Martin Luther (1483 - 1546); 'Ik, arme, stinkende madenzak'

Martin Luthers persoonlijke geloofsstrijd en gewetensnood werd het religieus Leitmotiv van de moderne tijd; en machthebbers hebben er groot profijt van gehad. Bovendien legde hij met zijn bijbelvertaling de basis voor het moderne Duits. Er zal volgend jaar, ter gelegenheid van zijn 450ste sterfdag weer veel over gesproken worden.

De 'vondst' van de zakbijbel van Luther, vorige maand, loopt enigszins vooruit op de voorbereidingen voor het komende Lutherjaar. Het herdenkingsjaar aangekondigd op 10 november, Luthers geboortedag, zal in Duitsland officieel op 18 februari (Luthers 450ste sterfdag) losbarsten met vieringen, symposia, tentoonstellingen en touristische routes door Luthersteden als Eisenach, Erfurt, Leipzig en Wittenberg, maar is in de pers al begonnen.

Luthers betekenis kan moeilijk worden overschat. Zeker, er bestaan ook andere vermaarde zuiveraars van het geloof, exegeten, predikers, hervormers, bijbelvertalers en taalscheppers. Sommigen hebben het geschopt tot heilige, anderen moesten de brandstapel beklimmen. Luther bleven deze beide uitersten bespaard en in weerwil van wat later (vooral marxistisch) onderzoek werd beweerd is deze koppige homo religiosus nooit van zijn principes afgeweken. Van begin tot einde heeft hij alleen zijn persoonlijke diepe geloofsovertuiging uitgedragen - zijn bijdrage aan de Reformatie ligt besloten in zijn eigen levensweg. Zo wordt het gezegde over het geloof dat bergen kan verzetten bewaarheid en komt Luther vandaag nog levendiger over dan grote systematici en organisatoren als Calvijn.

Grote mensen schijnen gedoemd te zijn om de geschiedenis in te gaan vergezeld door gevleugelde woorden waarvan het waarheidsgehalte gering is. Zo is de informatie over Luther waarover de leek beschikt vooral gebaseerd op drie twijfelachtige historische clichés, die zelfs de leerboeken hebben gehaald: de hamerslagen waarmee Luther op 31 oktober 1517 zijn 95 thesen over de aflaathandel aan de deur van de slotkerk te Wittenberg spijkerde, de beroemde woorden: 'Hier sta ik, ik kan niet anders, God help me, amen!', op de Rijksdag te Worms (1521) in aanwezigheid van keizer Karel V, en zijn verbranding van de bul voor de Elsterpoort te Wittenberg waarmee paus Leo X hem dreigde met de ban - voor geen van deze drie clichés bestaan historische aanwijzingen.

Luthers lijdensweg, vol ellende, twijfels aan Gods bedoelingen, geworstel met geloof, dood en duivel kan nauwelijks worden toegelicht door stichtelijke verhalen. Zijn persoonlijke strijd groeide uit tot het niveau van de wereldgeschiedenis, zodat alle politieke machten erbij betrokken raakten en basiswaarden van Europa werden veranderd, maar was geenszins rechtlijnig of doelmatig. Luther zelf placht te zeggen dat God hem geleid had 'als een blind paard'.

Martin Luther werd geboren op 10 november 1483 en stierf 18 februari 1546. Hij stamt uit een eenvoudig boerengeslacht. Zijn vader had zich van mijnwerker opgewerkt tot bemiddeld ondernemer. Hij wilde dat zijn zoons hogerop kwamen, waarvoor de rechtenstudie het geschiktst leek. Maar op 2 juli 1505 wordt Martin in het open veld verrast door een storm en verliest bijna zijn leven bij een blikseminslag. 'St. Anna (beschermster van de mijnwerkers) help me, ik zal monnik worden!' Volgens menigeen is deze belofte het bewijs dat zijn gewetensstrijd, de worsteling met God en duivel, al gaande was.

