De afleidingsmanoeuvre van D66 heeft lang genoeg geduurd

D66 wilde de politiek grondig vernieuwen. Maar nu, bijna dertig jaar na haar oprichting, is het bestel nog bijna even ondoorzichtig, aldus Jan Godschalk. Wanneer uit wordt gegaan van de oorspronkelijke doelstellingen, heeft het voortbestaan als zelfstandige partij geen zin meer.

Met regelmaat komt bij D66 de vraag op, wat de inhoud van de ideologie van de partij zou moeten zijn en met gelijke regelmaat moet men het antwoord op die vraag schuldig blijven. Tegelijkertijd wordt de opvolging van Van Mierlo als politiek leider ter discussie gesteld en iedere keer moet men dan constateren dat hij eigenlijk onvervangbaar is. Om in deze discussie meer duidelijkheid te krijgen kan het nuttig zijn terug te gaan naar de oprichting van de partij in 1967.

Nederland was in de jaren zestig vanuit de wederopbouw na de oorlog uitgegroeid tot een welvarende natie, deel van een al even welvarende Westerse wereld. De dreiging, dat de Koude Oorlog zou uitlopen op een gewelddadig wereldconflict, werd, met name na de Cuba-crisis, nog maar door weinigen serieus genomen.

Men verkondigde het 'einde van de ideologie', want hier was geen behoefte meer aan met passie gepredikte ideeën over vrijheid of gelijkheid, die de samenleving grondig zouden moeten veranderen. Wie nu nog met een utopie komt, zei socioloog Daniel Bell, zal heel precies moeten aangeven waar hij heen wil gaan, hoe hij daar denkt te komen, wat dat zal kosten en wie dat dan zal moeten betalen.

De politiek in Nederland had sterk aan duidelijkheid ingeboet. Ze was pragmatisch en leek daarnaast vooral gericht op het handhaven van de bestaande politieke machtsverdeling.

Volgens critici was ze onduidelijk en beginselloos. Die kritiek kwam van de jongere generaties, die constateerden dat de doorbraak waarop men na de oorlog hoopte niet had plaatsgevonden en dat de macht nog steeds in handen was van het oude establishment, het netwerk van de oude garde dat door geheime koehandel het dualisme van Kamer en kabinet tot een farce had gemaakt.

Een roep om verjonging en ideologische duidelijkheid bracht vanuit de confessionele partijen de PPR voort, terwijl in socialistische kring die vernieuwing gezocht werd door Nieuw Links. De eerste schreden die in 1966 gezet werden voor de oprichting van wat later D66 zal heten, waren niet gericht op ideologische vernieuwing, maar op een doorbreken van het oude bestel.

Het was de tijd van Provo, van de roep om inspraak, van de politieke successen van 'boer' Koekoek en van hard optreden van de autoriteiten bij de rellen in Amsterdam rond het huwelijk van Beatrix en Claus. De fractievoorzitter van de VVD in Amsterdam, de politicoloog Hans Gruyters, verloor door zijn optreden bij die laatste plechtigheid zijn plaats in die partij. Rond hem schaarden zich een aantal politiek ontevreden journalisten en wetenschappers en binnen de kortste keren had zich een landelijke groep van 47 personen gevormd die overwoog tot politieke actie over te gaan.

De meesten stemden VVD, maar ze hadden een voorkeur voor het Vrijzinnig Democratisch gedachtengoed. Er ging een appèl uit naar “iedere Nederlander die ongerust is over de ernstige situatie van onze democratie”. En met die 'ernstige situatie' doelden ze op de verstarring van de partijpolitieke verhoudingen, de onbevredigende werking van het politieke systeem en het ontbreken van een alternatief voor de kiezer.

De oplossing voor die problemen moest, naar hun idee, gezocht worden in de invoering van een districtenstelsel dat tot duidelijke meerderheden zou moeten leiden en de directe verkiezing van de minister-president, waardoor de vaak maandenlange onderhandelingen om tot een kabinet te komen tot het verleden zouden behoren.

