De vergeten kunst van het verkleden; Liever te laat dan overdressed

Het gewone en gemiddelde is het burgerlijke, en daar willen sinds de jaren zestig alle enigszins jonge en vooruitstrevende personen zich van onderscheiden. Over omhoog- en omlaagkleden.

Toen Diogenes, de filosoof uit de ton, een paar jongeren van Rhodos schitterend uitgedost zag, zei hij: “Dat is hoogmoed”. Even later zag hij een troepje Lacedemoniërs in schamele en onverzorgde kleding en sprak: “Ook dat is hoogmoed.”

De waarde van dit oordeel is, na meer dan tweeduizend jaar, in Nederland voor de ene helft moeilijk te controleren, omdat niemand zich hier schitterend uitdost. Wij lopen er gewoon en gemiddeld bij, of wij zakken af naar het schamele en onverzorgde en blijven meestal onderweg steken op een halfverzorgd niveau.

Dat die weg omlaag op hoogmoed wijst kan niet als regel gezegd worden. Soms lijkt het erop: wanneer een gast in een kampeerbroek en een trui met een rits verschijnt op een ontvangst waar de hoofdtoon de gewoon gemiddelde is, hebben wij dan niet te maken met iemand die zichzelf te goed vindt voor het gewone?

Het hangt ervan af. Sommige halfverzorgden worden door andere impulsen gedreven dan andere. Het gewone en gemiddelde is het burgerlijke, en daar willen sinds de jaren zestig alle enigszins jonge en vooruitstrevende personen zich van onderscheiden. Er is niets hoogmoedigs aan. Zij volgen de conventie van een deel van de samenleving. In de negentiende eeuw camoufleerden aristocraten zich als burgers, in dezelfde zwarte pakken; in de twintigste hebben burgers de allure van arbeiders aangenomen, met open kragen, truien en spijkerstof. Het is aanpassing aan de geest van de tijd.

Tegelijk komt het handig uit dat de nieuwe stijl past bij ontspanning in omgangsvormen en tijdsbesteding. Geen standsgevoel, langere weekends, onverslijtbare blauwe broeken en overal luide muziek: zo kon een mens eindelijk in vrijheid leven.

Verloren gegaan is iedere gelijkenis met de schitterende jongeren van Rhodos. Het heeft geen groot verschil gemaakt in de Nederlandse samenleving die nooit zwierig is geweest, maar het is toch een gemis dat haast niemand boven het gemiddelde uitsteekt. Op een ontvangst of bij een concert of een voorstelling is de aanblik soms zo kleurloos dat er niets anders opzit dan de ogen afwenden en aan iets prettigers denken. Laatst in de Kleine Zaal van het Concertgebouw was het uitzicht nog matter dan anders: al die grauwe truien en hangerige hemden, het had een avondje in een gevangenkamp kunnen zijn. Daarbij te bedenken dat een aantal van de muziekliefhebbers er overdag fleuriger bijlopen. Thuisgekomen aan het eind van de middag haasten zij zich om de kleren waarin zij beroepsmatig opgetreden zijn te vervangen door huiselijke plunje. 's Avonds uitgaan geldt als privéleven op dezelfde voet als televisiekijken, en zelfs al is er eigenlijk geen tijd meer, liever te laat komen dan de hele avond overdressed rond te lopen.

De ontspannen stijl is het eerste kledingvoorschrift, wat niet hoeft mee te brengen dat de avond ontspannen verloopt. Waarschijnlijk kwamen er op feesten en partijen honderd jaar geleden meer kennismakingen tot stand dan nu. Toen werden de gasten aan elkaar voorgesteld; nu staan velen hulpeloos uit te kijken of er anderen zijn die zij kennen dan de twee met wie zij langzamerhand alle onderwerpen uitgeput hebben. Zijn er nog gastheren en gastvrouwen te vinden die zich inspannen om de gasten tot elkaar te brengen: “Zeg, ik wou jullie even...”? Heel zelden. De meesten hebben het te druk met hun eigen gesprekken.

Waren er maar meer ouderwetse jongeren van Rhodos, dan zouden de avonden vlotter lopen. Hun schittering zou gesprekstof zijn, en aanleiding tot kennismaking. “Mag ik vragen, wat hebt u daar voor valse parels, en waar komt uw tintelende klatergoud vandaan?” Dat zij geen vragen om over een oude trui te stellen.

Het zou sommigen ook doen denken aan hun kindertijd toen ouders, op het punt van vertrek naar wonderbaarlijke avonden, zich over hen heen bogen bij de voordeur: hagelwit overhemd, blote schouders en daarna alleen het vervluchtigende parfum in de gang.

Niet dat vroeger alles beter was. De Europese geschiedenis is bezaaid met spotprenten, klachten en grappen over zelfverfraaiing die te gek werd: uit hun krachten gegroeide schoenpunten, houterige hoepelrokken, overbevolkte kapsels, verkillende blanketsels, beklemmende corsetten, onoverzienbare hoeden. In de eeuwen toen de aristocratieën van Europa een hoge toon aansloegen, liepen zowel mannen als vrouwen het gevaar dat zij zich te bont zouden aankleden en in belachelijkheid verzeilen. Toen na 1800 de burgerlijke stijl in zwang kwam hadden alleen vrouwen nog zo'n vrijheid van keuze dat zij soms de spotlust opwekten. Bij mannen waren de kledingregels voortaan te streng; de zwarte pakken verlamden de kritiek.