Twee weken later treedt hij daadwerkelijk in - tot woede van zijn vader die zijn plannen met de begaafde zoon doorkruist ziet - bij het klooster van de Augustijnen in Erfurt. Hij wordt tot priester gewijd, studeert theologie in Erfurt en wordt professor aan de door keurvorst Frederik de Wijze van Saksen gestichte universiteit Wittenberg. Luther zag het monniksbestaan als een soort toevlucht en hoopte op die manier zijn ziel te redden. Hij heeft alle vrome oefeningen, biechten en zelfonderzoeken nauwgezet volgehouden - lang zonder succes.

Er is vaak gezegd dat hij vooruitliep op de geloofsstrijd van de volgende eeuwen en menig onderzoeker ziet ook veel later, bijvoorbeeld in de tragische strijd van Nietzsche, sporen van die worsteling die Luther heeft moeten doorstaan. Het ging noch om seksuele aanvechtingen van de jonge monnik - daarmee schijnt Luther nooit bijzondere moeite te hebben gehad - noch om geloofstwijfel. Luther leed aan de temptatio tristitiae, de verzoeking van treurigheid: hij vreest dat hij door God wegens zijn zonden verworpen wordt en kan Gods goede bedoelingen nergens herkennen in het alledaagse kwaad. Hij hield niet van de rechtvaardige God, vertelt hij later, maar hij háátte Hem die de zondaars straft - want de mens had al zoveel te verduren. Noch zijn werk, noch biechten en boeten, noch een reis naar Rome kunnen uitkomst bieden.

Na jaren van wanhopige zielestrijd komt de redding: zoals Augustinus vóór hem en Pascal 140 jaar later krijgt ook Luther een soort openbaring. Het moment van deze openbaring gaat tegenwoordig door voor de geboorte van de Reformatie. Op een dag in het voorjaar van 1513 leest hij in zijn werkkamer in de toren van het Zwarte Klooster te Wittenberg - vandaar de aanduiding 'torenbelevenis' - bij Paulus de woorden: 'De rechtvaardige zal uit het geloof leven.' Luther zelf beschrijft deze woorden als de poort naar het paradijs, waardoor hij zijn twijfels en kwellingen overwon en het ware geloof vond.

Gered wordt de mens, concludeert Luther, sola fide, sola gratia, sola scriptura - alleen door het geloof, alleen door de goddelijke genade, alleen door de Schrift. Begrijpelijk dat in deze directe relatie van de mens tot zijn God geen plaats meer is voor de bemiddelaar, de katholieke kerk, die de uitleg van de Schrift voor zich opeist en door sacramenten de weg naar het heil wijst. Directe aanleiding voor Luthers optreden was dan ook de aflaathandel.

De 'Renaissancepausen' waren allang tot wereldse vorsten uitgegroeid, veldheren, levenskunstenaars, maecenassen die in pracht en praal 'het pausdom genoten' (Leo X). Daarvoor was geld nodig, zeer veel geld. Dat verdiende de kerk door aflaathandel: nabestaanden konden de vergeeflijke zonden van overledenen 'afkopen' - daarmee hoopte men de doden decennia of eeuwen vagevuur te besparen. Onder het declameren van het montere versje 'Zodra het geld in 't laatje klinkt / de ziel prompt in de hemel springt' doorkruisten aflaatverkopers Europa. Het geld stroomde naar Rome. De eenvoudige mensen grepen deze kans op redding aan en hadden er vaak hun laatste centen voor over.

Voor de verbouwing van de Sint Pieterkerk in Rome was nog meer geld nodig dan anders en de kerk verhoogde de aanbiedingen. Nu konden mensen die geen berouw toonden ook aflaten krijgen, en zelfs voor nog niet begane zonden. Een schandaal in de ogen van goede christenen.

Een van de grootste vruchtgebruikers van het op die manier verdiende geld was kardinaal Albrecht von Hohenzollern, die bij het bankiershuis Fugger een lening had afgesloten om maar liefst twee ambten - aartsbisschop van Mainz èn Magdeburg - te kunnen kopen. Het vrome volk keek toe, hoe 50% van hun aflaatgeld ter plekke door de gevolmachtigden van Fugger voor onheilige doelen werd geïnd.

