De grenzen van de markt

De afgelopen weken zijn in verschillende kranten verhalen verschenen die allemaal als strekking hadden wie de nieuwe talenten zijn in de nationale politiek. Het bijzondere van dit soort exercities is dat ze een hoge mate selfulfilling prophecy hebben. Wiens naam eenmaal is gevallen, stijgt automatisch een flink aantal plaatsen op de officieuze hitparade van het Binnenhof. Iedere genomineerde zal direct zeggen dat het slechts een grapje is en dat er vooral ook geen waarde aan moet worden gehecht, maar toch. Zij die genoemd zijn, konden zich tijdens de kerst de fazant extra goed laten smaken.

Wie het gaan maken is dus ongeveer bekend, maar wàt ze gaan maken is daarentegen een stuk minder duidelijk. Nog steeds geldt dat ideeën uit zijn, en presentatie in is. Dat Heerma bij een peiling onder Haagse journalisten uit de bus komt als de slechtste politicus van '95 hoeft dan ook niet te verbazen. Het zegt echter meer over de deelnemers aan de enquête dan over Heerma. De fractieleider van het CDA is vooral zichzelf gebleven: een weinig charismatische, secundair reagerende, vaak moeilijk uit zijn woorden komende bestuurder. Maar wie verdient nu het predikaat 'slechte politicus'? Heerma of degenen die verantwoordelijk zijn voor zijn benoeming?

Een geruststellende gedachte is dat de nu nog allesoverheersende 'vormkwestie' de komende tijd steeds meer op de achtergrond zal raken. Langzaam maar zeker komt de vraag 'waar het ook al weer echt om gaat' dichterbij. Als het om de inhoud gaat, was het uitgerekend Heerma die dit jaar met het lanceren van het thema gezinspolitiek een interessante voorzet in het publieke debat heeft gegeven. Dat wil zeggen, als de gezinspolitiek in een veel bredere context wordt geplaatst. Dan is het gezin slechts een opstapje om te kunnen praten over waarden en normen. Zoals waarden en normen op hun beurt weer de opmaat kunnen vormen voor een discussie over de grenzen van de laissez-faire-politiek. Er zit een kentering in het algemene denken hierover in de lucht en het CDA heeft dat aardig aangevoeld.

Nu al is er het gesprek over het primaat van de politiek. De volgende stap is het publieke domein zelf. Veel wijst er op dat de grenzen van het absolute marktdenken in zicht zijn. De herwaardering van de staat, is een onderwerp dat de komende tijd zeer dominant in de politieke discussie aanwezig zal zijn. Dan zullen politici ook weer kleur moeten bekennen. “The government is not the solution to our problem, government is the problem”, sprak de Amerikaanse president Reagan in 1981 bij zijn aantreden. De Republikeinse verkiezingsoverwinning onder leiding van Newt Gingrich in het Congres van een jaar geleden gaf een nieuwe impuls aan deze doctrine. Maar terwijl het Reagan-denken in de tachtiger jaren ruimschoots school maakte in Nederland, is 'Gingrichisme' tot nu toe uitgebleven.

Integendeel, de slinger van de klok heeft de neiging weer de andere kant op te gaan. Het is niet zonder betekenis dat het CDA de overheid in het onlangs verschenen rapport 'Nieuwe wegen, vaste waarden' een zeer belangrijke rol toedicht. Een ordenende en richtinggevende overheid als “sluitsteen” is noodzakelijk, aldus de partijcommissie onder leiding van de vroegere Europees commissaris Andriessen. Het is nog maar enkele jaren geleden dat van hetzelfde CDA bevlogen verhalen waren te vernemen over een overheid die zich tot een aantal kerntaken diende te beperken.

In zijn 'Den Uyl-lezing' van ruim twee weken geleden sprak PvdA-leider Kok de verwachting uit dat de komende tien jaar de liberale en de sociaal-democratische visie om voorrang zullen strijden. Een strijd die hij reduceerde tot de voorvechters van een minimalistische publieke sector aan de ene kant en de protagonisten van een pragmatische actieve publieke sector aan de andere kant. Tussen de regels door was zodoende de verkiezingscampagne van 1998 te ontwaren: Kok versus Bolkestein.

Maar als de huidige regering van nationale eenheid onder leiding van Kok iets leert, is het wel dat die tegenstelling veel minder zwart-wit ligt. Omdat de ideologische hardliners van zowel VVD als PvdA zwijgen, wellicht zelfs niet meer bestaan, blijken beide partijen in coalitie-verband vruchtbaar te kunnen samenwerken. Het is dan ook niet te verwachten dat er een verscheurende discussie zal losbreken over plaats en omvang van de publieke sector. De vraag over de maatvoering blijkt vooralsnog in alle redelijkheid te kunnen worden besproken.

In die maatvoering was de afgelopen jaren de liberale kleur ontegenzeggelijk overheersend. Waar het straks om gaat is of liberalen het ook kunnen meemaken dat er iets meer rood bij het blauw wordt gemengd. Een jaar geleden zei VVD-leider Bolkestein tijdens een toespraak voor het Liberaal Vlaams Verbond in Brugge dat 'paars' mogelijk werd door het “groeiende besef bij de socialisten dat de verzorgingsstaat door zijn interne tegenstellingen steeds moeilijker te handhaven is.” De verzorgingsstaat is de afgelopen jaren met medewerking van de PvdA dan ook aanzienlijk versoberd. Maar steeds minder gaat het om de handhaafbaarheid van de verzorgingsstaat en steeds meer over de interne tegenstellingen waartoe de vrije markt leidt. Het was Bolkestein zelf die bij de totstandkoming van het kabinet-Kok uitsprak dat er geen onderklasse mocht ontstaan. Verdraagzaamheid en verantwoordelijkheidsgevoel zijn ook erkende begrippen in liberale kring. Liberalen hebben niet alleen het recht, maar ook de plicht burgers te wijzen op de waarde hiervan, schreef de aan de VVD verbonden Teldersstichting eerder dit jaar in een rapport. Want, zo werd even verderop gesteld, “politici moeten moraliseren”.

Als dit de huidige stand van zaken is, blijft de tegenstelling die Kok schetste van een zeer hanteerbare omvang. Het marktdenken wordt niet losgelaten, maar wel zal het 'tenzij' veel meer gaan doorklinken. Dit betekent dat de grenzen hoe dan ook opnieuw worden bepaald. De politici die de afgelopen tijd het stempel 'veelbelovend' kregen, kunnen daarbij een belangrijke rol spelen. Zij worden de nieuwe grensbewakers. Maar waar liggen hun grenzen?