Hier ging het dus om. Ze zouden het 'bestel' laten ontploffen om vervolgens, na verrichte taak, zelf te 'ontploffen'. Maar om bij de verkiezingen mee te kunnen dingen naar de macht die noodzakelijk was om deze staatsrechtelijke veranderingen te realiseren, moesten in hun programma ook een aantal punten van sociaal en economisch beleid opgenomen worden. Zo werd in de sociaal-economische paragraaf van het Appèl gezegd dat de overheid voorwaarden moest scheppen “waardoor het economisch leven zich op basis van ondernemingsgewijze productie op evenwichtige wijze kan ontwikkelen”.

Van het Appèl werden 15.000 exemplaren verkocht en 2.500 mensen betuigden hun adhesie. De vervroegde verkiezingen als gevolg van de 'Nacht van Schmelzer' leverde de partij zeven zetels in de Kamer op. De strijd om de politieke vernieuwing kon beginnen.

Dat was in 1967. Nu, bijna dertig jaar later, wordt nog steeds politiek bedreven in ongeveer hetzelfde ondoorzichtige bestel. Zij het dat de meest troublerende factor, het CDA, inmiddels op een zijspoor is gezet. Nederland is nog altijd een 'pacificatiedemocratie', waarin moeilijke zaken via ad-hoc-overleg geregeld worden.

Maar evenals eind jaren zestig lijkt in de wereld een kentering in aantocht. Het einde van de ideologie heet nu het 'einde van de geschiedenis'. Het 'werkelijk bestaande socialisme' van het Oostblok blijkt een bekwaam gespeeld theaterstuk te zijn geweest dat nu van het repertoire is genomen en het moderne kapitalisme lijkt een mondiale monopoliepositie verworven te hebben.

De internationale, vooral Europese, ordening heeft de macht van de nationale regering sterk gereduceerd. De door Bell in 1960 uitgesproken waarschuwing over de noodzaak van concreetheid van een ideologie heeft aan belang gewonnen. De PvdA heeft bij monde van premier Kok aangegeven dat die boodschap begrepen is.

Veel keuze heeft men niet meer. Er zal nog steeds gestreefd worden naar een 'betere samenleving', maar op welke principes dat 'betere' zal worden gebaseerd, wordt in het midden gelaten. Het streven is naar een vrije markteconomie, in samenspraak met het maatschappelijke midden. Men zal wel moeite doen voor een verzachting van de pijn die daarmee ongetwijfeld gepaard zal gaan, maar dan wel binnen de beschikbare financiële ruimte.

Vernieuwing van het politieke systeem is eigenlijk niet aan de orde. Binnen de huidige politieke constellatie is het na verkiezingen snel formeren van een levensvatbaar kabinet nauwelijks meer een probleem. Wat dat betreft zou D66 rustig kunnen 'ontploffen', waarna een deel zich zou kunnen aansluiten bij de VVD om die wat meer naar links te trekken, terwijl een ander deel naar de PvdA zou kunnen gaan, om daar het wat meer pragmatische element te versterken. Wanneer uit wordt gegaan van de doelstellingen bij de oprichting, heeft het voortbestaan als zelfstandige partij geen zin meer. Men zal daar niet erg toe geneigd zijn en men zal roepen om een nieuwe discussie over de ideologie.

Misschien mag daarom in dit verband herinnerd worden aan een parabel die Hans Gruyters indertijd vertelde over de Katholieke Volks Partij. De KVP was, volgens hem, als een man die elke dag de grens overging met een kruiwagen vol zand. Een douanier woelde steeds weer in dat zand om na te gaan wat de man toch smokkelde. Hij smokkelde echter niet iets dat in het zand verborgen zat. Hij smokkelde kruiwagens. Zoals bij de KVP de ideologische vlag van het partijprogramma alleen maar bedoeld was als een afleidingsmanoeuvre voor haar streven naar politieke macht.