Onder de aflaatverkopers was ook de Dominicaan Johann Tetzel, die door zijn optreden en godslasterlijke taal Luther tot handelen bracht. Op de kansel en via de beroemde 95 stellingen begon hij de strijd tegen de aflaattheologie. Die stellingen stuurde hij naar Albrecht, zijn kerkelijke meerdere. Toen die niet beliefde te antwoorden lichtte Luther zijn vrienden in. Die hebben, wat eigenmachtig, de stellingen uit het Latijn vertaald en verspreid. Ze sloegen in als een bom.

Het tumult dat in alle lagen van de maatschappij oprees stond niet op zichzelf. Overal kookte en borrelde het in de vroege 16de eeuw. De Turken stonden op het punt Europa te veroveren en belegerden in 1529 Wenen. Achter de rug van Habsburg flirtte Frankrijk met hen. Er werd gezegd: 'De Turk is het geluk der Lutheranen', want de keizer kon niet op twee fronten vechten. De kerk was allang doelwit van hevige kritiek. De nodige hervormingen werden almaar uitgesteld. De pogingen van de Habsburgers om de politieke en religieuze eenheid door te zetten stootten op weerstand in Frankrijk, Rome en bij de Duitse vorsten, die zelfstandig wilden regeren.

Ook de Duitse standen en steden streefden omhoog. De bourgeoisie wilde zich emanciperen, de ridderstand vocht tegen zijn ondergang en de boeren, die veel traditionele rechten verloren en dieper in de afhankelijkheid wegzonken, eisten sociale rechtvaardigheid. Ze verenigden zich in geheime genootschappen en zongen uitdagend: 'Toen Adam ploegde en Eva spon, wie was toen de edelman?' Luther was plotseling de geestelijk-politieke leider van alle ontevredenen geworden en elke stand zag zijn grieven in zijn protest verwoord.

Uiteindelijk neemt Rome een standpunt in: Luther moet herroepen, anders moet hij naar Rome. Keurvorst Frederik de Wijze (die de politieke betekenis van Luthers protest goed inziet) weigert hem uit te leveren. Luther disputeert met katholieke theologen en werkt zijn inzichten uit. Hij bestrijdt de onfeilbaarheid van paus en concilies. De paus dreigt hem met de ban.

Luther negeert de bul (1520). In 1521 spreekt Leo X de ban uit (Decet Romanus Pontifex ). In maart moet Luther voor keizer Karel V en de Rijksdag in Worms verschijnen. Men eist dat hij herroept maar hij blijft standvastig. Iedereen denkt dat hem het lot van Jan Hus te wachten staat, die na zijn weigering in 1415 verbrand werd, ondanks het vrijgeleide dat keizer Sigismund hem had beloofd. Maar de jonge Karel V houdt woord. 'Ik wil niet blozen zoals Sigismund toen.'

Het edict van Worms verbiedt Luthers leer en luidt officiëel de Reformatie in. Frederik de Wijze verleent Luther illegaal onderdak in zijn burcht Wartburg, waar hij met zijn bijbelvertaling begint. De uitbreiding van het volksprotest verontrust Luther echter.

In Wittenberg worden kerken door beeldenstormers geplunderd en hij haast zich erheen om matiging te prediken. Twee jaar later zal de grote boerenopstand uitbreken. De boeren en hun grote leider, de theoloog Thomas Müntzer, eens Luthers leerling, zien hoopvol op naar Luther. Eerst toonde deze begrip voor hun ellende. Na excessen van de opstandige boeren neemt hij een kritiserende houding aan in zijn geschrift: 'Tegen de roofzuchtige en moorddadige boeren'. Maar met de voor hem typische geestelijke onafhankelijkheid gaat hij ook jarenlang hard in tegen de lafheid en onrechtvaardigheid van de vorsten.

Getrouw aan zijn leer die het nut van kloosters niet inziet, legt hij zijn monnikspij af. In 1525 gaat hij - tot grote vreugde van zijn vader - een verstandshuwelijk aan met de vroegere cisterciënsernon Katharina von Bora, die hem zes kinderen baart en voor de rest van zijn leven zijn steun en toeverlaat zal zijn. Nu tevens expert voor huwelijksproblematiek, beleert hij zijn volgelingen ook op seksueel gebied: Der Woche zwier schadet weder dir noch ihr! (Tweemaal in de week kan geen kwaad voor beiden.)

