan van het tellen van de aantallen strijkers en blazers en niet van de muziekmaten, omdat publieke debatten over beheer en budget en regionale spreiding kennelijk beter passen bij Thorbecke's adagium dat de overheid de kunst slechts op afstand beoordeelt. Een debat over de creatieve substantie van een bepaalde kunstuiting - en dus over artistieke pretenties en prestaties - past, zo leek het, niet zo bij dat adagium.

Formeel is het uiteraard de verantwoordelijke bewindspersoon, indien hij een advies van de Raad voor Cultuur wel of niet opvolgt, tevens gebonden aan het inhoudelijke kwaliteitsoordeel van deze Raad over de desbetreffende kunstuiting of kunstenaar respectievelijk het museale beleid en niets belet dus degenen die met zo'n bewindspersoon in debat zouden willen treden over dat artistiek-inhoudelijke oordeel, om zulks te doen. Maar, als gezegd, Thorbecke lijkt de figuranten in het staatsbestel van 1995 daar nog altijd van te weerhouden - en dat terwijl er tegelijkertijd, - en nu komt mijn punt - publiekelijk tal van klaagzangen worden aangeheven over uw Raad en zijn voorgangers, waarvan de inhoud er meestal kort gezegd op neer komt, dat u elitair, afstandelijk en eenzijdig in uw oordeel zoudt zijn.

Zo heeft staatssecretaris Nuis u onlangs nog gewaarschuwd tegen een wat hij noemt 'smaakmonopolie', daarbij al dan niet geïnspireerd door de wetenschappers Blokland en Konings van de Erasmus Universiteit die lijken te vinden, dat zeker de vroegere Raad voor de Kunst te veel vernieuwing in zijn adviezen stopte. Geert Dales probeerde die stelling te ontkrachten met enkele aansprekende feiten, zoals het feit dat zijn Fonds voor de Beeldende Kunst slechts zo'n 10 procent van de totale publieksuitgaven voor beeldende kunst vormt en bovendien met subsidie aan 3.000 kunstenaars in vier jaar welhaast onvoorstelbaar divers is.

Atzo Nicolai sprong in deze zijns inziens voorbije oorlog bij, door te stellen dat de Raad van de Kunst al lang niet meer alleen op vernieuwing let, maar ook op kwaliteit, ook al blijft hij bij zijn mening, dat de overheid zich niet moet bezig houden met kunstuitingen die door publiek en markt kunnen worden gedragen - en dat is in zijn ogen het grootste deel van het kunstleven. Nicolai vindt met een van de voorgangers van uw nieuwe Raad, dat de betekenis van kunst niet kan worden afgelezen aan publieksaantallen, maar dat tegelijkertijd evident is dat de kunsten niet zonder een levendige confrontatie met het publiek kunnen. En Dales maakt aan de hand van concrete subsidiecriteria duidelijk, dat de spreekwoordelijke burger wel degelijk invloed op het adviesbeleid heeft, omdat bij toekenning van subsidie wordt nagegaan of er ook door derden werk van de te subsidiëren kunstenaar wordt aangekocht, of deze ook opdrachten krijgt, tentoonstellingen houdt, of hem wel eens een prijs wordt uitgereikt en of er over zijn werk wordt geschreven.

Geert Dales gaat zelfs zover te stellen, dat de burger, de gewone man zijn wensen en verlangens niet alleen heeft verdedigd, maar ook aan de rest van de samenleving heeft gedicteerd: “Dankzij de burger gaan we housend en headbangend door het leven. Er is geen openbare ruimte of de walsen van André Rieu veraangenamen ons verpozen. Het smaakmonopolie van het publiek grijnst je werkelijk overal tegemoet”. Aldus Geert Dales.

Zie hier ons dilemma in dubbel opzicht: er is gelukkig wel debat, maar dat vindt nog vooral plaats in de kolommen van in dit geval de Volkskrant en in allerlei geschriften van culturele elites onderling, maar ogenschijnlijk minder in een andere kamer van het hart van het publieke domein, namelijk aan het Binnenhof. En dat laatste is ook wel weer te begrijpen aan de hand van het dictaat van artistiek-inhoudelijke zwijgzaamheid, ons opgelegd door Thorbecke.

Maar het is nog maar de vraag of deze zwijgzaamheid wel zo bevredigend is voor degenen die terecht stellen dat er her en der een kloof is tussen de weinig doordringbare en ogenschijnlijk allesetende overheid aan de ene kant en voor samenlevingsvraagstukken gemotiveerde en geïnteresseerde burgers anderzijds. Wordt het publieke domein zo niet wat erg stil en leeg en dat juist in een tijd waarin gelukkig nieuwe behoefte ontstaat aan bezinning en bezieling?

[..]

Let wel, ik bepleit hier niet een overheid, die de richting van de kunst binnen het bredere begrip cultuur dicteert, maar wel een die in ieder geval appellerend en bespiegelend de cultuur haar plaats letterlijk en figuurlijk in de openbaarheid geeft vanwege haar belang. En dan heb ik het niet over het soort belangstelling, dat Thorbecke terecht wantrouwde, namelijk belangstelling gericht op “populariteitsbejag en ostentatie van hoven en regeringen”.

Nee, ik heb het dan over het belang van een publiek debat met bewindspersonen, wier directe en inhoudelijke verantwoordelijkheid niet als het ware is verdampt in de reeksen van procedures en van competente adviseurs op afstand van het parlementaire debat tussen volksvertegenwoordiging en regering. Een verantwoordelijkheid dus die verder reikt dan te mogen scheidsrechteren tussen Rotterdam en Amsterdam als vestigingsplaats van het Nederlands Architectuur Instituut, omdat het belang van een goede en gevarieerde architectuur verder reikt dan de vraag waar nu weer eens een instelling mag worden gehuisvest. Verantwoordelijkheid niet schuwend dus in een debat waarin verschillende maatschappelijke opvattingen over de betekenissen en bedoelingen van eventueel te subsidiëren werk zonder gevaar elkaar kunnen ontmoeten, mits de bestuurlijke deelnemers maar staan voor variatie van degenen die in hun kunstzinnige ambachtelijkheid misschien op overheidssubsidies zijn aangewezen.

[..]

“Wat ik met mijn opmerkingen over kunst meer als inhoud dan als vorm wil beweren is dit. Of het nu gaat om een relatief laag publieksbereik in een net zelfstandig Rijksmuseum voor Oudheden, om de goed bezochte private collectie van Scholten in diens bunker van Quist of om voortdurend uitverkochte zalen voor een laat ik zeggen klein maar fijn operapubliek - u zoudt, om de dreigende kloof tussen de publieke opinie en uzelf te vermijden, zich in uw nieuwe samenstelling samen met uw bewindspersoon misschien ook explicieter voor het grote publiek en diens opinie de vraag moeten stellen of, en zo ja waarom, de avant-garde op z'n retour lijkt.

Zijn de nieuwe figuratieven aan de Amsterdamse Rijksacademie voor Beeldende Kunst misschien de nieuwe avant-garde? Waar tussen twijfel en zekerheid, waar tussen avant-garde en traditie ligt de sleutel tot erkenning en herkenning van de door u voor subsidie aanbevolen kunst?