Wel maakten sommige mannen er meer van dan andere binnen de ruimte die voor hen overbleef. De legendarische meester van de versoberde mannenkleding is Beau Brummell, de dandy van 1800 die een tijd lang de protectie van de Prins van Wales genoot. Hij deed er 's morgens een paar uur over om zich aan te kleden, maar dan zat alles ook precies goed, iedere plooi, iedere knoop, iedere onopvallende versiering. Een kenner kon analyseren hoe hij het voor elkaar kreeg; alledaagse burgers beseften in zijn aanwezigheid alleen dat zij een pronkstuk zagen, perfect van verhoudingen en van beweging, met nergens iets nadrukkelijks of smakeloos.

Brummell liep er altijd voorbeeldig bij. Hij had geen werk in enge zin; zijn werken was uitgaan. Het is ook vooral voor het uitgaan dat hij ons nog altijd de les kan lezen. Het mooie van mensen die hun eigen gedaante zo gecreëerd hebben is dat zij losgekomen lijken van het dagelijkse getob met auto's en telefoons. Millennia lang hebben de volkeren van de wereld daarom beseft dat het de moeite waard was voor bijzondere gelegenheden bijzondere kleren aan te doen. De eigenwijze twintigste eeuw heeft zich in het hoofd gezet dat dat eigenlijk niet hoeft. Ontspanning zoeken, releksen, onbekommerd jezelf zijn, dat is het enige wat telt. Moeten wij naar een première van de opera, of naar het huwelijk van een nichtje, of naar een ontvangst om de Commissaris van de Koningin geluk te wensen met het Nieuwe Jaar? Reik dan onze trui aan met de leren elleboogstukken, en de blue jeans met de dwarse scheuren op de knieën: wij gaan er zonder opsmuk heen, als onszelf.

Toegegeven moet worden dat niet alle bijzondere gebeurtenissen geheel gedomineerd worden door oude truien. Vaak is er een glijdende schaal van kledingstijlen vaststelbaar: jongeren van Rhodos zijn er niet, maar een eindje boven het gemiddelde begint het, en vandaar zakt het, soms sneller, soms langzamer, af tot de gescheurde blue jeans. Als iemand bij thuiskomst van een werkdag vraagt: Kan ik zo gaan vanavond? - betekent het zelden of nooit: ben ik mooi en netjes genoeg. Het betekent integendeel: zie ik er niet te verzorgd uit?

Voor begrafenissen geldt dezelfde regel. Als de ene partner, klaar voor het uitstapje naar Westerveld, de andere in het zwart en grijs de trap ziet afdalen, dan zwaait er wat. Zo kan je je niet vertonen! Je denkt toch niet dat het nog 1950 is? Ga gauw een geruit hemd aantrekken, en een gewone broek! Anders loop je maar in je eentje in die stoet, als je voor zonderling wil doorgaan!

Het zal verheugend zijn als er weer een tijd komt waarin de mensen zich voor bijzondere gelegenheden omhoog verkleden in plaats van omlaag. Dan gaat de pretentie verloren dat wij onszelf zijn, maar die was toch al nooit geloofwaardig. Wij zijn niet onszelf; wij spelen onszelf. De piekerende eenzame bij het invallen van de schemering, de minnaar in het woelige bed, de vrolijke drinker in het clubverband, allemaal vervullen zij hun rol. Als wij uit onze innerlijke onrust de vraag horen: ben ik dit wel zelf? - moet het antwoord onveranderlijk twijfelend uitvallen. Allicht ben ik het niet helemaal zelf: dit is een van mijn tientallen mogelijke gedaanten, en er zijn honderd andere waarin ik mij ook graag zou uitdrukken maar die helaas te moeilijk zijn.

Zelfs in de intimiteit spelen wij een rol. In het openbaar is er nauwelijks nog een zelf te onderscheiden, zo weinig doet het ertoe wat wij zeggen en zo overwegend is het belang van de presentatie. Wij mengen ons niet onder de mensen om onszelf te onthullen; dat zou voor iedereen pijnlijk en lastig zijn. Wij komen bijeen om onze beheersing van de kunst van het uitgaande leven te vertonen, en de conversatie gaande te houden zoals de man op de kermis vijf kegels in de lucht houdt. Nooit laat hij er onhandig een op de grond vallen; nooit laten wij onhandige stiltes vallen.

Niet alleen is het voor buitenstaanders feestelijker om te zien en om aan te denken als de deelnemers aan vrolijke en plechtige gebeurtenissen zich opgesierd hebben, het helpt de deelnemers zelf ook. Zoals de travestiet die zijn jurkje heeft aangeschoten en de voetballer in zijn clubtenue, zo voelt de uitgaande mens zich in passende verkleding geconcentreerd en toegespitst op het spel dat er gespeeld moet worden. Knikken, glimlachen, babbelen, consumeren en desgevraagd wat summiere kunstkritiek leveren, dat is de opdracht voor de uitgaande mens. Sommigen kunnen het vanzelf, die hebben het in zich. Velen vinden het moeilijk; maar als zij zich licht vermommen voelen zij zich een ander, minder bedrukt door onzekerheid.

Wie weet komt het nog eens zover dat in de receptie-ruimtes, de restaurants en de schouwburgen des lands kleurrijke gezelschappen bijeenkomen van flonkerende vrijmoedige Rhodesiërs. Hoogmoed! zal een enkele tonbewoner uitroepen. Dat is dan niet juist. Het is de terugkeer tot uitgaand leven volgens de klassieke regels.