Met hulp van de nieuwe keurvorst begint Luther, genoodzaakt door de excessen van beeldenstormers en opstandige boeren, de kerk in Saksen te herstructureren. Hij was erg voorzichtig met veranderingen en deed daarbij een beroep op de traditie. Zijn Deutsche Messe (1526) bedoelde hij niet als wet of norm maar als tot niets verplichtend model van een evangelische godsdienstoefening. Hij hield ook niet van aanduidingen als 'Lutheranen': “Wij zijn allen Christenen, en ik, arme, stinkende madenzak, ben niet voor het geloof gestorven zoals Christus.”

Dat men de godsdienstoefeningen in Straatsburg, Württemberg of elders anders inrichtte kon hem niet schelen. De vorm deed er niet veel toe, van belang was alleen dat het herontdekte evangelie naar de gelovigen werd gebracht. Omdat niemand in het hervormde kamp onfeilbaarheid kon claimen zoals de paus, is het inderdaad nooit gelukt de Reformatie tot een eenheid te smeden. Onenigheid bestond zelfs tussen Luther en zijn vriend Melanchthon, de trots van de Wittenbergse reformatie.

Onenigheid ondstond verder tussen Luther en Zwingli: waren brood en wijn slechts symbolen voor de gemeenschap met God (Zwingli) of was daarbij Christus lichamelijk aanwezig (Luther). Deze tegenstelling tussen Zwinglianen en Lutheranen is nooit opgeheven en zo zijn er meer meningsverschillen die de kerken van de Reformatie van elkaar scheiden.

Veel, ook latere, vertakkingen gaan terug tot de Wittenbergse reformatie. Dat betreft niet alleen radicalen zoals Thomas Müntzer die er sociale eisen aan koppelden, maar ook een derde stroming waaruit zich tegen het midden van de 16de eeuw de gereformeerde kerk heeft ontwikkeld.

Luther en zijn werk zouden het nauwelijks hebben overleefd als de wereldse vorsten de Reformatie niet hadden geprotegeerd en gepolitiseerd. De Reformatie paste in hun politieke ('nationale') ambities, omdat die de kerkelijke organisatie uit zijn internationale verband trok. Bovendien was de economische macht van de kerk en het misbruik daarvan een doorn in hun oog. Als zij hun positie veilig wilden stellen, lag confiscatie van kerkelijke goederen en beperking van de kerk tot zuiver kerkelijke taken voor de hand, zoals onder meer Gustaf Wasa in Zweden en Christiaan III in Denemarken deden. In geheel Scandinavië hebben de Lutherse kerk en vorst goed samengewerkt.

De overheid tegenwerken mocht het Lutheranisme niet. De strijd van de onderdrukten gold voor Luther al gauw als ongehoorzaamheid jegens de geboden van God. Dat heeft de Lutherse kerk belemmerd.

Ook in de Nederlanden bestonden Lutherse gemeenschappen. De Antwerpse Lutheranen die moeite hadden zich te handhaven raadpleegden Luther over de organisatie van hun kerk. Omstreeks 1544 ontvingen ze van hem een zeer negatief antwoord. Geheime vergaderingen waren niet toegestaan. Ze moesten zich behelpen met het houden van huisbijeenkomsten. Als ze dit onvoldoende vonden, moesten ze maar emigreren naar een land waar het Lutheranisme niet was verboden. Dat hebben velen dan ook gedaan.

Er bestaat een grote discrepantie tussen Calvijns straffe organisatie die veel leken in kerkelijke ambten betrekt en zelfs illegaal een betrouwbaar netwerk vormt (wat goed van pas kwam tegen de Spaanse overheersing), en Luther die zijn aanhangers beleerde: 'Wees onderdaan aan de overheid'. Vandaar dat de Lutherse kerken het vooral hebben gered als officiële religie onder het motto cuius regio, eius religio.

