MPS (1)

In 'De waan van alter ego's' (W&O 14 dec.) suggereert Pety de Vries ten onrechte dat behandelaars al aan MPS zouden denken bij bepaalde indirecte aanwijzingen, namelijk een (vermoeden van een) incestverleden of symptomen als zelfverminking.

Ongeveer een derde van alle opgenomen psychiatrische patiënten voldoet aan deze 'aanwijzingen'! Hoewel MPS-patiënten gaandeweg de behandeling in veel gevallen een incestverleden blijken te hebben èn zichzelf beschadigen, verschillen zij hierin niet van patiënten met bijvoorbeeld een borderline persoonlijkheidsstoornis. Om overdiagnostiek te voorkomen lijkt me juiste informatie over de presentatie van MPS een eerste vereiste.

De hoofdinspecteur van de voormalige Inspectie voor de Geestelijke Gezondheidszorg heeft begin dit jaar een rapport over MPS uitgebracht, geschreven door een commissie van deskundigen. Dit rapport heeft helaas nauwelijks enige verspreiding gekregen. Mevr. P. de Vries maakte deel uit van deze commissie. Het rapport bevat een hoofdstuk van mijn hand waarin gedetailleerd wordt beschreven hoe patiënten met deze aandoening zich presenteren, hoe ze soms als niet als zodanig door behandelaars herkend worden en waarom. En hoe sommige andere patiënten ten onrechte voor MPS worden aangezien. Als mevr. De Vries dat hoofdstuk goed gelezen had, dan had zij daaruit kunnen opmaken dat noch een (vermoeden van) een incestgeschiedenis noch automutilatie, behoren tot de indirecte aanwijzingen.

Om welke 'indirecte aanwijzingen' van MPS gaat het dan wel? Het gaat om aanwijzingen voor gedrag van de patiënt in het heden waarover deze amnesie heeft. Dit kunnen zelfdestructieve handelingen zijn, zoals zich branden of snijden. Het kan ook gaan om spullen in huis vinden waarvan de herkomst onbekend is, niet alleen kleren of kleine dingetjes, maar ook grote dingen zoals meubilair. Men vindt bijvoorbeeld bibliotheekboeken op de eigen naam uitgeschreven, zonder te weten dat men in een bibliotheek is geweest. Men wordt op plaatsen gesignaleerd zonder dat men zich herinnert daar geweest te zijn. Sommige patiënten krijgen van collega's of vrienden te horen dat ze zo wisselen in hun gedrag dat ze er geen touw aan vast kunnen knopen.

De patiënten zijn uiteraard vaak erg in de war over deze zaken. Zij hebben zelf geen verklaring voor hun geheugenproblemen, de dingen die ze in hun huis vinden, of het wisselend gedrag dat anderen hun rapporteren.

Bij die 'indirecte aanwijzingen' is nader diagnostisch onderzoek gewenst. Pas bij een samenhangend beeld van verschillende dissociatieve symptomen kan de diagnose MPS gesteld worden. Soms komt men niet verder dan een vermoeden, omdat de patiënt in kwestie zo in de war is en zich schaamt voor het vreemde inconsistente gedrag en de stemmen die hij of zij in het hoofd hoort. Een doorgaand behandelcontact biedt dan de veiligheid om verder te komen met de diagnostiek.