Peper had opposant referendum al een baantje toebedeeld

M. Kneepkens (53), fractievoorzitter van de Stadspartij, was in 1995 de personificatie van het verzet van de Rotterdammer tegen de vorming van de stadsprovincie. Onder zijn aanvoering zei 88 procent van de Rotterdammers 'nee' bij het referendum op 7 juni. “De stadsprovincie komt er niet. De beleidsprocedure is simpelweg in strijd met het Europese recht.”

Het was nog voor het referendum van 7 juni over de stadsprovincie Rotterdam. De fractievoorzitters van alle politieke partijen in de Rotterdamse gemeenteraad waren op weg naar Oslo. Een 'oriëntatiereis' voor de stadsprovincie die spoedig zou komen, zo was de heersende gedachte. Oslo heeft een vooruitstrevend regiobestuur. De Noorse hoofdstad wordt geleid door een 'stadsregering' die op ieder moment door de bevolking naar huis kan worden gestuurd. De stad is opgedeeld in 25 deelgemeenten en boven iedere gemeente staat een wethouder.

Kneepkens, in de lokale pers voor het referendum geportretteerd als een verstrooide professor criminologie die zich als een Don Quichotte verzet tegen de komst van de stadsprovincie, zit in het vliegtuig achter burgemeester Peper. Kneepkens: “Opeens draait hij zich om en zegt: 'We hebben je ook op de lijst staan hoor. Ja, er moeten nieuwe burgemeesters komen, hè. Voor de nieuwe gemeenten die ontstaan door de vorming van de stadsprovincie. Voor jou hebben we Kralingen in gedachten. Noch arm, noch rijk. Dat is toch geen gek idee?' Ik dacht: 'Wat bazelt hij nou'. En dan die kleine, glimmende oogjes. 'Nou Bram', zei ik, 'Als dát zou kunnen. Maar met Crooswijk erbij natuurlijk'. Was dit een poging om een tegenstander uit te schakelen? Ik heb het maar als een grap opgevat. Maar later kwamen er allemaal mensen naar me toe die hadden gehoord dat ik de nieuwe burgemeester van Kralingen zou worden.”

De gemoedelijke, walrusachtige Kneepkens kijkt tevreden terug op het afgelopen jaar. Als fractievoorzitter van de Stadspartij vond hij de bekendmaking van de uitslag van het referendum over de stadsprovincie het hoogtepunt. Bijna negen op de tien Rotterdammers die gingen stemmen, zeiden 'nee' tegen de opdeling van de stad in elf gemeenten en de komst van de nieuwe grootstedelijke provincie.

“Als Stadspartij hebben we erg geboft. D66 gaf ons een godsgeschenk. Door een actie van hen werd het lokale referendum in de gemeenteverordening opgenomen. Wij kregen daardoor de kans de bevolking te raadplegen over de komst van de stadsprovincie. We hebben ook geboft met een tegenstander als wethouder Hans Kombrink (regiovorming), een technocraat van lik-me-vestje, die niet goed bij de mensen overkomt. Hij was eigenlijk het échte wapen van de Stadspartij. Hij heeft het volkomen verkeerd aangepakt door de stadsprovincie zo ontzettend serieus te verdedigen, terwijl duidelijk was dat mensen er op tegen waren.

“Voor de Rotterdamse bevolking is 1995 een historisch jaar. Rotterdam is nu eindelijk grootstedelijk. De uitslag van het referendum bewijst dat. Er is een zekere politisering ontstaan. Eindelijk, vijftig jaar na de wederopbouw, wordt de stem van de bevolking hier weer gehoord. Rotterdam is niet langer de slavenstad, de werkstad waar men zich niet verzet.

“Door dat idee van een heersende onderdanigheid bij de bevolking, dat vooral onder de regenten leeft, heeft de stadsprovincie ook zo ver kunnen komen. De voorbereidingen voor de nieuwe provincie gebeurden allemaal stiekem met achteraf-kamertjes-politiek. Het volk werd dom gehouden. Dat blijkt ook uit het evaluatierapport van professor P. Tops over het stadsreferendum: het college van burgemeester en wethouders heeft welbewust niet naar een draagvlak gezocht. Als ware het het model-Peper: zo hard mogelijk naar de finish rijden, demarreren en maar hopen dat het peloton je niet inhaalt. Maar het peloton heeft het college wel ingehaald!

“Het referendum heeft aangetoond dat er een natuurlijke verbintenis in deze stad bestaat: van hoog tot laag, van arm tot rijk deelt men het gevoel Rotterdammer te zijn. De vernietigende uitslag bewijst dat je niet zo maar een stuk van de identiteit van mensen kan afnemen. Je moet niet proberen met een of ander technocratisch verzinsel die onderlinge solidariteit te doorbreken. Een stad is een spiritueel-culturele eenheid.

“Maar de angel is nog niet uit de zaak. In januari komt de stadsprovincie Rotterdam in de Tweede Kamer aan de orde. Er dreigt nu onder minister Dijkstal (binnenlandse zaken) en staatssecretaris Van der Vondervoort een slap compromis uit te rollen: een zwakke stadsprovincie met een zwakke stad.

“Mijn voornemen voor 1996 is om de stadsprovincie definitief de grond in te boren. Dijkstal is makkelijk te attaqueren. Hij houdt zich eenvoudigweg niet aan het Europese recht. Hij weet dat blijkbaar niet. Maar in het Europese handvest van de lokale autonomie staat heel duidelijk dat bij gebiedsverandering het volk geraadpleegd moet worden. Dat is nu gebeurd in Rotterdam, maar niet in de regio. Het is ook niet gebeurd voor het nieuwe plan dat Rotterdam teruggebracht wordt tot zijn vooroorlogse grenzen met 400.000 inwoners en de vijf omringende gemeenten zelfstandig worden. Ik stap naar het Europese Hof toe als aan die schending van het recht geen einde komt. Ik zal dan winnen en de stadsprovincie komt er niet. Als je wat wint zoals wij nu met het referendum, ben je minder een loser. Ik ben geen loser meer!”