De blauwe route

De lange wandeling langs het strand beëindigde ik, om niet dezelfde weg terug te hoeven lopen, met een afslag door het zand omhoog. Er was een pad en ik kwam terecht in ruw, heuvelachtig terrein, waarin het niet verboden was te lopen, al werd de wandelaar aangeraden de paden te volgen. Door het duin gelopen, liet een groot bord weten, zeewering gebroken, of iets dergelijks, iets dat rijmde.

Ik kreeg, min of meer vanzelf, de blauwe route aangeboden. Prettig om de zon in de rug te hebben. Op de heenweg had ik de zon in het gezicht gehad, op het glinsterende water. Een paar ruiters op het strand als hoge, aan de aarde ontstegen silhouetten, haast een fata morgana - prachtig. Maar om de fijne schakeringen van een duinlandschap te onderscheiden, moet je de zon in de rug hebben. Ik had de goede volgorde gekozen en genoot.

De blauwe paaltjes waren met zorg geplaatst. Niet al te opvallend. Elk volgend blauw ellipsje zag je pas als je 't vorige al weer achter je had gelaten en de geest zich reeds begon af te vragen waar zijn we... Juist op dat moment zag je verderop het schuin afgezaagde blauwe paaltje wenken: hierheen, hierlangs.

Het was een prachtige route die, niet rechtstreeks, voerde langs de binnenkant der duinen, oude karresporen, laagtes, soms langs prikkeldraad, langs braamstruiken.

Het werd schemerig en de lezer raadt het al: ik raakte het spoor bijster, geen blauwe paaltjes meer.

Ik volgde een schapewal. Voor mijn gevoel liep ik terug en dat is geen prettig gevoel. Zodat ik rechtsomkeert maakte. Ik volgde het prikkeldraad langs een weiland, vol biezen. Aan de overzijde stond een lichtgroene Mercedes. Ik liep door de biezen op de auto af om de man achter het stuur de weg te vragen. Maar de man achter het stuur was alleen maar een hoofdsteun, er zat niemand.

Maar als deze auto hier kon komen, meende ik, is er van hier een weg die mij terug naar de bewoonde wereld brengt. Dat was wel zeker, maar ik zag die weg in 't geheel niet. In elk geval, ik wist dat ik het oosten moest aanhouden als richting.

Ik stapte over het prikkeldraad waar het 't laagst was. Dit bleek geen goede beslissing. Ik stond op één been verloren in de braamstruiken, zag niet waar ik de andere voet kon neerzetten en zeeg voorover, de armen gespreid - alsof ik had gedacht er zwemmend uit te komen.

Ik was blij mijn lange winterjas aan te hebben, en m'n leren handschoenen; van die doornen hoefde ik mij bij nader inzien niets aan te trekken en ik waadde gewoon door de gevreesde struiken omhoog. Nog steeds langs prikkeldraad liep ik, nu in de richting van de maan, die zo juist boven de horizon was uitgekomen. Het terrein bleef drassig, zeg maar nat en ik liep springend van graspol op graspol tot er geen pol meer was, alleen maar water. Wijdbeens op twee pollen wiegelend, tussen duim en wijsvinger het prikkeldraad als houvast, wist ik een opkomende behoefte aan zelfbeklag te sublimeren door Sjklovski te citeren: “Vrienden, wat is het toch onjuist dat ik hier sta!”

Ik stond daar inderdaad helemaal niet goed en maakte deze uitloper van mijn wandeling zo snel mogelijk ongedaan door op mijn schreden te keren. Beter was het een hoge plek op te zoeken en toen ik erin slaagde een met helm beplant duin te bereiken en te beklimmen, zag ik zowaar de zee terug plus, niet eens zo ver weg, het houten café waar ik mijn auto had geparkeerd.

De rest was wat men noemt een makkie. Door berg en dal, een rechte lijn aanhoudend, op weg naar een baken dat voor de zeelui in nood een ijzeren kegel in de hoogte hield (het was ook een baken voor mij) bereikte ik ten slotte het duincafé, om te ontdekken dat een flinke afrastering mij ervan afhield daar naar binnen te gaan en een pilsje te heffen op de goede afloop. Zover was het nog lang niet. Het prikkeldraad was zeker anderhalf meter hoog gespannen zonder een mogelijkheid om gebukt tussen de draden door te glippen, ook niet met handschoenen en winterjas. Maar het ergste was: op ongeveer drie meter afstand van waar ik stond zat achter glas een gezin gezellig te dineren bij kaarslicht. Ze hadden mij door de duisternis nog niet gezien. Ik wist niet of ik nu moest gaan roepen. Misschien joeg ik ze de stuipen op het lijf; misschien zou ik, konijn, gevangen in de lichtbundel van hun aandacht, een mikpunt zijn van spot en hilariteit. Ik maakte dat ik wegkwam.

Terug, naar het kegelvormige baken en toen - heldere bloem in de nacht! - zag ik wat eerder, in mijn gretigheid het einddoel te bereiken, aan mijn aandacht was ontsnapt: een paaltje met een schuine kant - witgeschilderd. De witte route, ongetwijfeld. Ik stond weer op een plek waar het toegestaan was te zijn. De enige vraag die mij nu nog restte was: linksaf of rechtsaf. Ik koos voor linksaf en dat bleek de juiste beslissing. Ik liep de - korte - witte route af en kwam uit bij een asfaltweg (er reden gewoon auto's voorbij), daarvan gescheiden door, alweer, intensief prikkeldraad. Maar daarin was aangebracht: een van witte latten gemaakt deurtje van het soort dat na gebruik vanzelf dichtvalt, omdat het scheef op de aarde staat.

Het zat niet eens op slot. Een wandeling van twee minuten bracht mij bij de parkeerplaats waar nog één auto stond - niet de mijne.

Al die duincafeetjes lijken op elkaar.