Een nog blijvender rol van Luther is die van taalschepper. Zijn bijbelvertaling was doorslaggevend voor de ontwikkeling van een uniforme Duitse schrijftaal. In de Duitse literatuurgeschiedenis geldt de Lutherbijbel als begin en richtsnoer van de gehele nieuwere Duitse literatuur, zoals Dante's 'Goddelijke Comedie' van de Italiaanse, en het maakt niet uit dat het bij Luther slechts om een vertaling gaat.

Eerdere bijbelvertalingen in Duitsland (uit het Latijn) volgden slaafs de Latijnse zinsbouw en spraken daardoor de mensen niet aan. Ook ontstonden er op die manier veel fouten, zoals altijd als men uit een eerdere vertaling vertaalt. Luther vermeed die fouten door terug te keren tot de Griekse en Hebreeuwse bronnen. Hij schiep een volksbijbel, doordat hij erin slaagde de bijbelse beelden, metaforen, verhalen en ideeën, de bijbelse poëzie aan te passen aan de denkbeelden en geestesgesteldheid van het volk.

Zijn manier van werken, die hij in de Sendbrief vom Dolmetschen beschrijft, is voor die tijd uniek: Den man mus nicht die buchstaben inn der lateinischen sprachen fragen wie man sol Deutsch reden wie diese esel thun, sondern man mus die mutter jhm hause, die kinder auff der gassen, den gemeinen man auff dem marckt drumb fragen und den selbigen auff das maul sehen wie sie reden und darnach dolmetzschen so verstehen sie es den und mercken, das man Deutsch mit jn redet.

Luther schiep nieuwe uitdrukkingen en spreekwoorden en deed oude herleven. De Lutherbijbel werd een schoolboek op protestantse scholen, en ook een handboek van literaire thema's, zodat veel drama's, pamfletten en liederen niets anders zijn dan variaties op Luthers werken: preken, religieuze liederen, psalmen, pamfletten enz. Zijn bijbelvertaling staat ook aan de wieg van de Scandinavische bijbelvertalingen en van de Statenbijbel.

De betekenis van Luthers taal blijft niet beperkt tot de 16de en 17de eeuw. Brecht zei eens dat hij, als hij uitgeput en ten einde raad was met zijn taalgebruik, baat vond bij de Lutherbijbel en Georg Büchner. Ook Nietzsche, boos op Luther omdat die de doorbraak van de Renaissance in Duitsland zou hebben verhinderd, bewonderde diens bijbelvertaling. Thomas Mann, die kritiek had op Luthers theologie en humaniteit, maakte dankbaar gebruik van zijn taal.

Luther heeft zijn stempel op de geschiedenis gedrukt. Velen voor hem of naast hem hebben het niet gehaald. Hus, Wyclif (gelukkig posthuum), Müntzer en zoveel anderen moesten hun roep om hervormingen met hun leven bekopen. De niet minder getalenteerde Erasmus heeft de kerk wel bespot, maar hield zich verder op de vlakte.

Er is veel kritiek geweest op Luther, niet alleen van katholieke kant. Hij zou een grove boer zijn geweest (omdat hij in zijn geschriften geen blad voor de mond nam), of een vorstenknecht. Verder voerde hij een felle polemiek tegen de joden. Hij geloofde vast in het bestaan van demonen en duivels (op de Wartburg toont men nog steeds de vlek, die op de muur kwam toen Luther zijn inktpot naar de hem lastigvallende duivel gooide).

Maar voor een middeleeuws mens toont Luther een titanische zelfstandigheid. Hij weigert zomaar een autoriteit te erkennen, en lapt politiek en kerkelijk gezag aan zijn laars - een sacrilege voor een middeleeuwer - als zijn geweten hem dat zegt. En hij is de eerste die als individu vraagt: Wie ben ik ten opzichte van God? Deze nadruk op het individu vinden we pas weer bij Descartes.

Luther staat aan de grens tussen Middeleeuwen en moderne tijd. Hij representeert niet alleen op een unieke manier zijn tijd, maar zijn explosieve figuur heeft vorm gegeven aan eeuwen geschiedenis van West-Europa. Hij behoort tot de eerste verwoorders van de tolerantie en heeft belangrijke gedachten uitgesproken over het recht van de enkeling en de gelijkberechtiging van allen - en deze principes vormen bij de basiswaarden van de democratie in de nieuwe tijd.