BIJSTAND

...................................netto per......vakantiegeld

........................................maand..........per maand

Echtparen of ongehuwd samenwonenden

..en ouder dan 21 jaar..................1826,45........100,19

Alleenstaande ouders

..en ouder dan 21 jaar..................1278,52........ 70,13

Alleenstaanden

..ouder dan 21 jaar......................913,23........ 50,09

Maximale toeslag........................ 365,29........ 20,04

Echtparen, beide partners jonger

..dan 21 jaar............................631,14........ 34,62

Echtparen, een partner jonger

..dan 21 jaar.......................... 1228,80........ 67,40

Alleenstaanden

..jonger dan 21 jaar.................... 315,57........ 17,31

Toelichting:

Vanaf 1 januari 1996 kent de Algemene Bijstandswet nog maar drie landelijke normen voor mensen van 21 jaar en ouder. De wet maakt onderscheid tussen echtparen of ongehuwd samenwonenden, alleenstaande ouders en alleenstaanden. Voor elk van deze drie groepen geldt een apart normbedrag. Voor echtparen en samenwonenden is dat 100 procent van het netto-minimumloon, voor alleenstaande ouders 70 procent en voor alleenstaanden 50 procent. Het uitgangspunt bij de norm voor alleenstaande ouders en alleenstaanden is dat de (woon)kosten met anderen kunnen worden gedeeld. Is dat niet of slechts gedeeltelijk het geval, dan kan de gemeente hen een toeslag geven van maximaal 20 procent van het netto-minimumloon.

Voor degenen die vóór 1 januari 1996 een bijstandsuitkering ontvingen die in 1996 doorloopt, blijft de uitkeringssystematiek in dat jaar hetzelfde. Wanneer er iets verandert in de persoonlijke situatie (iemand gaat bijvoorbeeld samenwonen of de uitkering wordt voor langer dan een maand onderbroken), dan gelden vanaf dat moment de regels van de nieuwe Bijstandswet.

De hoogte van de uitkeringen wijzigt per 1 januari 1996. Dit is het gevolg van de toepassing van de Wet koppeling met afwijkingsmogelijkheden (WKA) en van veranderingen in belastingen en premies. Als gevolg hiervan gaat bij voorbeeld de netto uitkering voor een echtpaar met 23,29 gulden omhoog naar 1.826,37 gulden per maand.

Jongeren van 18 tot en met 20 jaar zullen nog slechts bij hoge uitzondering voor een bijstandsuitkering in aanmerking komen. Wie geen baan heeft of studeert, moet via de Jeugdwerkgarantiewet (JWG) aan de slag. Jongeren die daar niet in slagen houden recht op bijstand, maar slechts op het niveau van de kinderbijslag. De gemeente kan dat bedrag afhankelijk van de omstandigheden aanvullen.

Voor echtparen en alleenstaanden die jonger zijn dan 21 jaar, en één of meer kinderen hebben, gelden in de nieuwe Bijstandswet hogere bedragen. In 1996 krijgen ze een toeslag van 20 procent van netto minimumloon (1996: 365,29 gulden) op de bovenstaand vermelde bedragen.

Hebben twee mensen hun hoofdverblijf in dezelfde woning en voeren zij een gezamenlijke huishouding, dan worden zij als partners beschouwd en komen zij gezamenlijk in aanmerking voor de uitkering van 100 procent.

Op grond van de nieuwe Bijstandswet krijgen gemeenten veel vrijheid om te bepalen hoe zij mensen met een bijstandsuitkering stimuleren bij het zoeken naar werk. Uitkeringsgerechtigden die gaan werken, kunnen van de gemeente een premie van maximaal 3200 gulden netto per jaar krijgen. Voor scholing kunnen bijstandsgerechtigden maximaal 2150 gulden netto krijgen. Gemeenten kunnen er ook voor kiezen om in plaats hiervan andere stimuleringsmaatregelen te hanteren.

Niet al het spaargeld behoeft te worden aangesproken, voordat iemand voor een bijstandsuitkering in aanmerking komt. Voor gezinnen geldt dat 18.600 gulden buiten beschouwing wordt gelaten, terwijl voor alleenstaanden een bedrag van 9.300 gulden geldt.

Voor mensen jonger dan 65 jaar die een bijstandsuitkering ontvangen en een eigen huis bewonen, geldt een speciale regeling. Bij hen wordt van het vermogen in het huis nog eens 15.000 gulden buiten beschouwing gelaten en van het meerdere de helft. Maximaal wordt voor gezinnen 78.600 gulden buiten beschouwing gelaten en voor alleenstaanden 69.300 gulden.

Wie verplicht verzekerd is bij een ziekenfonds moet van zijn/haar uitkering de nominale premie voor de Ziekenfondswet (ZFW) en de Algemene wet bijzondere ziektekosten (AWBZ) betalen. Wie niet verplicht is verzekerd, ontvangt bij de uitkering een vergoeding voor de betaling van een particuliere ziekenkostenverzekering, die dezelfde risico's dekt als de verplichte ziekenfondsverzekering. De vergoeding wordt verminderd met het bedrag dat een verplicht verzekerde in dezelfde omstandigheden als nominale premie aan het ziekenfonds moet betalen.

De IOAW/IOAZ-uitkeringen zijn netto gelijk aan de bijstandsnormen. Eventuele inkomsten uit of in verband met arbeid van de werkloze of ex-zelfstandige en zijn of haar partner worden in mindering gebracht op de uitkering. In tegenstelling tot de bijstandswet wordt geen rekening gehouden met andere inkomsten en met vermogen. Alleen bij de IOAZ wordt van vermogens boven de 204.000 gulden een inkomen van 5 procent van dat meerdere verondersteld.