LOON- EN INKOMSTENBELASTING

tariefpercentage...opvolgende......totaal opvolgende.....heffing over

toe te passen op...inkomens-.......inkomensschijven......het totaal van

de belastbare som..schijven..............................de schijven

37,50% over de eerste.45.325.......45.325................16.996

50% over de volgende..47.448.......92.773................40.720

60% over de resterende guldens Toelichting:

De indeling van de schijven voor de loon- en inkomstenbelasting wordt in 1996 gecorrigeerd voor de geldontwaarding met 2,2 procent.

Over de eerste inkomensschijf worden belasting en premies volksverzekeringen (AOW, AWW, AAW en AWBZ) gecombineerd geheven. Het tarief in de eerste schijf wordt in 1996 met 0,15 procentpunt verlaagd. Het tarief in deze schijf wordt 37,50 procent (1995: 37,65 procent) en bestaat uit 6,35 procentpunt belasting (1995: 6,15 procentpunt) en 31,15 procentpunt premies (1995: 31,50 procentpunt).

Voor personen van 65 jaar en ouder geldt er in de eerste schijf in plaats van 37,50 procent een lager tarief van 15,4 procent (1995: 16,8 procent), omdat zij voor een aantal premies volksverzekeringen (AOW en AAW) niet premieplichtig zijn. Dit tarief bestaat uit 6,35 procentpunt belasting (1995: 6,15 procentpunt) en 9,05 procentpunt premie AWBZ en AWW (1995: 10,65 procentpunt). Voor buitenlanders die niet onder de volksverzekeringen vallen en die hun inkomen voor minder dan 90 procent vanuit Nederland verkrijgen, geldt in de eerste schijf een belastingtarief van 25 procent.

De aanslaggrens voor de inkomstenbelasting wordt in 1996 78.500 gulden (1995: 77.500 gulden).

De grens voor teruggaaf op verzoek van teveel ingehouden loonbelasting en premie volksverzekeringen wordt verhoogd naar 26 gulden (1995: 25 gulden).

De vaste aftrek voor beroeps/verwervingskosten blijft 8 procent van het inkomen uit tegenwoordige arbeid. Dit zogenoemde arbeidskostenforfait kent in 1996 een minimumbedrag van 243 gulden (1995: 237 gulden) en een maximumbedrag van 2.507 gulden (1995: 2.139 gulden). Het vaste aftrekbedrag voor niet-actieven wordt 597 gulden (1995: 584 gulden).

Het maximum van de fiscale aftrek van lijfrentepremies wordt 5.758 gulden (1995: 5.634 gulden) per persoon en voor gehuwden 11.516 gulden (1995: 11.268 gulden). De extra aftrek (tweede tranche) bedraagt maximaal 57.568 gulden (1995: 56.328 gulden); de eventuele derde tranche 11.514 gulden (1995: 11.266 gulden). Het oude maximum van de lijfrentepremie-aftrek bedraagt 20.103 gulden (1995: 19.670 gulden).

De werkgever kan op grond van een premiespaarregeling in 1996 een belasting- en premievrije spaarpremie aan de werknemer toekennen van maximaal 100 procent van de ingehouden besparing, maar niet meer dan 1.077 gulden (1995: 1.053 gulden). Het bedrag dat in 1996 maximaal geblokkeerd kan worden gespaard ingevolge een spaarloonregeling bedraagt 1.615 gulden (1995: 1.580 gulden). De werkgever is 10 procent aan loonbelasting verschuldigd over spaarloon en 10 procent over loon ingevolge niet geblokkeerde winstdelingsregelingen (1994: 10 respectievelijk 20 procent). Over spaarloon in de vorm van werknemersaandelen is de werkgever geen loonbelasting verschuldigd (1995: 10 procent).

In dit overzicht zijn niet opgenomen de speciale aftrek-regelingen voor buitengewone lasten en voor zelfstandige ondernemers en hun meewerkende partners.